Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w69 15/6 blz. 375-378
  • Jehovah God — Mijn hoop en toeverlaat

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah God — Mijn hoop en toeverlaat
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DIT WAS HET!
  • DE BETHELDIENST
  • BEZIG BLIJVEN EN GELUKKIG ZIJN
  • Met volharding op Jehovah wachten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
w69 15/6 blz. 375-378

Jehovah God — Mijn hoop en toeverlaat

Zoals verteld door Benno Burczyk

„WANT gij zijt mijn hoop, o Soevereine Heer, Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd.” De woorden van deze psalm geven mijn gedachten en gevoelens heel goed weer, want vanaf mijn kinderjaren heb ik in God geloofd en op hem vertrouwd, hoewel ik dertig jaar was voordat ik tot een nauwkeurige kennis kwam van zijn wonderbare eigenschappen en van zijn liefdevolle voornemen met de mensheid. — Ps. 71:5, NW.

In het jaar 1889, nu tachtig jaar geleden, werd ik geboren in het dorp Tannenberg, gelegen in het Ertsgebergte van Saksen, Duitsland. Zowel thuis als op school werd ik in de lutherse leer onderwezen, waarbij er krachtig de nadruk op werd gelegd de bijbel te lezen en op God te vertrouwen, en als klein kind leerde ik al bidden. Daar ik nogal zwak was, werd ik op twaalfjarige leeftijd door mijn ouders bij een echtpaar van middelbare leeftijd op het platteland ondergebracht, waar ik woonde en werkte. Zij geloofden oprecht in God, en waren bijzonder goed voor mij. Mijn werk begon om vijf uur ’s morgens en duurde tot ’s avonds acht, en dat zeven dagen per week; zes van de zeven dagen was daar dan vier uur schooltijd bij inbegrepen. Mijn enige ontspanning was accordeonspelen als ik er tijd voor had, en dan bij voorkeur kerkgezangen. Deze mensen met wie ik samenwoonde, zijn mij een grote hulp geweest mijn hoop en vertrouwen op God te stellen.

Na vier jaar, in 1905, ging ik naar Leipzig, maar het stadsleven maakte mij niet gelukkig. Daar ik de Franse taal wilde leren, ging ik in het voorjaar van 1908 naar Parijs, waar ik in een restaurant een baan vond. Maar in Parijs was ik bijzonder ongelukkig. Tijdens mijn verblijf daar hoorde ik over Canada praten, een nieuw land met onbegrensde mogelijkheden, en dus emigreerde ik naar dat land. In die tijd kostte de overtocht van Le Havre naar Quebec, derde klasse, slechts 140 francs of ongeveer 100 gulden. Daar vond ik werk bij een Engels boerengezin in Quebec, en ik ging met hen naar de kerk.

In 1910 ontving ik een brief en kranteknipsels van mijn ouders in Duitsland, waaruit bleek dat ik voor de krijgsraad van het Duitse leger moest verschijnen, omdat ik niet naar Duitsland was teruggekeerd om mijn dienstplicht te vervullen. De landbouwer voor wie ik werkte, gaf mij hierom de raad het Canadese staatsburgerschap aan te vragen, waardoor ik vrijgesteld zou worden van de verplichting naar Duitsland terug te moeten keren in verband met militaire dienst. Dit deed ik. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, konden de boeren ook niet begrijpen waarom mensen uit christelijke natiën elkaar moesten haten en doden, maar hun predikanten zeiden hun dat het Gods wil was dat zij voor hun land zouden vechten. Tijdens die oorlog, in 1917 namelijk, werd ik ingelijfd bij het Canadese of Britse leger. Toen ontving ik via het Rode Kruis een brief van mijn vader, waarin stond dat hij met het Duitse leger te Lille, in Frankrijk, was gelegerd en daar tegenover het Britse leger stond. Daar ik niet de kans wilde lopen mijn eigen vader te doden, verzocht ik niet aan de oorlog te hoeven meedoen, en de Canadese regering schonk mij vrijstelling van militaire dienst.

Na ongeveer tien jaar op de boerderij vond ik in november 1918 dat ik aan een verandering toe was. De oude boer waar ik al die jaren mee had samengewerkt, kwamen de tranen in de ogen toen ik afscheid van hem nam.

DIT WAS HET!

Ik ging naar het westen, naar Ontario, en ging in een fabriek werken, maar ook daar was ik niet gelukkig. Ik kon geen huis vinden waar ik kon wonen, en daarom sliep ik zo maar ergens en at in restaurants. De stad was niets voor mij. Daarom schreef ik naar de Canadese regering in Ottawa en vroeg een stuk land aan, zoals dat kolonisten werd aangeboden. De regering zond mij onmiddellijk alle benodigde papieren en inlichtingen. Ongeveer in die zelfde tijd kwam er echter een wat oudere man, die in dezelfde fabriek als ik werkte, naar mij toe omdat hij gehoord had dat ik uitkeek naar een huis waar ik wonen kon, en hij zei met liefdevolle stem: „Kom jij maar naar ons toe!” Dat was het prettigste, het heerlijkste en het beste wat me ooit overkomen is. Waarom? Omdat dat het huis was van een van de volkomen toegewijde christelijke Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen in die tijd genoemd werden. Het was voor mij het begin van werkelijk leven en waar geluk. Het kwam zo snel, en zo overweldigend. Ik zei meteen mijn lidmaatschap van de lutherse kerk, waar ik zondagsschoolonderwijzer was, op, en liet ook het idee varen mij in een kolonistengebied te vestigen. Gods Woord der waarheid en zijn werk waren nu nog het enige belangrijke voor mij.

De waarheid van Gods Woord zoals mij door deze Bijbelonderzoekers werd verklaard was allemaal o zo redelijk en bevredigend. Onze geliefde hemelse Vader werd daardoor als zo liefdevol en goed afgeschilderd, dat ik soms tranen van dankbaarheid in mijn ogen kreeg wanneer ik tot hem bad. Dit was het! Nu was ik tevreden! Ik hoefde niet langer meer te zoeken, niet langer meer te hopen op iets waarvan ik zelf niet precies wist wat het was, zoals in de tijd toen ik steeds veranderingen in mijn leven aanbracht. Het was nu allemaal zo duidelijk: De oorlogvoerende natiën waren niet christelijk, zoals ze beweerden; Gods Woord, de bijbel, bewees dat duidelijk. Onze geliefde Heer Jezus zei zelfs, toen hij op de dingen wees die sinds 1914 op deze aarde gebeurden: „Wanneer gij deze dingen ziet geschieden, weet dan dat het koninkrijk Gods nabij is” (Luk. 21:31). Terzelfder tijd werd mij een prachtige hemelse hoop in het vooruitzicht gesteld, namelijk om deel uit te maken van het overblijfsel van de 144.000 die uit de mensheid geroepen zijn om als koningen en priesters met Jezus Christus te regeren, zoals beschreven staat in Openbaring 14:1-3 en 20:5, 6, en die door onze Heer Jezus in Matthéüs 25:40, 45 zijn broeders genoemd worden.

In november 1919 droeg ik mij op om Gods wil te doen en werd ik gedoopt. Er was heel veel te doen in het werk van God, en ik dacht er net zo over als de profeet Jesaja toen hij zei: „Hier ben ik, zend mij” (Jes. 6:8). Ik had nog heel veel in de bijbel te lezen en te studeren met behulp van bijbelse lectuur; er was immers nog zo veel te leren. De plaatselijke gemeente had hulp nodig, en er moest van deur tot deur getuigenis gegeven worden. Wij waren er in die tijd mee bezig abonnementen af te sluiten op het tijdschrift Het Gouden Tijdperk, thans Ontwaakt! geheten. Wij huurden een schouwburg voor de vertoning van het „Photo-drama der schepping”, een bijzonder interessante samenstelling van stilstaande en bewegende beelden. Ook huurden wij zalen om een bijbelse toespraak te houden die op Gods koninkrijk wees en aankondigde dat „miljoenen thans levende mensen nimmer zullen sterven”. Al die tijd voorzag ik in mijn onderhoud door bij een bandenfirma te werken.

In 1922 wilde ik het grote congres van Bijbelonderzoekers in Cedar Point, Ohio, bijwonen. Toen ik echter vrij vroeg om dit congres te kunnen bezoeken, zei mijn werkgever dat hij mij dat niet kon toestaan, daar hij dan iemand anders in dienst zou moeten nemen om mijn werk te doen. Mijn antwoord was: „In orde, dan zeg ik mijn baan op”, en dat deed ik toen. Ik heb er geen spijt van gehad, want dat congres was waarlijk een groot feest van geestelijk voedsel en betekende een mijlpaal voor Jehovah’s volk. Ik vulde toen een aanvraag in voor dienst op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap te Brooklyn, New York. Ik was vrijgezel en had geen verplichtingen; ik was daarom van mening meer te kunnen doen.

In het begin van 1923 vroeg het Wachttorengenootschap vrijwilligers om een begin te kunnen maken met het getuigeniswerk in het Franstalige Quebec. Daar ik in Parijs wel wat Frans geleerd had, bood ik mij vrijwillig aan, en ik ging samen met twee andere jonge Canadese Bijbelonderzoekers, broeder Deachman en broeder Robinson. Wij dienden als volle-tijdpredikers of colporteurs, zoals zij toen genoemd werden. Nadat ik ongeveer zes maanden in steden als Joliette, Grand’Mère en Shawinigan Falls en in de landgebieden daaromheen had gewerkt, ontving ik een brief van het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, waarin mij gezegd werd naar Brooklyn te komen om op het hoofdbureau te werken. Er was voor twee maanden werk voor mij. Ik was helemaal vergeten dat ik een formulier voor deze dienst had ingevuld, en omdat ik nu mijn twee metgezellen niet in de steek wilde laten, schreef ik het Genootschap dat ik niet kon komen, en ik legde uit waarom niet. Het Genootschap nam geen genoegen met het antwoord Neen, maar beantwoordde deze brief met een telegram, waarin mij werd gezegd onmiddellijk te komen. Wij drieën besloten dus dat het het beste was wanneer ik ging en na die twee maanden zou terugkomen. Omstreeks 1 oktober 1923 kwam ik dus naar Brooklyn.

DE BETHELDIENST

Mijn eerste toewijzing was te helpen bij het bouwen van het radiostation van het Genootschap, WBBR, op Staten-Island. Maar toen dat klaar was, werd mij gevraagd te helpen in de drukkerij van het Genootschap in Concord Street 18. Hoewel ik van plan was geweest terug te gaan naar mijn twee mede-colporteurs, vatte ik deze aanwijzing om in de drukkerij van het Genootschap te werken, als Gods wil voor mij op, en door de jaren heen heeft Gods zegen hier beslist op gerust.

Mijn werk in de binderij was het aanbrengen van de gouden letters op de kaften van boeken als Schriftstudiën, De harp Gods, Bevrijding en Schepping. Toen er een begin werd gemaakt met de prediking met behulp van de grammofoon, kreeg ik de leiding over de grammofoonfabricage. Toen die predikingsmethode niet langer gebruikt werd, ging ik weer letters aanbrengen op de kaften van boeken. Na dat dertig jaar gedaan te hebben, ontving ik ander werk en werden er jongere broeders voor dat werk aangesteld. Ik ben nu toegewezen aan de verzendafdeling voor het buitenland, een afdeling waar altijd zeer veel te doen is. Het schenkt mij veel vreugde bijbelse lectuur en veel andere dingen zoals de grammofoonplaten met onze nieuwe Koninkrijksliederen, naar onze broeders over de gehele aarde te sturen.

Hoewel de afgelopen vijfenveertig jaar mijn voornaamste vreugde het werk in de drukkerij geweest is, heb ik ook veel vreugde en geluk gevonden in het deelnemen aan gemeentelijke activiteiten en velddienst te zamen met alle andere christelijke Getuigen, en ook in het bezoeken van de grote vergaderingen. Ik heb enkele jaren het voorrecht gesmaakt als opziener te dienen in de Duitse gemeente van Jehovah’s getuigen in Brooklyn. Maar in het begin van de dertiger jaren werden de gemeenten die andere talen spraken grotendeels ontbonden, om immigranten ertoe aan te moedigen Engels te leren spreken.

Ongeveer vijftien jaar ben ik nu verbonden met een van de gemeenten die samenkomen in de Koninkrijkszaal in een van de drukkerijgebouwen van het Genootschap hier in Brooklyn. Wij hebben een gestadige toename gezien, en uit onze toename in die tijd zijn verscheidene gemeenten ontstaan. Onlangs zijn wij verhuisd naar de nieuwe Koninkrijkszaal in het nieuwste drukkerijgebouw van het Genootschap in Brooklyn, en wat een prachtige Koninkrijkszaal is dat! Wanneer u de drukkerij van het Genootschap in Brooklyn komt bezoeken, moet u beslist die Koninkrijkszaal zien.

Mijn velddienstgebied ligt niet ver van Bethel waar ik woon. De enige manier waarop ik dat gebied kan bereiken, is lopen, en zowel heen als terug is het ongeveer een half uur lopen. Maar daar ben ik erg blij mee, want lopen is heel gezond. De mensen die ik er tref zijn merendeels negergezinnen met lage inkomens, en ook de Fort-Greengemeente waarmee ik verbonden ben bestaat voornamelijk uit zulke personen. Ik beschouw het als een groot voorrecht deze nederige mensen getuigenis te mogen geven en met hen te dienen. Het maakt mij gelukkig met hen samen te zijn. Christelijke liefde verenigt ons allemaal als broeders en zusters, zoals overeenkomstig de woorden van onze Heer Jezus bij zijn ware volgelingen ook het geval zou zijn. — Joh. 13:34, 35.

Verder zou ik er nog melding van willen maken dat het Wachttorengenootschap er in 1955 regelingen voor trof dat allen die twintig jaar of langer op het hoofdbureau gediend hadden, naar de Europese congressen konden gaan. Wij hebben met een gecharterd schip een heerlijke tocht over de Atlantische Oceaan gemaakt, en wij konden de vergaderingen in Londen, Parijs, Rome en Neurenberg bijwonen. Ik had het voorrecht op de vergadering in Neurenberg voor meer dan 93.000 aanwezige Getuigen een korte toespraak in het Duits te houden. Ik was sinds 1908, toen ik uit Duitsland naar Parijs was gegaan, niet meer terug geweest.

BEZIG BLIJVEN EN GELUKKIG ZIJN

Hoewel ik nu bijna tachtig jaar ben, kan ik nog steeds een dagtaak verrichten, en dat elke week vijf en een halve dag. Hoewel mijn theocratische bezigheden in de avonduren beperkt blijven tot persoonlijke studie en het bezoeken van gemeentevergaderingen, kan ik het nog zo regelen dat ik elke zondag de vreugde van de velddienst smaak, door met het goede nieuws van Gods koninkrijk van deur tot deur te gaan, nabezoeken te brengen en nieuwelingen in dit gezegende werk bij te staan.

Elke dag vraag ik onze geliefde hemelse Vader in gebed om hulp en wijsheid om mijzelf geestelijk en lichamelijk gezond en sterk te houden zodat ik zijn heilige wil kan blijven doen. Gedurende de afgelopen vijftig jaar in Jehovah’s dienst heb ik mij inderdaad verheugd in een gelukkige, lonende en gezegende levenswijze. En dank zij Jehovah’s onverdiende goedheid zie ik uit naar voortdurende dienst tot zijn eer en heerlijkheid, en tot zegen van zijn volk. Toen de Israëlieten in Nehemía’s tijd in 455 v.G.T. Jeruzalem herbouwden, ontmoetten zij veel tegenstand, maar Nehemía sterkte hen door te zeggen: „De vreugde in den HERE, die is uw toevlucht.” Deze vreugde in Jehovah helpt mij de goede strijd voor het geloof vol te houden en vooruit te zien naar de tijd dat Jehovah’s vijanden er niet meer zullen zijn en de hele aarde met zijn heerlijkheid vervuld is. — Neh. 8:11 10; Num. 14:21.

Wanneer ik op mijn leven terugkijk, kan ik werkelijk zeggen dat Jehovah God, mijn Soevereine Heer, inderdaad van mijn jeugd af aan mijn vertrouwen is geweest.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen