Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w72 15/6 blz. 380-382
  • Opbouwende omgang baant de weg

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Opbouwende omgang baant de weg
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GODS WAARHEID LEREN KENNEN
  • DE WEG OPENT ZICH VOOR VOLLE-TIJDDIENST
  • TERUG IN DE VOLLE-TIJDDIENST
  • NAAR DE GILEADSCHOOL EN BRAZILIË
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Gods wegen leren kennen vanaf de kinderjaren
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Het oog en het hart op de prijs gericht houden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
w72 15/6 blz. 380-382

Opbouwende omgang baant de weg

Zoals verteld door Jennie Klukowski

HET was 10 augustus 1941, de tevoren aangekondigde „Kinderendag” op een christelijk congres in St. Louis, in de Amerikaanse staat Missouri. De president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, richtte zich tot de 15.000 kinderen die voor hem zaten en zei: ’Al jullie kinderen die overeengekomen zijn de wil van God te doen en jullie standpunt aan de zijde van de Theocratische Regering onder Christus Jezus hebben ingenomen en die overeengekomen zijn God en Zijn Koning te gehoorzamen, willen jullie alsjeblieft OPSTAAN!’

Ik stond op. Ik was dertien jaar en vond het geweldig met die gelukkige schare verbonden te zijn. Het was mijn eerste grote congres. Dit soort van opbouwende omgang baande voor mij de weg om een volle-tijdverkondiger van Gods koninkrijk te worden.

GODS WAARHEID LEREN KENNEN

Ik werd in de Amerikaanse staat Michigan geboren en grootgebracht. Ik ging op een plattelandsschool en de onderwijzeres begon ons te vertellen over de ongewone tijd waarin wij leefden en wat de toekomst volgens de bijbelse profetieën voor de mensheid zou brengen. Ik vond het bijzonder interessant. Op een dag vroeg zij mij na school of wij thuis een bijbel hadden. „Ja,” zei ik, „mijn moeder leest er vaak in.” Zij bood aan op een avond bij ons te komen om te laten zien hoe wij de bijbel moesten bestuderen. Zij was een van Jehovah’s christelijke getuigen.

Omstreeks deze tijd verhuisde mijn oudste zuster naar de stad. Toen zij voor het raam van een particulier huis een bordje zag waarop bijbelstudies werden aangekondigd, klopte zij aan en vertelde dat zij daar belangstelling voor had, en er werd een bijbelstudie afgesproken. Als zij op weekends thuis kwam, spraken wij over wat wij uit de bijbel leerden en kwamen tot de ontdekking dat wij over dezelfde organisatie spraken!

DE WEG OPENT ZICH VOOR VOLLE-TIJDDIENST

Mijn zuster begon al gauw een volle-tijdpredikster van het goede nieuws van Gods koninkrijk te worden. Door haar aangemoedigd, stelde ik mij dat ook ten doel. In januari 1942 werd ik gedoopt. Op 1 januari 1943, toen ik van school was kreeg ik mijn eerste toewijzing als een volle-tijdpredikster van Gods Woord. Mijn ouders gaven mij toestemming omdat ik met mijn oudste zuster zou werken. Ik was toen veertien jaar.

Na tien maanden met mijn zuster in Alma, Michigan, te hebben gewerkt, kreeg zij een nieuwe toewijzing voor East Rochester, in de staat New York. Ik ging met haar mee. Het was onze eerste toewijzing die wat geïsoleerd lag van een christelijke gemeente.

In deze toewijzing trof ik voor het eerst iemand aan die veel belangstelling voor de boodschap van de bijbel had. Zij stelde zoveel vragen dat ik mij overweldigd voelde en bang was dat zij niet tevreden zou zijn met mijn antwoorden. „De volgende keer zal ik mijn oudste zuster meenemen”, beloofde ik haar.

„Is ze veel ouder dan jij?” vroeg de dame.

„O ja,” zei ik, „zij is oud — ze is drieëntwintig!”

Bij mijn volgende bezoek daar met mijn zuster vertelde de dame — tot grote ergernis van mij — wat ik had gezegd. Zij bleef studeren en werd, samen met nog andere leden van haar gezin, een van Jehovah’s getuigen.

Ons verblijf daar bleek maar al te kort te zijn, want op de eerste dag in ons nieuwe gebied kreeg mijn zuster een uitnodiging voor de derde klas van de Wachttoren Bijbelschool Gilead, om opgeleid te worden voor zendingsdienst in het buitenland. Na drie maanden ging mijn zuster naar Gilead en keerde ik naar huis terug om te wachten totdat mijn ouders mij toestemming zouden geven om van huis te gaan en zelfstandig het volle-tijdpredikingswerk op mij te nemen.

TERUG IN DE VOLLE-TIJDDIENST

Die dag kwam het jaar daarop, in september 1945, toen ik zeventien werd. Ik begon te prediken in Flint, Michigan, en woonde bij een christelijke zuster en haar man die als mijn eigen familie waren. In deze toewijzing genoot ik anderhalf jaar lang opbouwende omgang met een gemeente waarin zich ongeveer twintig ijverige tieners bevonden. Onze omgang was wederzijds opbouwend en baande de weg voor voortgezette volle-tijddienst in het belang van Gods koninkrijk.

Wat heb ik genoten toen in juli 1969 sommigen van deze vroegere tieners een onverwachte ’reünie’ organiseerden voor allen die meer dan twintig jaar voordien in de gemeente Flint waren opgegroeid en hadden samengewerkt. Nu zijn deze ’tieners’ opzieners, dienaren in de bediening, pioniers of volle-tijdpredikers, reizende bedienaren, zendelingen en ijverige verkondigers van het goede nieuws!

In deze gemeente Flint heb ik meer dan twintig jaar geleden enkele fijne ervaringen opgedaan. Ik ontmoette een vrouw in geïsoleerd gebied die er gewoon op wachtte Gods waarheid te leren kennen. Al heel gauw gaf zij buren en familieleden enthousiast getuigenis over Gods koninkrijk, zonder zich door hun onverschilligheid te laten afschrikken. Thans vertelt zij mij in haar brieven over de vooruitgang van de plaatselijke gemeente.

In januari 1947 werd mij gevraagd of ik een toewijzing wilde aanvaarden in Jackson, Michigan. Drie maanden later was ik daar. Op de een of andere manier dachten de opziener en zijn vrouw uit de brief die ik had geschreven, dat ik een oudere vrouw was en daarom regelden zij een logeeradres voor mij bij twee oudere vrouwen, van wie één eveneens een volle-tijdpredikster van het Koninkrijk was. Zij waren aangenaam verrast toen zij bij hun thuiskomst op een zondagmiddag een achttienjarig meisje op hen vonden wachten.

Later werd ik door nog twee volle-tijdprediksters van ongeveer mijn leeftijd vergezeld. De opziener en zijn vrouw bleken een tweede stel ouders voor ons drieën te zijn en tot op vandaag ondertekenen zij hun brieven met „Pa en Ma”. De hele gemeente, jong en oud, nam ons op — hoe konden wij ons ver van huis voelen?

NAAR DE GILEADSCHOOL EN BRAZILIË

Mijn uitnodiging in 1948 voor de dertiende klas van de zendingsschool Gilead kwam als een onverwachte verrassing. Tot op die tijd had ik er niet aan gedacht naar Gilead te gaan. Ik dacht er vele dagen over na. Zou ik in een ander land werkelijk de voortreffelijke omgang vinden die ik tot nu toe had genoten, een omgang die de weg had gebaand om in de volle-tijddienst te blijven? Kort voordat de uitnodiging kwam, had mijn jongste zuster, die net van de middelbare school was afgestudeerd, zich bij ons gevoegd in de volle-tijdpredikingsdienst. Het zou betekenen dat ik ook haar moest verlaten.

Maar in februari 1949 was ik op de Gileadschool. Ik had geen tijd om mij eenzaam te voelen met zoveel lessen en klasgenoten en zoveel huiswerk. Na vijf en een halve maand dacht ik: „Wat droevig om afscheid te moeten nemen van zoveel vrienden die zo ver weg gaan!”

Maar ik had met nog zes anderen een toewijzing ontvangen om naar Brazilië te gaan. En na drie maanden in de Newyorkse Eenheid East Manhattan te zijn geweest, bevonden wij ons op een schip naar Brazilië. Op de ochtend van de dertiende dag aan boord van het schip ontwaakten wij op tijd om uit de patrijspoort te kijken en de glinsterende witte en pastelkleurige gebouwen te zien van wat wel ’s werelds mooiste haven is genoemd, namelijk Rio de Janeiro. Toen wij van boord kwamen, werden wij door de bijkantoordienaar, zendelingen en plaatselijke Getuigen opgewacht. Geen tijd om aan „ver weg” te denken!

Gedurende de weekdagen bleef er één thuis om te koken terwijl er zes op stap gingen om te werken. Wij werkten aan één stuk door tot twaalf uur, keerden dan naar huis terug om te rusten, te eten en Portugees te leren. Wij wisselden ervaringen uit en vertelden wat de mensen zeiden en wat wij antwoordden.

Geleidelijk verdween de vrees en bezorgdheid in verband met de nieuwe taal en gewoonten en overtuigde de warmte en het geduld van de Braziliaanse Getuigen ons ervan dat christelijke liefde geen grenzen kent.

Na een jaar in Rio de Janeiro te zijn geweest, gingen wij naar een meer in het land gelegen stad, Belo Horizonte. Gedurende de tweeëntwintig jaar dat ik in Brazilië ben, heb ik nu in totaal zes toewijzingen gehad. Drie daarvan waren om gemeenten op te richten en drie om in reeds opgerichte gemeenten te werken. Mijn jongste zuster voegde zich hier bij mij in het zendingswerk na van de achttiende klas van Gilead te zijn afgestudeerd.

In een kleine stad, Sao Joao del Rei, troffen wij voor het eerst een gebied dat moeilijk was. De burgemeester was een priester, en ’s avonds ontmoedigde hij de mensen door middel van een radioprogramma om naar de boodschap die wij aan de hand van de bijbel brachten, te luisteren. Bij één huis griste de heer des huizes de bijbel uit de hand van een zendelinge en scheurde die in stukken, terwijl het nog wel een katholieke vertaling was. Soms werkten wij wel drie uur of langer zonder ook maar een stuk bijbelse lectuur bij iemand te kunnen achterlaten, omdat de mensen bang waren voor wat hun buren wel zouden zeggen of denken. Maar toch vonden wij er enkele mensen die een bijbelstudie wilden hebben en voordat wij naar een andere stad werden overgeplaatst, zagen wij het begin van een nieuwe gemeente.

Mijn huidige toewijzing is Belem, in de staat Para, aan de monding van de Amazone, een stad van ongeveer 600.000 inwoners. Wij hebben vijf gemeenten in de stad, met meer dan 400 Getuigen.

Toen ik op een zaterdagmorgen in het zakengebied van deze stad De Wachttoren en Ontwaakt! aanbood, ontmoette ik een man die mij vroeg hem een „protestantse” bijbel te brengen daar hij, zoals hij zei, de „katholieke” vertaling had gelezen en een vergelijking wilde maken. Hij was in staat te leren dat Gods waarheid dezelfde is, ongeacht welke vertaling er wordt gebruikt. Mettertijd werd hij de opziener van mijn gemeente.

In een andere ervaring verhuisde een vrouw met wie ik de bijbel had bestudeerd, wegens het wereldse werk van haar echtgenoot naar het binnenland. ’Hoe zou het met haar gaan?’ vroeg ik mij af, daar zij nog maar pas gedoopt was en er geen Getuigen in dit stadje waren. Toen zij vijf jaar later naar Belem terug verhuisde, liet zij een bloeiende gemeente met een eigen Koninkrijkszaal achter.

Onlangs hebben wij een nieuw, ruim en luchtig zendelingenhuis betrokken dat gebouwd is boven de eerste Koninkrijkszaal die het eigendom van de gemeente is. Hier genieten wij van opbouwende omgang met onze christelijke broeders en zusters, dezelfde opbouwende omgang die ik de afgelopen achtentwintig jaar heb ondervonden. Wat ben ik dankbaar dat een dergelijke omgang de weg heeft gebaand voor zoveel zegeningen, onder andere dat ik meer dan de helft van mijn leven hier in een zendingstoewijzing heb doorgebracht en anderen mag helpen zich in de Koninkrijksdienst te verheugen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen