1 en 2 Timótheüs — Voortreffelijke raad voor opzieners
DE TWEE geïnspireerde brieven aan Timótheüs (alsook de brief aan Titus) hebben thans een speciale betekenis voor mannen in de christelijke gemeenten. Hoe dat zo? Omdat wij thans, net als toen deze brieven werden geschreven, in een bijzonder kritieke tijd leven — een tijd waarin godloosheid en afval een bedreiging vormen voor de ware aanbidding van Jehovah God.
In Eén Timótheüs 3:1 had de apostel Paulus bovendien geschreven dat iedereen die een opzienersambt trachtte te verkrijgen, een voortreffelijk werk begeerde. Tot september 1972 was er in elke christelijke gemeente echter een gemeentedienaar die het algemene opzicht in de gemeente uitoefende, en degene die schijnbaar het meest bekwaam geacht werd dat ambt te bekleden, behield die positie; sommige gemeentedienaren hebben zelfs vele jaren achtereen in die positie gediend. Welke mogelijkheden bestonden er derhalve voor andere mannen in zo’n gemeente om dat soort van werk te begeren? Natuurlijk waren er ook de assistent-gemeentedienaar en andere aangestelde dienaren.
Toen echter werd beseft dat er net zoveel opzieners of ouderlingen konden zijn als er in een gemeente nodig waren, zoals in Filippenzen 1:1 wordt opgemerkt, kwam het ambt van opziener voor alle broeders open te staan die hiervoor in aanmerking kwamen. Alle opgedragen mannen werden ertoe uitgenodigd er moeite voor te doen dit ambt te verkrijgen. Wat Paulus aan Timótheüs schreef, kwam dus meer in de belangstelling te staan en werd nauwkeuriger onderzocht voor onze tijd.
Wie was Timótheüs? De bijbel vertelt ons dat hij een ongelovige Griekse vader maar een gelovige joodse moeder en grootmoeder had. Vanaf zijn prilste jeugd was hij door deze vrouwen in Gods Woord onderwezen. Hij was nog een heel jonge man toen hij door Paulus werd uitgenodigd hem op zijn zendingsreizen te vergezellen. En ten einde problemen bij de prediking tot de joden te vermijden, werd Timótheüs, die half Grieks was, besneden. Niet alleen vergezelde hij de apostel op deze reizen, maar herhaaldelijk trad hij als een afgevaardigde van Paulus op. Timótheüs was naar verluidt ook bij Paulus toen Paulus zijn brieven aan de Thessalonicenzen, Korinthiërs (de tweede brief), Kolossenzen en Filémon schreef. Evenals Paulus heeft Timótheüs, wegens zijn bediening, gevangen gezeten, want in Hebreeën 13:23 lezen wij dat hij uit de gevangenis werd vrijgelaten.
Timótheüs begon op betrekkelijk jeugdige leeftijd met Paulus mee te reizen. Toen Paulus hem echter de raad gaf dat hij niemand op zijn jeugd moest laten neerzien, moet Timótheüs reeds in de dertig zijn geweest (1 Tim. 4:12). Naar alle waarschijnlijkheid was Timótheüs er wat terughoudend of aarzelend in zijn autoriteit te laten gelden. Dit schijnt opgemaakt te kunnen worden uit Paulus’ instructies aan de gemeente Korinthe: „Zorgt er . . . voor dat hij [Timótheüs] vrij van vrees onder u wordt, want hij verricht het werk van Jehovah, evenals ik. Laat niemand daarom op hem neerzien. Vergezelt hem in vrede een eind weegs” (1 Kor. 16:10, 11). Hij schijnt geen krachtig gestel gehad te hebben — hetgeen tot zijn beschroomdheid kan hebben bijgedragen — want hij had maagklachten en „veelvuldige ziektegevallen”, met het oog waarop Paulus hem aanraadde wijn in plaats van water te drinken. Het is goed mogelijk dat het drinkwater destijds niet al te zuiver was (1 Tim. 5:23). Er bestond echter geen twijfel over dat Timótheüs een loyale, toegewijde vriend en medewerker was. Paulus schreef over hem: „Ik heb niemand anders van gelijke gezindheid als hij, die echt zorg zal dragen voor de dingen die u aangaan.” — Fil. 2:19, 20.
OPZIENERS EN DIENAREN IN DE BEDIENING
Toen de apostel Paulus aan Timótheüs schreef, besprak hij het ambt van opziener. Aan welke vereisten moet een man zoal voldoen om een opziener te kunnen zijn? Hij moet allereerst vrij van blaam zijn, slechts één vrouw hebben, nuchter en ernstig zijn, zelfbeheersing hebben, gastvrij zijn en bekwaam zijn om in de gemeente te onderwijzen. Hij mag geen zware drinker van wijn zijn en ook mag hij geen heftig, strijdlustig persoon zijn, maar hij moet een vriendelijke, vreedzame aard blijken te bezitten. Hij mag niet iemand zijn die het geld liefheeft en materialistisch is en hij moet zijn eigen gezin of huishouding goed kunnen besturen. Een pasbekeerde man zou niet voor dit ambt in aanmerking komen, aangezien hij verwaand zou kunnen worden van trots. Bovendien moest een opziener een man zijn die door mensen buiten de gemeente werd gerespecteerd. — 1 Tim. 3:1-7.
Degenen die ervoor in aanmerking komen als assistenten van de opzieners, ofte wel dienaren in de bediening, dienst te verrichten, moeten eerst op hun geschiktheid worden beproefd. Ook zij moeten vrij zijn van beschuldiging, ernstig zijn, niet dubbeltongig, niet verzot op veel wijn en niet belust op oneerlijke winst; daarentegen moeten zij met een goed geweten aan de waarheid van Gods Woord vasthouden. En ook zij mogen niet meer dan één vrouw hebben en moeten hun huisgezin goed besturen. — 1 Tim. 3:8-10, 12, 13.
GEMEENTELIJKE ORDE
Behalve dat in Paulus’ brief aan Timótheüs de vereisten worden uiteengezet van mannen die in de gemeenten dienstposities bekleden, worden ook hun taken behandeld, alsmede aangelegenheden die met de gemeentelijke orde verband houden. Timótheüs moest er als opziener en als een speciale vertegenwoordiger van Paulus op toezien dat de waarheid uit Gods Woord werd onderwezen en niet valse verhalen en andere dingen die niet opbouwen. Hij moest ook aanmoedigen tot gebed betreffende degenen die een hoge positie bekleden, opdat christenen een kalm, rustig en godvruchtig leven kunnen leiden. Het is Gods wil dat alle soorten van mensen worden gered, om welke reden God een Middelaar tussen God en mensen heeft verschaft, namelijk Jezus Christus. — 1 Tim. 1:3-7, 18-20; 2:1-6.
Met betrekking tot vrouwen in de gemeente vermaande Paulus dat zij zich bescheiden moeten kleden, blijk moeten geven van gezond verstand en hun versiering in een voortreffelijke geestesgesteldheid en hun goede werken moeten laten bestaan. Verder mogen vrouwen geen mannen onderwijzen of autoriteit over hen uitoefenen maar moeten zij onderdanig zijn; Adam werd immers eerst geschapen? Vrouwen moeten ook ernstig zijn, geen lasteraarsters, bescheiden in gewoonten en getrouw in alle dingen. Weduwen die ondersteuning nodig hebben, moeten door de gemeente geholpen worden, mits zij in de loop der jaren voorbeeldige christinnen zijn geweest en geen familieleden hebben die voor hen kunnen zorgen. En elke man die weigert voor zijn eigen gezin te zorgen, is erger dan een ongelovige. — 1 Tim. 2:9-15; 3:11; 5:3-16.
Timótheüs moet ook de oudere mannen met speciale consideratie bejegenen. Degenen die op een voortreffelijke wijze de leiding hebben, moeten van de gemeente dubbele eer, ontvangen met gepaste erkenning voor hun harde werk wat spreken en onderwijzen betreft. Oudere mannen mogen niet streng bestraft worden, maar moeten met aandrang worden toegesproken als vaders. En er mogen tegen hen geen beschuldigingen aanvaard worden behalve op het bewijs van twee of meer getuigen. Een ieder die in zonde volhardt, moet voor alle aanwezigen terechtgewezen worden. — 1 Tim. 5:1, 17-20.
Er schijnen heel wat slaven christen te zijn geworden, en daarom geeft Paulus Timótheüs instructies betreffende hen. Zij moeten hun meester met een passend respect bejegenen, opdat Gods naam niet gesmaad wordt. Mochten slaven een christelijke meester hebben, dan mochten zij dit niet uitbuiten. Zij moesten hun zelfs een nog betere dienst bewijzen. — 1 Tim. 6:1, 2.
