Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 15/3 blz. 185-188
  • Waardering voor Jehovah’s barmhartigheid en liefderijke goedheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waardering voor Jehovah’s barmhartigheid en liefderijke goedheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE BEGINJAREN
  • EEN STAP IN DE GOEDE RICHTING
  • DE GROTE VERANDERING
  • EEN NIEUW LEVEN
  • HET LEVEN OP BETHEL
  • In de pas met de getrouwe organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Kun jij je beschikbaar stellen?
    Onze Koninkrijksdienst 2001
  • Is dit misschien de beste carrière voor jou?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Met volharding op Jehovah wachten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 15/3 blz. 185-188

Waardering voor Jehovah’s barmhartigheid en liefderijke goedheid

Zoals verteld door KLAUS JENSEN

HEBT u er ooit wel eens bij stilgestaan hoe geduldig en barmhartig de grote God Jehovah ten aanzien van de zondige mensheid is? Hoe hij het verdraagt dat zij hem en zijn wil negeren en hun eigen zelfzuchtige weg gaan? Hoe hij zelfs afzonderlijke personen de ene na de andere gelegenheid biedt om in een vredige verhouding tot hem te komen, hoewel zij dit alles misschien heel licht opvatten? — Ps. 145:8.

Wanneer ik mijn eigen ervaring in aanmerking neem, kan ik mij herinneren hoe ik een vast besluit nam toen ik van mijn gewoonlijke weekendreis naar een klein huisje in de bossen ten noorden van Christiania, in Noorwegen, naar de stad terugkeerde. Ja, ik had besloten met het gehele levenspatroon dat ik toen volgde, te breken. Het was het soort van leven dat de meeste mensen met een behoorlijk inkomen leidden. Het had altijd zo’n goed idee geschenen om elk weekend weg te trekken van het toneel van het dagelijkse gezwoeg en in de schitterende bossen van Nordmarken ski- en trektochten te maken.

Sommige mensen maken de Natuur tot hun god, maar ik had altijd in een machtige, intelligente Schepper van alles geloofd. De eenzame uitgestrektheid van de ongerepte natuur kon soms werkelijk ontzaginboezemend zijn, maar toch had mijn leven iets leegs, misschien de zelfzucht van dit alles, waarbij ik alleen maar voor mijzelf zorgde. Wat ik precies miste, wist ik eigenlijk niet.

DE BEGINJAREN

Dat speciale weekend was ik alleen geweest. Misschien was ik wel gaan nadenken over mijn jongensjaren in het oude stadje Tönsberg, aan de westkant van Christianiafjord. Wij waren daar enkele jaren nadat ik in 1896 in een klein plaatsje, Saltnes Raade genaamd, was geboren, naar toe verhuisd, en daar heb ik zowel de openbare als de handelsschool doorlopen. En vanzelfsprekend heb ik ook op gezette tijden aan gymnastiek en sport gedaan.

Misschien heb ik toen ook wel gedacht aan mijn godvrezende ouders — mensen die altijd een grote eerbied voor Gods Woord de bijbel hebben gehad. Wij waren een gelukkig gezin met tien kinderen, van wie ik nummer vijf was. Mijn vader werkte in het visserijbedrijf, en met zo’n groot gezin moest hij altijd hard werken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. ’s Zomers brachten wij kinderen onze vakantie met vader aan boord van zijn vissersboot door, en hij vond het altijd fijn ons bij zich te hebben. Vaak knielde hij neer om God voor zijn zegeningen te danken.

Wanneer ik hier nu weer aan terugdenk, kan ik begrijpen waarom vader wilde dat ik de kost met ander werk zou verdienen. De visserij was te inspannend. Zo kwam ik ten slotte op de middelbare school terecht, zonder dat mijn ouders schoolgeld behoefden te betalen, terwijl ik na mijn diploma gehaald te hebben kantoorwerk ging verrichten, en wel bij een zeeverzekeringsmaatschappij. Ik heb gedurende korte tijd ook ervaring opgedaan op het kantoor van een scheepseigenaar.

Omstreeks 1908 begonnen mijn ouders nog ernstiger over de boodschap van de bijbel na te denken. In die tijd mochten kinderen wel met hun ouders meegaan naar bijbelvergaderingen, maar hier werd niet zozeer de nadruk op gelegd. Toen mijn ouders dus de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen destijds werden genoemd, begonnen bij te wonen, gingen wij met hen mee. Voor zover ik mij kan herinneren, was het belangrijkste onderwerp van gesprek de „Hoge Roeping” van degenen die op zekere dag met Christus in de hemel hoopten te regeren. Niettemin lieten wij kinderen vele gelegenheden voorbijgaan om werkelijk te beschouwen wat Gods wil voor ons was. Er kwamen vaak „pelgrims” of reizende vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap bij ons thuis. Ik heb enige tijd geleden nog de groeten ontvangen van een tweeëntachtigjarige broeder die bij ons in huis was toen hij in onze stad getuigenis gaf als een full-time van-huis-tot-huisprediker. Zulke bezoeken waren altijd heel prettig, en vooral een van deze gelegenheden zal ik nooit vergeten, toen een van die bezoekers de volgende opmerking maakte over de belangstelling die mijn broer en ik voor sport aan de dag legden: „Ik zou willen dat zij voor een andere prijs hardliepen.” — Fil. 3:13, 14.

Eind 1917 werd ik opgeroepen voor militaire dienst, en ik beschouwde het als mijn plicht deze te vervullen. Mijn werkgever dacht er klaarblijkelijk net zo over, want hij betaalde mij mijn volle loon gedurende de negen maanden dat ik bij de kustverdediging in dienst was. Drie van ons kregen de toewijzing ’s nachts de wacht te houden, waarbij wij in een kleine hut woonden op een eilandje in Christianiafjord.

Bij een zekere gelegenheid ontsnapten wij ternauwernood aan de dood toen een mijn op de steenachtige kust aanspoelde. In een poging de voortrollende mijn tot stilstand te brengen, trok ik een cilindervormig onderdeel uit zijn positie. Een van mijn metgezellen, een geniesoldaat, sloeg het meteen weer op zijn plaats. Toen de mijn later gedemonteerd werd, kwamen wij te weten dat nòg een kleine beweging de mijn tot ontploffing gebracht zou hebben, waardoor wij allen gedood zouden zijn.

In die tijd hadden wij geen duidelijk inzicht betreffende de bijbelse leer over neutraliteit. Toen mijn moeder mij eens vroeg wat ik zou doen als de Volkenbond mij zou vragen in een ander deel van de wereld te vechten, zei ik haar dat ik dan zou moeten gaan. Pas later leerde ik de betekenis van de woorden uit de bijbel: „Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken, . . . Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan” (Jes. 8:9, 10, Statenvertaling). Toch waren er in die tijd personen die weigerden datgene wat van God was, aan Caesar te geven en die wegens dit standpunt lijden moesten ondergaan.

EEN STAP IN DE GOEDE RICHTING

Toen ik later naar Christiania was verhuisd, nam ik een abonnement op Het Gouden Tijdperk, nu bekend als Ontwaakt! Dit had tot gevolg dat ik door een vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap werd bezocht, die mij reeds kende van zijn vroegere bezoeken bij mijn ouders thuis. Vreemd genoeg deed ik nog steeds geen werkelijke voorwaartse stap als reactie op Jehovah’s vriendelijke uitnodiging. Toen bekend werd dat A. H. MacMillan als speciale spreker de lezing „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven” zou uitspreken, spoorde ik zelfs een goede vriend van mij ertoe aan deze lezing te gaan beluisteren, terwijl ikzelf de stad uit ging.

Die vriend bracht zo’n interessant verslag over de lezing uit dat ik ervoor zorgde de volgende aangekondigde lezing bij te wonen. Deze heeft veel indruk op mij gemaakt, maar behalve dat ik de wens koesterde dat ik anderen over Gods barmhartigheid en vriendelijkheid kon vertellen en behalve dat ik af en toe met een paar anderen in mijn kennissenkring over de dingen sprak die ik had geleerd, deed ik niets. Zou Jehovah mij met barmhartigheid blijven bejegenen?

Toen kwam dat weekend in Nordmarken. Ik besloot enkele drastische veranderingen in mijn leven aan te brengen, hoewel het mij nog steeds niet helemaal duidelijk was wat ik moest doen om meer voldoening uit mijn leven te putten.

DE GROTE VERANDERING

In 1923 nam ik ontslag en maakte ik plannen om naar Amerika te varen. Californië was eigenlijk mijn doel, maar ik kwam te weten dat New York meer te bieden had op het gebied van mijn branche. Mijn vrienden en zelfs mijn ouders dachten dat het allemaal een grap was. Anderen waren ervan overtuigd dat ik weer gauw zou terugkomen, omdat ik Nordmarken en zijn bosrijke omgeving niet zou kunnen missen. Ten slotte was de tijd aangebroken dat ik zou vertrekken. Moeder zei: „Misschien kom je wel op Bethel terecht”, waarmee zij natuurlijk het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn bedoelde. Het was een hele reis: eerst keek ik een week rond in Londen en toen stak ik de Atlantische Oceaan over in het snelste passagiersschip van die tijd, de Mauretania.

Dat was een grote verandering. Maar er kwam een nog grotere verandering toen ik geregeld de vergaderingen van Jehovah’s volk in Bloomfield, New Jersey, begon bij te wonen. Naarmate ik in kennis toenam, kreeg ik meer verantwoordelijkheidsgevoel. Begin 1924 namen mijn christelijke broeders in Bloomfield mij mee voor een reis naar het Bethelhuis in Brooklyn, bij welke gelegenheid ik werd gedoopt. Wat heeft dat bezoek een indruk op mij gemaakt! Toen ik kort daarna in het tijdschrift The Watch Tower las dat er werkgelegenheden waren voor ongehuwde, aan God opgedragen mannen, die geen verdere verplichtingen hadden, was mijn belangstelling dan ook groot genoeg om hiernaar te informeren en uiteindelijk een aanvraag in te dienen. „Hoe lang ben je bereid te blijven?” stond op het formulier. „Zolang de Heer dit wil”, was mijn antwoord. Jehovah is beslist onverdiend goedgunstig jegens mij geweest om mij in de gelegenheid te stellen dit voorrecht te genieten!

EEN NIEUW LEVEN

Op 12 mei 1924 begon ik dus op Bethel te werken en ik heb sindsdien altijd op Columbia Heights 124 gewoond, zonder ooit het verlangen gehad te hebben weg te gaan. Eerst heb ik in de tijdschriftenafdeling op Concord Street 18 gewerkt, waar ik adresplaatjes ponste, in sommige gevallen voor een uit vier bladzijden bestaande publikatie, The Broadcaster, die door het Genootschap als drukwerk werd verzonden en ten aanzien waarvan de hoop werd gekoesterd dat honderdduizenden mensen deze over de post zouden ontvangen. Later werd met de verzending van deze publikatie gestopt, omdat zoveel exemplaren niet op de plaats van bestemming aankwamen. Overal werd toen aan de Getuigen gevraagd zich ervoor in te spannen Het Gouden Tijdperk te verspreiden, een tijdschrift waarvan de oplage thans niet slechts in de honderdduizenden maar in de miljoenen loopt. Het staat thans bekend als Ontwaakt!

Voor zo’n liefhebber van sport en lichaamsbeweging was het in het begin moeilijk aan dit werk te wennen. Er kwam echter een verandering toen mij werd gevraagd tussen de Matrijsafdeling en de Verzendafdeling te kiezen. Aangezien ik iets meer van schepen en ladingen af wist, ging ik naar de Verzendafdeling. Toen er later een Noordeuropees kantoor van het Genootschap in Kopenhagen werd geopend en de mogelijkheid van een overplaatsing ter sprake werd gebracht, werd besloten dat ik in Brooklyn zou blijven.

In de Verzendafdeling, welke zowel ontvangst als verzending en zowel import- als exportactiviteiten omvat, heb ik het voorrecht gehad de expansie van de organisatie gedurende meer dan vijftig jaar gade te slaan: van gehuurde drukkerijgebouwen in 1924 tot de vier stadsblokken beslaande eigen moderne drukkerijgebouwen van het Genootschap in 1969; van een negentiende-eeuws woongebouw in 1924 tot hoge, moderne woongebouwen aan beide zijden van Columbia Heights in deze tijd. Thans worden in ruim 200 landen 34.576 gemeenten van bijbels en bijbelse studiehulpmiddelen voorzien. Wat gaat er een enorme stroom van bijbelkennis uit deze gebouwen!

Terwijl vroeger het belangrijkste deel van onze verzendingen in kleine postpakketten bestond, verlaten thans grote goederenwagons de Verzendafdeling voor bestemmingen over de gehele aarde. Het postkantoor vindt het zelfs dienstig dagelijks met grote trekkers met opleggers langs te komen ten einde de te verzenden lectuur op te halen in plaats dat wij deze met onze vrachtwagens brengen.

En staat u er eens bij stil welk een enorme hoeveelheden lectuur er in een dag of twee op onze grote congressen verspreid worden! Dit heeft mij altijd gefascineerd. In St. Louis werden in 1941 bijvoorbeeld meer dan 125.000 exemplaren van het boek Kinderen verspreid, te zamen met bijna een half miljoen exemplaren van de brochure „Vertroost de Treurenden”. Op het congres dat in 1958 in New York werd gehouden, was er een recordverspreiding van 670.000 nieuwe, in linnen band gebonden publikaties, nog afgezien van honderdduizenden exemplaren van de brochure Gods Koninkrijk heerst — Is het einde der wereld nabij?

Een van de aangename voorrechten die ik gedurende de afgelopen jaren heb gesmaakt, had te maken met het „Scandinavische Uur”, een wekelijks radioprogramma dat door een groepje Scandinavische verkondigers van het Koninkrijk werd bekostigd. Via het eigen radiostation van het Genootschap, WBBR, werden er lezingen uitgezonden in het Noors, Zweeds en Deens, afgewisseld door prachtige muziek.

HET LEVEN OP BETHEL

Ik ben tot dusver ongehuwd, in harmonie met de raad van de apostel Paulus: „Wie zijn maagdelijkheid uithuwelijkt, [doet] goed, maar wie ze niet uithuwelijkt, zal beter doen” (1 Kor. 7:38). Dit is niet altijd even gemakkelijk geweest, maar het is zoals Jezus zelf heeft gezegd toen hem naar de raadzaamheid van de ongehuwde staat werd gevraagd: „Wie er plaats voor kan maken, make er plaats voor.” — Matth. 19:12.

Aan de andere kant ben ik op Bethel gezegend met aangename omgang met broeders en zusters, terwijl ik onder de mede-Getuigen buiten Bethel vele anderen kan rekenen die in overeenstemming met Jezus’ belofte geestelijke vaders, moeders, broeders en zusters van mij zijn (Luk. 18:29, 30). In sommige huizen is mij zelfs het voorrecht geschonken net als een lid van het gezin te komen en te gaan. Moge Jehovah hen allen belonen voor de liefde en vriendelijkheid die zij mij in de loop der jaren hebben betoond.

In de afgelopen vijftig jaar of nog langer heb ik meegemaakt dat vele nieuwelingen zich bij de Bethelfamilie aansloten, terwijl anderen om de een of andere reden zijn weggegaan. Het heeft mij altijd verdriet gedaan personen met wie ik nauw heb samengewerkt van hier te zien weggaan, want ik kon mij aangename herinneringen te binnen roepen van lange uren van hard werk ten einde gezamenlijk aan de een of andere noodsituatie het hoofd te bieden. Met velen heb ik het contact verloren, maar ik hoop van harte dat zij, waar zij ook zijn, gelukkig verbonden blijven met de verkondigers van het Koninkrijk.

Hoewel ik besef dat „godvruchtige toewijding” veel nuttiger is dan „lichamelijke oefening” zou ik nog steeds graag een paar dagen willen skiën wanneer de temperatuur tot 7 °C onder nul daalt (1 Tim. 4:8). Ook al heb ik altijd veel belangstelling gehad voor sport, toch heb ik nooit in wedstrijden uitgeblonken. Ik kan me echter nog wel herinneren dat ik, kort nadat ik op Bethel kwam, tot de ontdekking kwam dat een ander lid van de Bethelfamilie in 1920 samen met mij aan de sportwedstrijden in Christiania had meegedaan. Hij bezocht Noorwegen toen als een lid van het Amerikaanse Olympische (Antwerpen) skiteam dat destijds Noorwegen bezocht. En ik kon me herinneren dat hij de wedstrijd in Noorwegen won. Op Bethel genoot ik van zijn omgang wegens zijn manlijke, christelijke hoedanigheden.

Ik heb alle reden om Jehovah dankbaar te zijn voor het geduld waarmee hij mij door middel van zijn Koninkrijksboodschap tot zich heeft getrokken, voor de liefderijke goedheid waarmee hij de mate van onverschilligheid over het hoofd heeft gezien die aanwezig moet zijn geweest, voor de goedheid waarmee hij in al mijn noden heeft voorzien telkens wanneer ik besloot al mijn lasten op hem te werpen. Het is waar dat wij in de beginjaren van het Bethelleven niet de overvloed aan materiële dingen hadden die wij thans bezitten, maar wij hebben nooit honger geleden. En wat nog belangrijker is, het heeft ons nooit aan rijk geestelijk voedsel ontbroken. En wat de toekomst betreft — aan het einde van een getrouwe loopbaan staan ons Jehovah’s rijke beloningen te wachten. Mogen wij nooit in gebreke blijven hem hiervoor te loven en te danken!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen