Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w60 1/11 blz. 665-669
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Vergelijkbare artikelen
  • Toegewijd aan Jehovah en de bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
w60 1/11 blz. 665-669

Mijn doel in het leven nastreven

Zoals G.B. Garrard dit heeft verteld

HET leven is zo gevuld met ervaringen dat er in een geschiedenis als deze, waarin van het nastreven van een kostbaar levensdoel wordt verteld, slechts enkele verteld kunnen worden. Ik zou u toch echter graag deelgenoot willen maken van ten minste een gedeelte van de afgelopen vijfendertig jaren van mijn leven en van de vreugden en zegeningen die ik in die periode in Jehovah’s dienst heb wedervaren.

Allereerst wil ik eens een vraag stellen. Heeft u lang genoeg in een stad gewoond om het gevoel te krijgen dat u er een deel van bent? Misschien heeft u opgemerkt dat gebouwen die hun waarde hadden verloren, door nieuwe werden vervangen, of misschien heeft u gezien dat men wegen heeft verbreed. U heeft de ontwikkeling en de vooruitgang van de stad gadegeslagen, u heeft er een aandeel aan gehad en u voelde dat u er een deel van vormde.

Kijk, zo voel ik mij nu ook. In plaats van een deel van een stad te zijn, ben ik meer een deel van een op een stad gelijkende organisatie. En in plaats dat deze organisatie op slechts één bepaalde plek in een bepaald land is gevestigd, heeft ze haar activiteit tot in 175 landen en eilanden in de wereldzeeën uitgebreid en heeft ze zich gewijd aan de aanbidding van Jehovah God. In het geluk van zo’n organisatie delend, is het altijd mijn doel geweest voor de grote Architect en Bouwer van deze op een stad gelijkende organisatie te werken en hem bij de uitbreiding van zijn organisatie te dienen en te helpen.

Jaren geleden, toen ik nog maar een jongen was, verlangde ik er vaak vurig naar te weten wie de Schepper was en hem, indien mogelijk, beter te leren kennen. Toen ik ongeveer eenentwintig jaar was, werd het mij allemaal veel duidelijker doordat een vriend mij een inzicht in de bijbel schonk. (Twee jaar later stierf deze vriend, getrouw in de dienst van Jehovah God.) In de late herfst van 1924 kwam ik in Londen met de organisatie van Jehovah’s getuigen in contact, de organisatie door middel waarvan ik deze inlichtingen had ontvangen. Onmiddellijk begreep ik dat zij Gods volk vormden, en ik besloot van stonde af aan dat ’hun God ook mijn God’ zou zijn en dat ik mij helemaal bij hen zou aansluiten (Ruth 1:16, 17). Van de eerste vergadering af bestond bij mij het plan mij te laten dopen en een aandeel aan het werk te hebben, want ik voelde dat de tijd dringend was en dat uitstellen gevaarlijk zou zijn. Ik wilde al direct als pionier met het volle-tijd-werk beginnen, maar er gingen nog vijf jaren voorbij voordat dit vurige verlangen verwezenlijkt kon worden.

Hoewel ik nog jong was, zat ik toch al in een grote zaak en was lid van een van ’s werelds voornaamste schippersbeurzen. Mijn werkgever, die reeds op leeftijd was, wilde de zaak aan mij overdoen. Zou ik nu mijn religie door deze zaak laten verdringen of zou ik de zaak opzij zetten? Ik gaf er de voorkeur aan de zaak te verliezen. Daarna ging alles veel sneller. Ik wilde graag een administratieve baan om de gelegenheid te hebben dagelijks tijd aan studie en dienst te kunnen besteden, maar ik kon zo’n baan niet krijgen omdat ik ten opzichte van administratief werk al een te hoge positie had bekleed. Van het moment af dat ik de organisatie als mijn „geestelijke moeder” zag, heb ik de bijkantoordienaar van Engeland dikwijls een bezoek gebracht en hem om raad gevraagd. Tegen het einde van 1929 zei hij ten slotte dat hij dacht dat nu „de deur open” was en dat het nu goed zou zijn de volle-tijd-dienst op mij te nemen. Wat een wonderbaarlijke vreugde! Ik kwam in een roes van verrukking, hoewel ik bij de gedachte hoe weinig ik dit verdiende, aanmerkelijk versomberde. Een zuster in de waarheid die later mijn vrouw zou worden, ging even voor mij de pioniersdienst in. De vraag was nu: „Zou ik het volhouden?” Ik wist dat ik het met Jehovah’s geest en zijn onverdiende goedgunstigheid zou kunnen.