Opzieners moeten ook op hun hoede zijn voor de strik van het materialisme. Paulus beklemtoont dus de waarde van godvruchtige toewijding met tevredenheid. Wij hebben per slot van rekening niets in de wereld gebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. Wanneer wij voedsel en kleding hebben, moeten wij allen dus tevreden zijn. Degenen die besloten zijn rijk te worden, geraken in allerlei moeilijkheden, want de liefde voor geld is een wortel van allerlei schadelijke dingen. Degenen die rijk zijn, moeten eraan herinnerd worden dat zij zich niet op hun rijkdom beroemen maar rijk trachten te zijn in goede werken, edelmoedig, bereid om met de behoeftigen te delen. — 1 Tim. 6:6-19.
In dit alles moet Timótheüs zijn uiterste best doen een werkman te zijn die door God wordt goedgekeurd en die Gods Woord juist hanteert. Dit Woord is uiterst waardevol „om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid”, aangezien het Gods dienstknechten in staat stelt „volkomen bekwaam [te zijn], volledig toegerust tot ieder goed werk”. — 2 Tim. 2:15; 3:16, 17.
In zowel Eén als Twee Timótheüs werd Paulus ertoe geïnspireerd een profetische waarschuwing te geven met betrekking tot toekomstige verslechterende toestanden. In Eén Timótheüs 4:1-3 zegt Paulus dat sommigen in latere perioden van het ware geloof zullen afvallen, dat zij zouden verbieden te trouwen en dat zij leringen van demonen zouden onderwijzen. In Twee Timótheüs 3:1-5 voorzegt hij de kritieke laatste dagen waarin wij ons thans bevinden, waarin mensen zichzelf en het geld zouden liefhebben, trots, heftig en zonder natuurlijke genegenheid zouden zijn, meer liefde zouden hebben voor genoegens dan voor God en huichelachtig zouden zijn. Vervolgens, in Twee Timótheüs 4:3, 4, waarschuwt Paulus voor de tijd waarin mensen de gezonde leer niet zullen verdragen maar zich leraren zullen bijeenbrengen die hen zullen vleien in plaats dat zij de waarheid onderwijzen.
SCHENK VOORTDUREND AANDACHT AAN UZELF
Met geïnspireerde wijsheid gaf Paulus Timótheüs niet alleen raad met betrekking tot de vereisten waaraan ouderlingen in de christelijke gemeente moeten voldoen en de wijze waarop zij zich van hun taken moeten kwijten, maar toonde hij zich ook bezorgd voor het persoonlijke gedrag van zijn vriend. Herhaaldelijk vergelijkt Paulus een christen met een soldaat. „[Ga voort] de voortreffelijke oorlog te voeren, het geloof en een goed geweten behoudend.” „Oefen u . . . met godvruchtige toewijding als uw doel.” „Strijd de voortreffelijke strijd van het geloof.” „God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar van kracht en van liefde en van gezond verstand.” „Draag als een voortreffelijk soldaat van Christus Jezus uw deel in het lijden van kwaad.” En Paulus zei over zichzelf dat hij „de voortreffelijke strijd [van het geloof had] gestreden”. — 1 Tim. 1:18, 19; 4:7; 6:12; 2 Tim. 1:7; 2:3; 4:7.
Ook gaf Paulus Timótheüs herhaaldelijk de raad de vruchten van Gods geest, zoals liefde, geloof, rechtvaardigheid, godvruchtige toewijding, volharding en een zachtaardige geestesgesteldheid, ten toon te spreiden (1 Tim. 4:12; 6:11, 12). Bovendien gaf Paulus hem instructies in verband met zijn taken als opziener: „Blijf deze geboden geven en ze leren.” „Ga er . . . mee voort u toe te leggen op het voorlezen, het vermanen, het onderwijzen.” En dat Paulus besefte wat er allemaal bij het behartigen van de taken van een opziener betrokken is, blijkt wel uit zijn woorden: „Een slaaf van de heer behoeft . . . niet te strijden, maar moet vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, zich onder het kwade in bedwang houdend, met zachtaardigheid degenen onderrichtend die niet gunstig gezind zijn, daar God hun misschien berouw geeft.” — 1 Tim. 4:11-16; 2 Tim. 2:23-25.
De twee geïnspireerde brieven van Paulus aan Timótheüs staan beslist vol met voortreffelijke instructies voor opzieners! Maar niet slechts voor opzieners, want deze brieven bevatten ook uitstekende vermaningen voor allen in de christelijke gemeente, ongeacht hun geslacht of status in het leven!