Met volharding op Jehovah wachten
Zoals verteld door G. E. Hannan
LIJKT zevenenveertig jaar u lang toe? Welnu, als ik terugkijk op de zevenenveertig jaar die ik op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn heb doorgebracht, lijkt het alsof de jaren zijn omgevlogen — jaren vol zegeningen en voorrechten. Jehovah’s leiding is altijd duidelijk waarneembaar geweest! Er hebben zich ook moeilijkheden voorgedaan, maar ze zijn alle ruimschoots gecompenseerd door het werkelijke gevoel van zekerheid en bestendigheid dat men verkrijgt wanneer men dicht bij Jehovah’s organisatie blijft en voor leiding naar hem opziet.
Als ik mijn ervaringen naga, kan ik mij het kleine begin herinneren dat mij ertoe bracht mijn leven aan de volle-tijddienst van Gods koninkrijk op te dragen. De duidelijke boodschap van de bijbel bereikte onze boerderij voor de eerste maal toen ik nog erg jong was. Ik ging geregeld naar de kerk en naar de zondagsschool, hoewel ik het eigenlijk maar tijdverspilling vond. Misschien had het feit dat moeder zich op De Wachttoren had geabonneerd, hier iets mee te maken. Zodra elke uitgave over de post kwam, moest alles in en om het huis stoppen totdat zij de inhoud had bekeken en op zijn minst één kort artikel had gelezen. Hoewel zij nog steeds naar de kerk ging, klaagde zij elke zondagochtend over de preek die zij had gehoord.
De betekenis van het jaar 1914 vormde in die tijd een onderwerp waarover wij thuis vaak spraken. Die datum zou volgens de bijbel het einde kenmerken van „de tijden der heidenen” (Luk. 21:24, NBG). Wat zou er echter gebeuren? Persoonlijk dacht ik meestal bij mijzelf: „Ach, 1914 is nog ver weg; ik zal wel zien wat er gebeurt.”
OVERTUIGEND BEWIJS
Het jaar 1914 brak aan en vroeg in dat jaar hadden wij onze eerste vertoning van het „Fotodrama der schepping”, een opwindende en door het Wachttorengenootschap verzorgde filmvertoning van het ware geschiedkundige bericht van de bijbel. Gedurende elke voorstelling was het grootste theater in onze woonplaats Bridgeton, New Jersey, tot de laatste plaats bezet. Mijn taak was, de aanwezigen bij het verlaten van de zaal gratis lectuur te overhandigen alsmede wat wij „Vrede”-speldjes noemden, kleine insignes waardoor te kennen werd gegeven dat de drager een vredelievende volgeling van Jezus Christus wilde zijn.
Toen brak in de zomer plotseling de Eerste Wereldoorlog uit. Dat gaf mij werkelijk een schok. Nu wist ik dat de bijbelse profetieën wel degelijk ernstig moesten worden opgenomen. In dat jaar ging ik naar de eerste klas van de middelbare school. Het leven op de boerderij lag mij niet. Ik wilde graag elektrotechnicus worden. Mijn grootmoeder had mij een kleine erfenis nagelaten en ik gebruikte die om een voorbereidende schriftelijke cursus van een vakschool te betalen.
In 1916 hield pastor Russell, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, een openbare lezing in Wilmington, Delaware, over het onderwerp „Waar zijn de doden?” Gedurende de toespraak moest de spreker verschillende malen het podium verlaten, waarna zijn secretaris inviel. Later vernamen wij dat dit nodig bleek te zijn wegens zijn zwakker wordende gezondheid. Die lezing maakte echter een diepe indruk op mij en zal ik nooit vergeten.
Na pastor Russells dood in dat jaar werd het zevende deel van de Schriftstudiën gepubliceerd. De titel ervan, „The Finished Mysterie” (Het voleindigde mysterie), intrigeerde mij. Ik heb een boek nog nooit zo snel uitgelezen. Het stimuleerde mijn gedachten en bracht mij ertoe de andere zes delen van dezelfde serie te lezen.
DOOR VERDRUKKINGEN HEEN VOLHARDEN
Het jaar 1918 bleek een woelig jaar te zijn. Nu de Verenigde Staten in oorlog waren, leden van de staf van het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap op valse beschuldigingen in de gevangenis waren geworpen en de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen bekendstonden, van alle kanten tegenstand ondervonden, was het een tijd waarin Gods volk zwaar op de proef werd gesteld. Zouden zij volharden? Of zou hun bijbelse onderwijzingswerk als een nachtkaars uitgaan? Wat konden wij beter doen dan op Jehovah wachten en ons op zijn liefderijke goedheid verlaten?
In maart 1918 kwam datgene wat een zeer tastbaar antwoord op onze vragen leek te zijn. Er zou een openbare lezing worden gehouden die wijd en zijd werd aangekondigd. Ze was getiteld: „De wereld is geëindigd — miljoenen thans levende mensen zullen nimmer sterven!” Deze boodschap werd door middel van toespraken en gedrukte brochures overal in de Verenigde Staten en daarbuiten verbreid. Het was de eerste lectuur die ik tegen een bijdrage aan het publiek mocht aanbieden. Sommigen trokken het destijds in twijfel dat miljoenen tot de organisatie van Gods volk vergaderd zouden worden. Ik was echter van mening dat ’bij Jehovah niets onmogelijk is’ (Matth. 19:26). Ik was bereid te wachten en te werken en dan zou ik wel zien wat er gebeurde.
Omstreeks deze tijd ontving ik mijn oproep voor militaire dienst. Als landbouwer had ik kans vrijstelling van militaire dienst te ontvangen, maar in ons gezin was mijn broer reeds op die gronden vrijgesteld. Ik kon er ook niet mee instemmen non-combattante oorlogstoewijzingen te aanvaarden. Vrienden en buren vroegen zich af wat ik zou doen als ik door regeringsambtenaren zou worden gearresteerd. Mijn antwoord was meestal: „Laten wij maar afwachten, en dan zullen wij wel weer zien.” Het schijnt dat de inlijvingscommissie er precies zo over dacht, want zij schorsten mijn zaak. Op 11 november 1918 eindigde de oorlog plotseling.
BELANGRIJKE BESLISSINGEN NEMEN
Als men jong is, is het niet ongewoon grootse toekomstplannen te hebben. Ik vormde hierop geen uitzondering. Behalve een carrière als elektrotechnicus was ik ook van plan met twee andere leden van ons gezin een instrumentaal trio te vormen. Hoe meer ik echter van onze bijbelstudies opstak en hoe meer ik de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers bezocht, des te dringender werd het belangrijke beslissingen te nemen. De vraag: Wat zul je met je leven doen? begon urgent te worden. Een betrekking aannemen in een plaatselijke glasblazerij, vele jaren praktijk om een elektrotechnicus te worden of steeds meer tijd aan de prediking van het Koninkrijk besteden?
Al gauw besloot ik alle vergaderingen van de plaatselijke gemeente bij te wonen, alle zeven delen van de Schriftstudiën te bestuderen en aan alle dienstactiviteiten van die tijd deel te nemen. Alle andere doeleinden en ambities werden opzij gezet. Ik was ervan overtuigd dat het tijd was om door middel van daden serieus te tonen dat ik Gods goedkeuring en leven wenste te ontvangen.
In 1921 kondigde De Wachttoren een vierdaagse vergadering aan die van 19 tot 22 mei in de Kismet Temple, Herkimer Street, Brooklyn, gehouden zou worden. Ik woonde die vergadering bij en symboliseerde mijn opdracht door de onderdompeling. De doop zelf, die onder leiding stond van C. A. Wise, vond plaats in een bassin onder de eetzaal van het Bethelhuis aan Columbia Heights 124. Het volgende voorjaar bezocht ik een andere grote vergadering, deze keer in Philadelphia. Ik heb toen voor mijzelf een King-Jamesvertaling gekocht — een exemplaar dat ik nog steeds heb en gebruik, hoewel in een nieuwe band, terwijl de congresdatum nog steeds op het eerste binnenblad leesbaar is.
In de herfst van dat jaar was mijn broer Bill van plan de winter in Florida door te brengen, maar voordat hij vertrok, ontving hij een uitnodiging om op het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn te komen werken. Hij nam de uitnodiging vanzelfsprekend aan, en toen ik hem naar het station reed, bestormden allerlei gedachten mijn geest: ’Wat zal ik gaan doen? Waarom kan ik niet in de volle-tijddienst?’ Toen Bill de auto uitstapte, draaide hij zich om en zei: „De auto is voor jou.” Hij wist het toen nog niet, maar dat heeft mij geholpen tot een besluit te komen. Ik besloot de stap te doen.
Diezelfde avond reed ik naar een lommerd, kocht twee koffers en een getuigenistas en ging naar huis om te pakken. Toen ik de volgende ochtend de auto inlaadde, kwam mijn moeder ongerust en zelfs met tranen in haar ogen naar buiten. Zij zei onder andere: „Weet je, sommigen van de vrienden verwachten dat er in 1925 grote dingen gaan gebeuren, maar zet je hoop en verwachtingen daar niet al te vast op.” Ik antwoordde: „Moeder, maakt u zich maar geen zorgen. Ik ben van plan te werken en te wachten, en ik zal het allemaal wel zien.” Ik moest altijd vaak denken aan de tekst in Habakuk 2:3.
IN HET VELD VOLHARDEN
Ik reed naar de stad en kreeg huisvesting in een pension dat door mijn tante werd beheerd. Van die tijd af was ik een colporteur of volle-tijdprediker van het goede nieuws. Het was bijzonder vreugdevol vrij te zijn van de vele problemen en zorgen van dit samenstel van dingen, vrij om al mijn tijd te besteden aan de verbreiding van de Koninkrijksboodschap. Ik kreeg natuurlijk verantwoordelijkheden te dragen en er waren enkele onbelangrijke moeilijkheden. Eén hiervan was bijvoorbeeld de auto, een „T-Ford”. Deze had geen accu, terwijl de elektrische energie werd verschaft door een magneet die in het vliegwiel van de motor was ingebouwd. ’s Winters bestond het gevaar dat ik een gebroken arm zou oplopen als ik de motor met de hand probeerde aan te slingeren. Gewoonlijk werd dit probleem opgelost door de auto ’s nachts boven op een heuvel te parkeren, zodat hij de volgende ochtend door zijn eigen vaart werd geholpen te starten.
Nog een probleem waren de kosten van het levensonderhoud. Mijn voedselrekening kwam op $4 per week. Ik gebruikte elke dag een warme maaltijd, terwijl de andere twee maaltijden uit gedroogde vruchten en wat groenten bestonden die ik in ruil voor lectuur ontving. Als men mij vroeg wat ik zou doen als ik geen geld meer had, zei ik: „Gewoon wachten en zien wat Jehovah voor mij zal doen.” Ik had gehoord dat sommigen met de dienst waren opgehouden toen zij hun laatste $50 moesten aanspreken. Ik was van mening dat Jehovah niet tussenbeide behoefde te komen zolang iemand nog $50 of zelfs $10 of $1 had. Ik vertrouwde erop dat hij mij zou helpen de hoge kosten van het levensonderhoud te bestrijden, maar natuurlijk niet om een hoge staat te voeren.
Op 5 november 1922 belegde de gemeente een speciale openbare lezing en huurde de wapenzaal van de stad. De lezing werd door middel van strooibiljetten wijd en zijd aangekondigd en er kwam een spreker uit Brooklyn, New York, om de lezing te houden. Na zijn toespraak hadden enkele vreemdelingen in het publiek zoveel vragen dat hij de enige trein welke op die avond nog naar Brooklyn ging miste. Ik beloofde hem naar het station van de Atlantic City-lijn te brengen. Ik had er geen flauw vermoeden van waartoe dit zou leiden.
Toen wij naar het station reden, stelde de bezoekende spreker mij persoonlijke vragen. Daarna vroeg hij of ik op Bethel, het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn, zou willen wonen en werken. Ik antwoordde dat ik dat heel fijn zou vinden, maar dat ik alleen geen kantoorervaring had. Hij zei dat dit niets gaf, omdat het Genootschap van plan was alle publikaties zelf te gaan drukken en allerlei hulp nodig had. Ondanks dat herinnerde ik hem eraan dat ik ook niets van werk op een drukkerij afwist.
Toen zijn trein het station binnenreed, draaide hij zich plotseling om en zei: „Zou je mij een plezier willen doen?” Ik antwoordde van ja. „Welnu, wil je onmiddellijk naar Brooklyn schrijven en om een aanvraagformulier voor Betheldienst vragen?” Ik beloofde dat ik dat zou doen, en ook al gaf ik hier waarschijnlijk geen blijk van, toch was ik verschrikkelijk opgewonden. Ja, mijn oude wagen kon mij niet snel genoeg naar het pension terugbrengen. Nog diezelfde avond schreef ik de brief en ging zelfs nog naar het postkantoor om hem te posten.
Het antwoord kwam snel. Op 10 november kwam er een telegram met het verzoek de volgende dag in Brooklyn te komen werken. Toen ik in de stad aankwam, luidden de klokken, bliezen er fluiten, werden er kanonschoten gehoord en werden er in de straten parades gehouden. De Newyorkers vierden wapenstilstandsdag. Het was 11 november en ik had iets beters om blij om te zijn: Ik was een geheel nieuw leven begonnen — een dienstperiode van minstens zevenenveertig jaar hier op Bethel!
VOLHARDEN IN EEN GOEDE ROUTINE
’s Ochtends opstaan bij het geluid van een bel, aan tafel gaan, werken en met werk ophouden wanneer er een bel gaat — dat was mijn nieuwe routine. Sommigen hebben deze routine te streng gevonden, te begrensd; maar ik hield ervan. Het was beslist dè manier om verlies van kostbare tijd te vermijden. Mijn eerste baantje bestond in het herstellen van verkeerd ingebonden boeken. Dit duurde twee of drie dagen, en toen kreeg ik de toewijzing in de afdeling te werken die vakbonden „de metaalgieterij” noemen. Hier werden alle drukplaten gegoten en voor de persen gereedgemaakt.
Tot op dit moment ben ik in deze zelfde afdeling werkzaam gebleven. Sommigen die naar Bethel zijn gekomen hebben zich onopgemerkt, verwaarloosd en zelfs onevenwichtig gevoeld omdat zij niet snel een andere toewijzing ontvingen. Ik ben blij te kunnen zeggen dat ik mij nooit zo gevoeld heb. Het was een genoegen werk te mogen verrichten, het doet er niet toe wat voor soort van werk, en ik ben altijd van mening geweest dat men zich van ganser harte aan het toegewezen werk moet geven en altijd zijn best moet doen om de kwaliteit ervan te verbeteren.
Er was in die dagen slechts één gemeente van Bijbelonderzoekers in de stad New York, en aangezien ik een auto had, werd ik uitgenodigd gedurende weekeinden op Long Island getuigenis te geven, waarbij ik een auto vol Getuigen meenam. Een van mijn christelijke broeders die altijd graag met ons groepje meeging, was N.H. Knorr. Later, toen er voor de bouw van het radiostation WBBR meer werkers nodig waren, kwam hier verandering in. Mijn auto was meestal op Staten Island, de plaats waar gebouwd werd, en als wij daar niet nodig waren, predikten wij van huis tot huis in de onmiddellijke omgeving van het nieuwe station.
BELONINGEN VOOR VOLHARDING
Door hier op Bethel ons werk te blijven verrichten en te volharden, hebben wij de ene opwindende ervaring na de andere meegemaakt, naarmate de expansie in het veld — de gehele wereld — de uitbreiding van onze bedrijfsruimte nodig maakte. Het pand aan Concord Street 18, Brooklyn, was spoedig te klein. Sinds die tijd zijn wij getuige geweest van de bouw van het ene drukkerijgebouw na het andere, alsmede van verscheidene nieuwe Bethelhuizen. Nu worden maar liefst vier stadsblokken in beslag genomen door onze drukkerij en verzendafdeling, terwijl bijna drie blokken in beslag worden genomen door gebouwen waarin de woonvertrekken en kantoren zijn gevestigd. Dit alles is wonderbaarlijk geweest in onze ogen! (Intussen zijn de Squibb-gebouwen aan deze reeks toegevoegd.)
Wat is het ook een vreugde geweest een actieve ooggetuige te zijn van al deze bewijzen van Jehovah’s zegen en gunst jegens zijn volk! In de loop der jaren heb ik het voorrecht gehad het aantal grote rotatiepersen te zien toenemen van twee tot zevenentwintig; en het totaal aantal exemplaren van elke uitgave van De Wachttoren heb ik zien toenemen van 35.000 tot het enorme aantal van 6.000.000 in deze tijd. En wat is het geloofversterkend het aantal gemeenten in de stad New York te zien toenemen van één tot honderd eenennegentig! Het is lonend geweest op Jehovah te wachten en intussen te werken!
VOOR LEIDING NAAR JEHOVAH OPZIEN
In de jaren dertig kwamen er woelige tijden. Er werden steeds meer Getuigen gearresteerd. Toen ik op Long Island met bijbelse lectuur van huis tot huis werkte, werd ik gearresteerd. In 1936 werd ik opnieuw gearresteerd en enkele uren in Allentown, Pennsylvanië, vastgehouden. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog namen de gevaren toe. In 1939 probeerde een groep van de Katholieke Actie onze vreedzame vergadering van christenen in Madison Square Garden onmogelijk te maken. Ik had destijds de leiding over de zaalwachters, en gedurende enkele minuten leek de situatie buitengewoon ernstig. De vergadering werd echter slechts kort onderbroken en door de publiciteit in de pers was het eindresultaat stellig dat er een groter getuigenis werd gegeven.
Gedurende die moeilijke jaren is het Koninkrijksgetuigeniswerk gestadig voorwaarts gegaan. Wij zagen voor leiding naar Jehovah op en bleven voorwaarts gaan. Zelfs schaarste ten gevolge van de oorlog werd op de een of andere manier gecompenseerd of overwonnen. Het was mijn taak erop toe te zien dat wij een goede voorraad nikkelen staven voorhanden hadden — nikkel dat wordt gebruikt om de oppervlakte van drukplaten harder te maken zodat ze vele malen afgedrukt kunnen worden. Welnu, toen de oorlogspsychose zich verbreidde, bestelden wij snel een ton nikkelen staven. Op zekere dag belde een welmenende zakenman ons op om te zeggen dat de Verenigde Staten elk moment in de oorlog betrokken konden worden, en hij adviseerde ons dat wij onmiddellijk alle metalen zouden bestellen die wij nodig hadden. Er werd nog een ton nikkel besteld, en toen deze partij op onze drukkerij werd uitgeladen, stopte de regering alle nikkelleveranties en werd nikkel aan strenge beperkende bepalingen onderworpen. Wij hadden echter voldoende voorhanden om ons door de oorlog heen te helpen.
NIET TELEURGESTELD
Het is waar dat Jehovah degenen die geduldig op hem wachten terwijl zij ernaar streven hun dienst goed te verrichten, nooit teleurstelt. Sommigen hebben bijvoorbeeld gedacht dat zij door de Betheldienst lang niet zoveel gelegenheden zouden hebben om te reizen en overal naar toe te gaan. Het tegendeel is juist waar. Men ontvangt juist het voorrecht veel te reizen.
Gedurende deze jaren van Betheldienst heb ik, op Hawaii en Alaska na, elke staat van de Verenigde Staten en elke provincie van Canada bezocht, en wel om vakantie te houden of vergaderingen bij te wonen. Ook heb ik het genoegen gehad drie maal naar Europa te reizen. En al deze reizen en ontmoetingen met mede-Getuigen in zoveel landen hebben ertoe bijgedragen het genot te verhogen van het werk dat hier op Bethel gedaan moet worden — het werk dat erin bestaat dat groeiende leger van ijverige Getuigen van de publikaties te voorzien die zij voor hun bediening nodig hebben.
Het is niet alleen belangrijk te wachten totdat Jehovah handelend zal optreden, zoals veel mensen van de natiën thans doen, maar er is meer noodzakelijk. Gods Woord, de bijbel, schenkt de kostbare belofte dat degenen „die door volharding in werk dat goed is, heerlijkheid en eer . . . zoeken”, beloond zullen worden (Rom. 2:7). Welk een voldoening schenkt het de wachttijd te vullen met werken die van onze liefde voor Jehovah blijk geven!