Met £1.10.0 (ƒ 15,75) op zak begon ik met het predikingswerk in de zakenwijken van Manchester. Mijn partners waren John Laird en Bob Hadlington. In 1931 ging ik naar de vergadering in Parijs en werd daar voorgesteld aan F.E. Skinner, de bijkantoordienaar van India, die op zoek was naar werkers die hij met zich kon meenemen. Broeder Rutherford keurde het goed dat drie van ons met hem meegingen en in september 1931, toen ik 29 jaar was, vertrok ik met Clarence Taylor en Randall Hopley naar India. Het was vreemd dat ik, die helemaal niet goed tegen de warmte kon, op weg was naar India, terwijl ik thuis mijn vakantie altijd in Schotland doorbracht omdat het zuiden van Engeland mij te warm was. Indien het Genootschap mij er echter nodig had, zou ik er geen bezwaar tegen maken. ’Waar gij gaat, zal ik gaan’. Zo kwamen wij in India aan.

Wij vonden deze jaren waarin wij in India in de dienst stonden, een wonderbaarlijk voorrecht. Tussen 1925 en 1931 arriveerden er negen uit Engeland en wij waren de laatsten van de groep. Drie stierven er terwijl ik er was. Er waren geen zendingshuizen. In die tijd werkten wij alleen maar van stad tot stad en van kolonie tot kolonie langs de spoorlijnen en verspreidden bijbelse lectuur. Het reizen was moeilijk en wij legden vele honderden kilometers af terwijl wij vaak ’s nachts reisden. Soms hadden wij een partner maar het kwam ook voor dat wij maandenlang alleen waren. Het grootste gedeelte van de tijd leefden wij van de kleine winstmarge die op de lectuur was toegestaan. Dat betekende ongeregelde maaltijden, en ondanks dat het voedsel goedkoop was, namen wij wat het „voordeligst” was. Het reizen was meestal een stoffige boel. Wij droegen een blikken doos met kleding, kartonnen dozen met boeken en ons beddegoed, en wij sliepen waar wij konden, hetgeen over het algemeen in wachtkamers was. Luizen, muskieten en de intense hitte, geluiden van mensen en dieren en de van transpiratie doortrokken kleren droegen er alle toe bij dat er van een fatsoenlijke nachtrust geen sprake was. Onze waardering voor elkaar was zo groot dat wanneer een van onze broeders door het gebied reisde, wij hem beslist wilden ontmoeten, zelfs ook al was het maar voor een paar minuten. Soms betekende dit dat wij in de vroege ochtenduren dertig km of meer moesten rijden en als de trein het station binnenreed, hard zijn naam moesten roepen.

Iedere dag dankten wij Jehovah voor zijn wonderbaarlijke zegeningen. Er zijn vele mensen in de wereld die graag een positie zouden willen hebben waarin zij hun persoonlijkheid meer waardigheid zouden kunnen schenken en voor hun medewerkers zouden kunnen schitteren. Wij verlangden echter alleen maar naar de goedkeurende glimlach van onze hemelse Vader, en wij smeekten Jehovah ons ook onder beproevingen te willen helpen onze rechtschapenheid te handhaven. Wij werden gehard in tegenspoed en in onze zwakheid verleende Jehovah ons kracht. Hoe goed is hij geweest! Hoe intens heerlijk is het voor iemand de pioniersdienst in te gaan, Gilead te bezoeken en dan in een dergelijke toewijzing te dienen! Wat een voorrecht! Voor duizenden staat deze weg thans open.

Eén ervaring heeft echter al het ongerief weer vergoed. In de periode dat ik zonder partner was, bewerkte ik het zakengebied van Calcutta. Ik deed er negen maanden over. Daar ontmoette ik een man die de zoon was van getuigen van Jehovah die ik in Engeland kende. Hij kreeg weer belangstelling en werd ten slotte de gemeentedienaar van Calcutta — een schitterend voorbeeld. Nu is hij gemeentedienaar in Engeland en zijn zoon Tom, die inmiddels ook is getrouwd, bevindt zich thans in Zuid-Afrika.

Ziek zijn was er gewoon. Er waren er die tyfus, pokken, dysenterie, malaria, enzovoorts kregen. Veel kwalen waren het gevolg van de warmte en ik kreeg een zonnesteek. In 1936 raadde broeder Rutherford mij reeds aan daarheen te gaan waar ik de Here het best kon dienen. Natuurlijk bleef ik dus in India. Hoe zou ik hen kunnen verlaten terwijl ik wist dat wanneer een pionier in deze tijd met het werk zou ophouden, dit op de achtergeblevenen een neerslachtige en demoraliserende uitwerking zou hebben! Wij hadden aan allerlei moeilijkheden het hoofd te bieden, maar de geest van Jehovah scheen ons ertoe aan te zetten voorwaarts te gaan in het handhaven van onze rechtschapenheid, wat het ook kostte en onder welke omstandigheden ook. Wij ervoeren zeer veel werkelijk geluk.

Laat mij en passant ook mijn partner Van noemen. Hij was kapitein geweest en vormde een voorbeeld in liefde. Hij stierf op een zondagavond aan tyfus, longontsteking en een ’beklemmend gevoel’ rond zijn hart; maandagmorgen heb ik hem begraven en vervolgens op maandagavond het Gedachtenisfeest gevierd. Zeer pijnlijk!

Ik moet eens wat meer over het werk vertellen. Tot aan de oorlog verspreidden wij alleen maar lectuur zonder veel opbouwend werk te verrichten. Een vrouw zei zo eens tegen mij: „Mijnheer Garrard, mijnheer Francis en u bezoeken ons; mijn man en ik krijgen belangstelling voor hetgeen u predikt; maar na een paar dagen gaat u al weer weg en worden wij weer alleen achtergelaten”. Het opbouwende werk ontbrak. Gedurende de oorlog werd er met een nieuw soort van werk begonnen — het opbouwen van de op een stad gelijkende organisatie. Wij waren met te weinig om verstrooid te kunnen geraken, dus bleven wij bij elkaar en bouwden belangstelling op.

Het was niet prettig je tijdens de tegen de blanken gerichte relletjes tegenover het gepeupel te bevinden. Onze gedachten gingen echter altijd uit naar Jehovah. Ik herinner mij nog de eerste keer dat een groep van ongeveer vijftig mensen op mij aanviel — zij wilden mij doden maar wisten niet hoe te beginnen! Zij lieten mij toch nog gaan, en wel omdat ik een prediker was. Vervolgens werden drie van ons door twee groepen van het gepeupel ingesloten. Voordat de moeilijkheden beginnen, krijg je wel een raar gevoel in je maag, maar wanneer ze eenmaal begonnen zijn, voel je je zo kalm als maar enigszins mogelijk is. Jehovah’s geest schijnt je eigen vrees te neutraliseren. Je vertrouwt op hem — een andere weg staat er niet open — en vol verbazing zie je dan hoe goed alles afloopt.

In december 1946 hadden wij voor het eerst contact met afgestudeerden van Gilead en smaakten wij het genoegen broeder Knorr voor de eerste maal te ontmoeten. Wij vernamen dat wij ons nu naar de nieuwe wegen van het opbouwingswerk moesten schikken. Wij deden dat ook en degenen die op Gilead getraind waren, hielpen ons daarbij. Het was voor ons als een frisse wind. Vervolgens ging ook broeder Skinner naar Gilead.

In december 1947 ontving ik het grootste voorrecht dat ik tot op dat moment had ontvangen. Clarence Taylor en ik vertrokken naar Gilead. Wat een wonderbaarlijke vreugde. Hoewel ik dat op dat moment nog niet wist, zou ik India, waar ik zestien jaar had gediend, voorgoed verlaten. Thans zijn er meer dan 1400 verkondigers in India — een geweldige toename!

Gilead is een opmerkelijke en bijzondere ervaring in mijn leven geweest. Nergens in de wereld is er zo een tweede school te vinden. Er is al zoveel over gesproken dat ik er niet over in details wil treden, maar ik kon het ook niet overslaan. Het vormde een mijlpaal in het nastreven van mijn levensdoel.

Na deze school verrichtte ik een tijdlang kringdienst in Pittsburgh, de bakermat waar de groei van Jehovah’s getuigen in deze tijd haar begin heeft gevonden. Ik voelde mijzelf niet bekwaam genoeg, maar Jehovah’s geest en de bereidwillige krachtsinspanningen van de broeders en zusters voorzagen in alles wat voor onze kringvergadering nodig was. Op mijn vorige kringvergadering in India waren eenentwintig personen aanwezig. Hier, in Pittsburgh, waren er meer dan 1500 — voor mij een enorm aantal.

In een gesprek dat ik met broeder Knorr op Gilead had, had ik hem verteld dat wanneer ik naar India teruggestuurd zou worden, ik het niet lang meer zou volhouden. Verder maakte het mij natuurlijk niet zoveel uit, maar ik wilde toch graag zo lang mogelijk in de dienst blijven. Zoals gewoonlijk was hij erg vriendelijk en begrijpend. Later vertelde hij mij dat ik naar Zuid-Afrika gezonden zou worden.

Zuid-Afrika, februari 1949. Het deed mij als een vroegtijdig paradijs aan. Voor de Europeanen liggen de omstandigheden daar boven het gemiddelde. De meeste mensen zijn er vriendelijk, beminnelijk en zeer gastvrij. Het werk is in dit land gemakkelijk en dat is in het bijzonder het geval met de bijbeltoespraakjes; de mensen hebben er namelijk respect voor de bijbel, en wel in het bijzonder de Afrikaans-sprekende bevolking. Respect voor de bijbel is echter niet hetzelfde als er begrip voor hebben, en de jongere generatie leest dit boek daarom niet meer zoveel. Ondanks dat vinden wij toch vele horende oren en voor werkers bestaat er een kolossaal groot arbeidsterrein.

Het bijkantoor heeft met het drukken in de verschillende talen veel werk en het moderne Bethelhuis en de drukkerij vormen daarbij een goede hulp. Wij in het veld kunnen altijd verzekerd zijn van de hulp en het begrip van de broeders op Bethel die er steeds naar uitzien hoe zij het werk kunnen bevorderen. Niets is er teveel voor hen. Wij waarderen dat!

Ook hier in Afrika groeit Jehovah’s op een stad gelijkende organisatie. Het aantal predikers is van een gemiddelde van 5506 in 1949 tot 15.853 in december van het jaar 1958 toegenomen, en het is geweldig te weten dat men een klein aandeel in deze toename heeft gehad. Andere Afrikaanse landen die vroeger onder het Zuidafrikaanse bijkantoor vielen, hebben nu eigen bijkantoren.

Toen ik mijn dienst in Zuid-Afrika begon, was ik pionier, maar ik heb al gauw moeten overschakelen op de kring- en de districtsdienst en op het moment dat ik dit schrijf, verheug ik mij nog steeds in de voorrechten van de kringdienst. Ongeveer drie jaar geleden ben ik met een zuster in de waarheid getrouwd die ik al van 1925 af ken. Zij begon haar pioniersloopbaan in Engeland, vertrok daarna voor zeven jaar naar Frankrijk en werkte vervolgens nog op het Bethelhuis in Londen en in Dublin alvorens naar Zuid-Afrika te komen. Zij is in het werk een grote hulp voor mij gebleken.

In de periode dat ik in de pioniersdienst was, heb ik de grote vergaderingen van Jehovah’s volk niet gemist. Als gevolg van de grote goedheid die een Getuige en mijn oom uit Canada ten opzichte van mij betoonden, viel mij de vreugde ten deel de in 1953 gehouden internationale vergadering te New York bij te wonen. Al mijn vorige ervaringen zonken echter in het niet bij de zegeningen die ik ontving toen ik de Internationale ’Goddelijke wil’-vergadering, die in 1958 werd gehouden, mocht bezoeken, en ik ben voor deze onverwachte voorziening bijzonder dankbaar. De kroon op alle goede dingen die wij daar hadden genoten, was dat mijn vrouw naar Gilead ging om deel uit te maken van de tweeëndertigste klas. Dit was iets wat wij beiden zeer hebben gewaardeerd.

Sinds de Vergadering hebben wij een steeds groter wordende toevloed tot de organisatie gezien. De verspreiding van het Resolutietraktaat heeft daar een aandeel in gehad en de grote uitbreiding van het bouwprogramma van het Genootschap wijst erop dat er regelingen zijn getroffen dat nog velen meer op het goede nieuws zullen reageren.

Wat zou ik Jehovah nog kunnen zeggen met het oog op alle weldaden die hij mij heeft bewezen? Mijn hart vloeit over. Tegen het einde van 1959 was ik dertig jaar in de pioniersdienst. Wanneer ik terugkijk, herinner ik mij mijn diensttijd in Engeland, India, Birma, Ceylon, Aden, Amerika, Canada, Zuid-Afrika en Mauritius. Ik heb in die periode in de gewone en de speciale pioniersdienst, de kring- en districtsdienst gewerkt, heb in India een poosje op het bijkantoor gezeten en daarna Gilead bezocht! Ik heb slechts enkele van de ervaringen waarover ik mij verheugd heb, kunnen aantippen. Ik kan echter alles samenvatten door te zeggen dat Jehovah goed is geweest! Zijn organisatie is een glorierijke woonplaats! Wanneer u van plan bent de pioniersdienst in te gaan, aarzel dan niet. Wees sterk en moedig. Vertrouw op Jehovah en ondervind dat hij goed is.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen