Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w71 1/9 blz. 533-536
  • Gods wegen leren kennen vanaf de kinderjaren

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gods wegen leren kennen vanaf de kinderjaren
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VROEGE OPLEIDING
  • BESLISSING OP TIENJARIGE LEEFTIJD
  • EEN LEVENSWERK BEGINT
  • GILEAD EN VERDER
  • EEN ANDERE TOEWIJZING
  • NAAR PUERTO RICO
  • Het oog en het hart op de prijs gericht houden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jehovah’s leiding verheugd aanvaard
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Opbouwende omgang baant de weg
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
w71 1/9 blz. 533-536

Gods wegen leren kennen vanaf de kinderjaren

Zoals verteld door Kathryn Glass

„NU U ermee bent begonnen de bijbel te bestuderen en Jehovah’s voornemens leert kennen, dient u iets te doen. Blijf met uw kleine kinderen over deze dingen praten.”

„Maar ze zijn nog zo klein! Het meisje is nog maar vier en de jongen is net een jaar geweest. Het zijn toch diepe dingen die wij leren!”

Hoe vaak uiten ouders zich op deze wijze! Maar is het waar dat kleine kinderen de bijbelse leer niet kunnen begrijpen? Welnu, ik heb vaak Spreuken 22:6 gebruikt om die vraag voor veel moeders te beantwoorden. Hierin staat: „Leid een knaap op overeenkomstig de weg voor hem; ook als hij oud wordt, zal hij er niet van afwijken.” Ik kan er uit eigen ervaring van getuigen dat dit een gezonde raad is voor deze hedendaagse tijd.

VROEGE OPLEIDING

In 1911 begonnen mijn ouders de bijbel te bestuderen aan de hand van de „Schriftstudiën”, een serie boeken die waren uitgegeven door de International Bible Students Association. Ik was bijna vier jaar en ik had nog een klein broertje. Mijn ouders onderwezen ons vanaf het begin in de vreugdevolle hoop van Gods koninkrijk en Jehovah’s vereisten voor kleine kinderen. Later kregen wij er nog een broertje en een zusje bij en ook zij kregen samen met ons onderricht. Zo groeiden wij op terwijl wij Gods voornemens en beloften altijd in gedachten hadden.

Nog voordat de meesten van ons de schoolgaande leeftijd hadden bereikt, liet moeder ons elke zondagmorgen met een paar kinderen uit de buurt samenkomen, en dan zongen wij een lied uit onze liederenbundel (Hymns of Millennial Dawn). Daarna ging zij ons voor in een kort gebed en vertelde ons een bijbels verhaal. Meer dan dat, zij moedigde ons aan er een kleine bespreking over te houden, zodat wij de diepere betekenis zouden begrijpen. Wij genoten er altijd weer van! En deze besprekingen hebben ons geholpen de rol van de verschillende bijbelse figuren in Jehovah’s voornemens te leren begrijpen.

De gemeente van Jehovah’s getuigen in onze stad Vincennes, in de Amerikaanse staat Indiana, vergaderde in ons huis. Wij kinderen leerden vóór elke vergadering wat water te drinken en naar het toilet te gaan, zodat wij later niemand zouden storen. Wij leerden stil te zitten en te luisteren. Toen ik in de derde klas zat, kreeg ik mijn eigen exemplaar van het bijbelse studiehulpmiddel en deed ik om de beurt mee als de paragrafen gelezen werden.

Ons huis stond altijd open voor de pioniers (toen bekend als colporteurs), die al hun tijd besteedden om de lectuur van het Wachttorengenootschap te verspreiden, en voor de reizende vertegenwoordigers van het Genootschap, die wij toen als „pelgrimbroeders” kenden. Wij trokken veel voordeel van die bezoeken en luisterden graag naar hun ervaringen.

BESLISSING OP TIENJARIGE LEEFTIJD

Een van deze bezoeken kan ik mij nog goed herinneren. Ik was tien jaar oud. De bezoeker was een „pelgrim” die W. J. Thorn heette. Om de een of andere reden waren moeder en wij kinderen de enigen die op een van zijn lezingen aanwezig waren, en daarom besloot hij zijn opmerkingen in het bijzonder tot ons jongeren te richten. Hij sprak over opdracht, en hij maakte dit onderwerp zo duidelijk dat het een diepe indruk op mij maakte. Toen ik die avond naar bed ging, zei ik in mijn gebed onder andere dat ik mijzelf aan God aanbood om gebruikt te worden zoals hij dat wilde. Ik heb nooit met anderen over die opdracht gesproken, maar in mijn tienerjaren dacht ik er altijd aan en ik heb mij er bij het nemen van beslissingen vaak door laten leiden.

Ongeveer twee jaar later verhuisden wij naar een stadje in Ohio waar geen gemeente van Jehovah’s volk was. Hoewel wij nog altijd bijbelstudie hadden, was dit niet meer op geregelde basis. Door ziekte, problemen om een gezin groot te brengen, de zorgen van het leven en het feit dat vader vaak voor zaken weg moest, werden wij er een aantal jaren in belemmerd geestelijk gezonde omgang met anderen van Gods volk te hebben. Maar die vroege opleiding had een diepe indruk op ons, jongelui, gemaakt. Het had diepe wortels in ons hart achtergelaten. De een na de ander droegen wij ons leven aan God op. Ik werd samen met mijn zuster in 1936 gedoopt. Onze broers waren reeds met het volle-tijdpredikingswerk, de pioniersdienst, begonnen, en Gertrude en ik waren van plan dit eveneens te gaan doen.

EEN LEVENSWERK BEGINT

In december 1938 gingen wij beiden in de pioniersdienst, zodat wij Gods Woord als volle-tijdwerkers predikten. In die tijd woonden wij in Cleveland, Ohio, en daarom verrichtten wij daar enkele maanden dienst voordat wij een toewijzing aanvaardden om in Brookville, Pennsylvania, te gaan werken. Het waren opwindende tijden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog waren Jehovah’s getuigen in veel plaatsen het doelwit van vervolging. Gertrude en ik hebben verscheidene dagen in de gevangenis doorgebracht omdat wij Gods Woord predikten. Toen won het Genootschap een rechtszaak tegen een aantal steden in Pennsylvania en wij waren vrij om ons predikingswerk te verrichten.

Toen wij in Warren, Pennsylvania, dienst verrichtten, maakte de toenmalige president van het Genootschap, J. F. Rutherford, een nieuwe regeling voor „speciale pioniers” bekend, waarbij het Genootschap een financiële ondersteuning gaf aan die pioniers die naar gemeenschappen zouden gaan waar speciaal behoefte aan de Koninkrijksprediking bestond. Wat waren wij opgewonden toen wij een brief ontvingen waarin ons werd gevraagd een aandeel aan deze speciale predikingsactiviteit te hebben!

In december 1941 begonnen vier van ons pioniersters in Salamanca, New York, onder de nieuwe regeling te werken. Later sloot een vijfde meisje zich bij ons aan. Er werd al gauw een gemeente opgericht; toen er een Koninkrijkszaal was gevonden en gereedgemaakt, was het tijd voor ons om naar een nieuwe toewijzing te verhuizen. Intussen achtte mijn zuster Gertrude het raadzaam naar huis terug te gaan om moeder tijdens de ziekte waaraan zij gestorven is, te verzorgen. Dorothy Lawrence en ik werden in 1944 naar Penn Yan, New York, gezonden, maar niet lang. Wij werden beiden uitgenodigd om de vierde klas van de opleidingsschool van het Wachttorengenootschap voor zendelingen te bezoeken. Sinds die tijd zijn wij altijd partners en metgezellen van elkaar gebleven.

GILEAD EN VERDER

Wij merkten op dat velen in onze klas van Gilead Jehovah’s voornemens vanaf hun vroege kinderjaren kenden. Hier ontmoetten wij ook weer de vroegere „pelgrim” W. J. Thorn. Hoewel hij oud en gebrekkig was geworden, was hij nog steeds in staat elke dag op de Koninkrijksboerderij van het Wachttorengenootschap, waar de Gileadschool toen was gevestigd, werk te verrichten. Toen ik hem aan de woorden herinnerde die mij in mijn vroege kinderjaren hadden beïnvloed, zei hij dat hij dat thema vaak had gebruikt wanneer hij met kinderen sprak.

Ik zou een boek kunnen schrijven over onze geweldige ervaringen op Gilead, maar Gilead was slechts het begin van grotere dingen die zouden komen. Onze eerste toewijzing was Cuba, waar wij op de eerste dag van het jaar 1946 aankwamen. Wij moesten een kleine gemeente in het plaatsje Cienfuegos helpen. De grote woonkamer van ons zendingshuis was de Koninkrijkszaal of vergaderplaats. Sommigen in de gemeente verkeerden in verwarring, anderen hadden ten gevolge van slechte invloeden alle contact met de gemeente verloren. Het was dan ook onze taak zoveel mogelijk personen te bezoeken en op te bouwen. Met Jehovah’s hulp zijn wij hier aardig in geslaagd.

EEN ANDERE TOEWIJZING

Onze volgende grote toewijzing was de Dominicaanse Republiek. Wij waren nog maar nauwelijks geïnstalleerd en hadden net een permanente woonvergunning ontvangen of er kwamen moeilijkheden. Ons werk werd verboden. Dictator Trujillo gaf bevel dat alle Koninkrijkszalen gesloten moesten worden en ons predikingswerk werd verboden. Verscheidene zendelingen moesten het land verlaten, maar Dorothy en ik waren blij dat wij mochten blijven. Het werk werd volgens nieuwe richtlijnen gereorganiseerd en wij kregen de raad werelds werk te nemen en als gewone burgers te leven.

Dat was een hele verandering. Wij vonden een gerieflijke flat die op de Caraïbische Zee uitzag en gaven Engelse les om in ons onderhoud te voorzien. Onze leerlingen waren voornamelijk zakenmensen en diplomaten uit verschillende landen. Terzelfder tijd was ons een klein groepje Getuigen toegewezen, en wij kwamen in onze flat bijeen voor vergaderingen en bijbelstudies. Op deze wijze konden politiespionnen nooit met zekerheid weten wie van degenen die ons huis in- en uitgingen bonafide leerlingen van ons waren die Engels leerden en wie onze geestelijke zusters waren.

Wij hadden een groot bad in onze flat, en dit bleek heel nuttig te zijn, aangezien het gedurende de jaren dat de verbodsbepaling gold niet mogelijk was openbare doopplechtigheden te hebben. Vanuit de stad en daarbuiten kwamen er kandidaten om hier gedoopt te worden, terwijl wij tegelijkertijd op de hoogte bleven van wat er in andere delen van de stad en het land gebeurde. Ik weet van vijftig of meer personen, met inbegrip van verschillende jongeren, dat zij in dit bad werden gedoopt.

Tijdens een Gedachtenisviering was onze flat eens vol met Getuigen. Het stortregende en iedereen kwam drijfnat binnen, maar wij hadden handdoeken klaar om hen af te drogen. En die regen bleek een zegen te zijn, omdat de officiële spionnen hierdoor niet op het lage muurtje voor ons huis konden zitten om te zien wat er gebeurde.

NAAR PUERTO RICO

In 1957 werden alle zendelingen uit de Dominicaanse Republiek gedeporteerd; wij werden nu aan Puerto Rico toegewezen, terwijl wij het stadje Adjuntas, in de bergen, als speciale toewijzing ontvingen. Wij werkten hard en maakten ondanks tegenstand goede vorderingen. De geestelijken, zowel de katholieke als de protestantse, oefenden druk op de mensen uit. Hun werd gezegd dat zij bij de kerk moesten blijven waarin zij waren grootgebracht. Zelfs de pogingen van de Grieks-Orthodoxe Kerk om daar vaste voet te krijgen, werden verijdeld. Maar dat gebeurde niet met Jehovah’s volk, want wij raakten met veel mensen bevriend, terwijl velen, met inbegrip van vooraanstaande personen, ons sympathiek gezind waren.

Een fijne ervaring die ik hier opdeed betrof een jonge jongen van veertien jaar die bij mensen kwam waar ik een bijbelstudie leidde, met de mededeling dat hij was gekomen om te studeren. Hij nam ijverig aan de bespreking deel en stelde veel vragen. Hij was opgewekt van aard en praatte en lachte aan één stuk door. Aangezien ik een beetje aan zijn oprechtheid twijfelde, won ik enkele inlichtingen in en kwam te weten dat zijn onderwijzeres reeds de bijbel met mij bestudeerde en zijn belangstelling had opgewekt. Zij verzekerde mij dat hij werkelijk oprecht was.

En inderdaad maakte hij geweldige vorderingen. Toen hij naar een grotere stad ging om zijn schoolopleiding te voltooien, ging hij met zijn bijbelstudie door, nam deel aan de velddienst en werd ten slotte gedoopt. Hij moest een tijdje thuis blijven om bij te springen in verband met de zorg voor verschillende jongere broers en zusters. Te bestemder tijd regelde hij zijn aangelegenheden dusdanig dat hij de volle-tijddienst op zich kon nemen. Later werd hij voor de speciale pioniersdienst uitgenodigd en nu is hij opziener in een gemeente waar hij als pionier werkzaam is.

Ik kan u nog een ervaring vertellen in verband met een jong meisje in ons gebied. Het meisje was nogal toegeeflijk grootgebracht. Haar openhartigheid, hoewel oprecht en eerlijk, zou mensen kunnen doen denken dat zij niemand respecteerde en zelfs schaamteloos was. Haar moeder maakte zich werkelijk zorgen over haar. Op zekere dag was zij van school thuisgekomen met de mededeling dat zij genoeg had van de Katholieke Kerk, hoewel haar moeder toen nog steeds de Mis bezocht. Op eigen houtje verliet zij de katholieke school en wilde van een openbare school afstuderen.

Maar toen de moeder met ons de bijbel begon te bestuderen, was het meisje hier heftig tegen gekant. Pogingen om haar het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt op zijn minst te laten lezen, liepen op niets uit. In wanhoop ging haar moeder met haar onderhandelen. Er was haar blijkbaar een reis naar Spanje beloofd en nu vertelde de moeder haar dat als zij vóór haar vertrek bijbelstudie zou nemen, zij extra reisgeld zou krijgen. Zij behoefde het boek niet te geloven, zo zei haar moeder, als zij maar geregeld bleef studeren totdat het uit was. Het meisje stemde hierin toe en de moeder vroeg mij de studie bij haar te leiden.

Het was erg moeilijk. Het meisje sprak de eenvoudigste verklaringen tegen. Ik probeerde kalm te blijven en al haar tegenwerpingen te ontzenuwen, en aangezien zij een gezond gevoel voor humor had, probeerde ik de studie aan de luchtige kant te houden, hoewel ik terzelfder tijd de waardigheid in acht nam die bij het „goede nieuws” paste. Toen wij aan het einde van het boek kwamen, had ik de indruk dat zij de boodschap van de bijbel niet had aanvaard. Ik twijfelde nogal aan het oordeel van de moeder om op deze wijze met haar dochter te onderhandelen. Tot mijn verbazing vroeg zij mij op zekere dag echter welk boek wij nu zouden gaan bestuderen! Jehovah had het zaad werkelijk laten groeien! — 1 Kor. 3:7.

Als ik op de afgelopen eenendertig jaren van volle-tijddienst ten behoeve van Gods koninkrijk terugkijk, kan ik mij alleen maar verheugen over het volle leven dat mij ten deel gevallen is. In zeker opzicht ben ik zelfs nog rijker dan koning Salomo. En als ik in de Koninkrijkszaal hier in de Río Piedrasgemeente in San Juan gezinnen met kinderen zie, moet ik altijd weer denken aan de zegeningen welke ouders zullen ontvangen die de raad in Spreuken 22:6 opvolgen.

Ik dank in ieder geval Jehovah en mijn ouders voor zulk een goede en grondige opleiding vanaf mijn kinderjaren, een opleiding die mij zodanig heeft gevormd dat ik Gods weg met blijdschap ben gaan bewandelen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen