Mijn doel in het leven nastreven
Zoals George R. Phillips dit heeft verteld
IK WERD in Glasgow, Schotland, geboren. Mijn ouders waren goede presbyterianen en mijn vader is zelfs enkele jaren zondagsschoolonderwijzer geweest. In 1902, ik was toen vier jaar, kwam mijn vader tot een kennis der waarheid. Het zaad was op goede grond gevallen en hij was al spoedig een actieve en ijverige verkondiger. Hij vertelde al zijn familieleden, vrienden, zakenrelaties en iedereen met wie hij in contact kwam, over Het Goddelijke Plan der Eeuwen en het ophanden zijnde wonderbaarlijke duizendjarige rijk. Hij werd in Glasgow als dienaar aangesteld, maar in het najaar van 1904 eindigde zijn aardse bediening.
De jaren dat mijn vader zich in de waarheid kon verheugen en zich in haar dienst kon stellen, deed hij zijn best om zijn kinderen overeenkomstig Gods Woord op te voeden. Hoewel ik toen nog heel jong was, kan ik me nog goed herinneren hoe wij ’s morgens vroeg onderricht uit de Schrift kregen. Eind 1902 of begin 1903 stond ik voor het eerst in de velddienst. Mijn vader nam me ’s zondagsochtends altijd mee om onze toenmalige traktaten, Old Theology Quarterly, uit te delen. Ik vroeg me wel eens af waarom wij nu per sé naar buiten moesten, nu er sneeuw op straat lag of wanneer het regende, maar hij verzekerde me dat de traktaten degenen die een juiste hartentoestand bezaten, vreugde en troost zouden geven.
Mijn moeder zette het opvoedkundige werk dat mijn vader begonnen was, voort. Zij nam ons mee naar de vergaderingen, en broeders die bij ons op bezoek kwamen, stonden altijd klaar om ons kennis van de fundamentele leerstellingen in te prenten. Wat was ik blij wanneer ik het juiste antwoord wist op vragen over de zondeval, het rantsoen, de opstanding en andere bijbelse waarheden. Verder herinner ik me nog de grote dag dat ik voor het eerst de namen van alle bijbelboeken in de goede volgorde kon opnoemen, zonder eerst voorin de bijbel te kijken. Nu ik op die tijd terugzie, ben ik blij dat ik als kind zo’n opvoeding heb gehad, want dikwijls heb ik er later in mijn leven, wanneer ik een besluit moest nemen, heel veel aan gehad om dit overeenkomstig Gods Woord te doen.
De hoogtepunten in die dagen waren de bezoeken van de eerste president van het Genootschap, Pastor C.T. Russell, aan Glasgow. De grootste zaal van de stad werd altijd gehuurd en de gehele bevolking van bijna een miljoen mensen werd van de vergadering in kennis gesteld. De meeste mensen in Glasgow wonen in hoge etagewoningen en in de trapportalen bevinden zich geen liften. Heel wat avonden en weekeinden besteedde ik aan het op- en aflopen van die trappen. Ik kreeg beslist lichaamsbeweging genoeg om fit te blijven. Hoe geweldig was het dan, te zien dat de zaal overvol was, terwijl er zelfs nog mensen weggestuurd moesten worden, maar vooral om te horen hoe Jehovah’s dienstknecht de bijbelse boodschap daar op het podium zo duidelijk en logisch uitlegde. O, wat een wonderbaarlijk voorrecht vond ik het kennis van de waarheid te hebben en deel te nemen aan de prediking er van aan anderen!
DE DIENST TIJDENS MIJN JONGELINGSJAREN
In juli 1912, toen ik veertien jaar was, liet ik me als symbool van mijn opdracht aan God in water onderdompelen. Mijn moeder noch iemand anders heeft getracht me hiertoe te dwingen en evenmin hebben zij geprobeerd me tegen te houden of me aangeraden te wachten tot ik wat ouder was. Daar was ik blij om. Mijn besluit stond vast. Ik begreep duidelijk dat het schepsel het voorrecht had ontvangen de Schepper en Levengever te dienen en dat dit het minste was dat men kon doen om zijn dankbaarheid te tonen voor alle zegeningen van het leven en de wonderbaarlijke hoop op eeuwig leven welke de bijbel ons geeft. Hoe bevoorrecht was ik, dit al op jeugdige leeftijd te weten en te begrijpen, waardoor ik mijn levensdoel kon nastreven en de Schepper in de dagen van mijn jeugd, wanneer de gezondheid het best en de energie het grootst is, kon dienen en niet behoefde te wachten tot ik nog slechts de laatste dagen van mijn uitgebluste leven kon aanbieden.
Ik zat toen nog op school en was vaak in de gelegenheid mijn schoolmakkers over het „einde der wereld in 1914” en de nieuwe regering welke zou beginnen nadat de „tijden der heidenen” waren geëindigd, te vertellen. Ik luisterde naar de raad welke in de lectuur van het Genootschap werd gegeven en die behelsde dat wij slechts vriendschap moesten sluiten met hen die in de organisatie waren. Uitnodigingen om weekeinden bij schoolvrienden door te brengen of met hen op vakantie te gaan, werden beleefd van de hand gewezen. Ik voelde me echt gelukkig wanneer ik met andere jonge mensen die dezelfde gedachte waren toegedaan, kon omgaan, hetzij in de velddienst, op de vergaderingen of wanneer wij samen enige ontspanning namen. Hoe dankbaar ben ik thans voor die goede raad en hoe blij ben ik dat ik ze opgevolgd heb! Hoeveel kinderen van ouders die in de waarheid zijn, zijn er niet weer in de wereld teruggevallen omdat zij anders handelden!
Het was ondertussen najaar 1913 geworden. Nog een jaar maar en dan zou de kerk haar loopbaan beëindigen en in de hemel worden opgenomen! Er scheen echter nog zoveel gedaan te moeten worden. Het zou beslist goed zijn, zo redeneerde ik, toch nog zeker een jaar aan het pionierswerk te besteden, om aldus de Koninkrijksboodschap voor het einde van de tijden der heidenen en Armageddon nog te verbreiden. In begin januari 1914, nadat ik pas zestien was geworden, verliet ik de school dus en begon met het pionierswerk. Mijn onderwijzers dachten dat ik niet goed wijs was geworden toen ik hun vertelde wat ik van plan was te gaan doen, maar wat zij ook zeiden, mijn besluit stond vast. Hoe heeft Jehovah dat besluit gezegend!
1914 n. Chr.! O, wat een jaar was me dat! Nadat ik nog maar enkele maanden als gewone pionier werkzaam was en mee deed aan het „Klasse-(gemeente)uitbreidingswerk over geheel Schotland,” hetgeen beoogde in alle delen van Schotland getuigenis te geven en na een serie openbare lezingen nieuwe gemeenten op te richten, ontving ik van het Britse bijkantoor de uitnodiging deel te nemen aan het nabezoekwerk dat verricht moest worden nadat broeder Rutherford die zomer een serie openbare lezingen had gehouden in geheel Groot-Brittannië. Tot op dat ogenblik had ik nog nimmer meer dan één boek tegelijk verspreid, maar deze uitnodiging hield in dat ik de gehele reeks Schriftstudiën tezamen met een jaarabonnement op De Wachttoren moest aanbieden. Wat dacht het bijkantoor in Londen wel! Hoe kon ik, een zestienjarige jongen die slechts enkele maanden ervaring in het pionierswerk had, ooit hopen zulk een werk te doen? Nadat ik er nog wat over had nagedacht, besefte ik dat de uitnodiging van de Heer afkomstig was en via de organisatie tot mij was gekomen. „Hier ben ik; zend me,” was het antwoord. Mijn pionierpartner, ongeveer anderhalf jaar ouder dan ik, en ik hadden adressen in Engeland, Schotland en Wales en wij hadden een verrukkelijke tijd. De series raakten wij kwijt en de abonnementen kwamen binnen! Broeder Rutherford was in zijn beste jaren en zijn openbare lezingen waren zo geweldig, dat de mensen, wanneer wij ze bezochten en de aanbieding van ƒ 10,– deden, vaak uitriepen: „Wel, wel, de lezing alleen was dat al waard!” De rest ging vanzelf. Of ik er nog spijt van had dat ik met het pionierswerk was begonnen in plaats dat ik naar een universiteit was gegaan of een wereldse betrekking had genomen? Wat de Heer ook met ons voor had, het moest wel heel mooi zijn, wilde het beter zijn dan de vreugde welke wij toen in Zijn dienst hadden!
In augustus 1914 waren wij met dit nabezoekwerk in Barrow-in-Furness in noordwest-Engeland bezig, toen ons het nieuws bereikte dat de oorlog (de eerste Wereldoorlog) was uitgebroken. Toen ik dat hoorde, liepen de rillingen gewoon over mijn rug. Dit zou dan het begin van de grote tijd vol moeilijkheden worden — de bevestiging van wat ik al jaren had gepredikt. Ik dacht aan mijn schoolmakkers en hoe ze hadden geproest van het lachen toen ik hun vertelde dat de moeilijkheden in de herfst van 1914 zouden uitbreken. Wat zouden zij nu wel denken?
DE BEPROEVINGEN DER OORLOGSJAREN
Oorlog of geen oorlog, mijn partner en ik bleven pionieren en hadden toewijzingen in Schotland en Ierland in verband met het vertonen van het Photo-Drama der Schepping — het aankondigen van de film, het vertonen er van en daarna het opzoeken van de geïnteresseerden. Na afloop van elke vertoning werden twee openbare lezingen uitgesproken: „Een onderzoek naar Pastor Russells leer” en „Christus’ tweede komst.” Namen en adressen werden opgegeven en wij bezochten ze met de Schriftstudiën-reeks. Het Photo-Drama trok volle zalen waar het ook maar werd vertoond en wij deden talloze echt vreugdevolle ervaringen op. Het was gemakkelijk met de mensen bevriend te geraken. Zelden of nimmer werd er afbrekende kritiek op het Drama geleverd en in die tijd kwamen er velen nadat ze de film hadden gezien, in de organisatie.
Eind 1916 werd er met het „herderlijke werk” begonnen — dit behelsde dat Het Goddelijke Plan der Eeuwen kosteloos veertien dagen werd uitgeleend, zodat allen die dit wilden, vooral degenen in de armere buurten, het konden lezen. Er werden vervolgens nabezoeken gebracht om dan wat te verspreiden en de belangstelling aan te wakkeren. Dit was eigenlijk het begin van wat wij thans als het nabezoekwerk kennen. Ook ik had een aandeel in dat werk en smaakte de vreugde hen die naar waarheid hongerden systematisch te kunnen voeden; velen hunner waardeerden het werkelijk dat wij alles deden om hen te helpen.
In de zomer van 1916 werd in Groot-Brittannië de algemene dienstplichtwet van kracht. Er werd in de gemeente Glasgow druk geredeneerd over wat nu het juiste schriftuurlijke standpunt in deze was. Sommigen dachten dat er geen kwaad in stak bij de non-combattante troepen te worden opgenomen; anderen meenden dat het niet verkeerd was naar een munitiefabriek te gaan om daar granaten te maken en zo aan de echte militaire dienst te ontkomen. Zij beweerden dat Gods oordeel jegens de natiën nu tot uitdrukking werd gebracht en dat men, wanneer men God bad of hij de granaten zo wilde leiden dat zijn wil er door volbracht werd, men eigenlijk met de Almachtige samenwerkte en derhalve een gerust geweten kon hebben. Dit lokte vele jongemannen wel aan, omdat er „dik geld” aan verdiend kon worden. Een derde groep geloofde dat de Schrift beslist geen compromis op dit punt toestond. Ik behoorde tot de laatste groep. Enkele jaren later hadden allen die tot de eerste twee groepen hadden behoord, de organisatie verlaten.
Een jaar later, ik was intussen op „dienstplichtige leeftijd” gekomen, moest ik voor plaatselijke commissies en commissies van beroep verschijnen om een ’reden te geven van de hoop welke in mij was.’ Alhoewel ik in de waarheid was opgevoed en vóór de oorlog reeds verscheidene jaren aan mijn op de Schrift gegronde overtuiging had vastgehouden, werd mij toch verteld dat ik nog te jong was om ergens een rijpe mening over te kunnen hebben. Met andere woorden, ik was oud genoeg om de oorlog in te gaan maar niet oud genoeg om te weten of dit goed of verkeerd was.
De wet Gods en de wet der mensen botsten. Welke diende ik te gehoorzamen? Diende ik mijn levensdoel te blijven nastreven? Ik volgde het voorbeeld der apostelen, dat in Handelingen 5:29 staat opgetekend. Weldra werd ik gearresteerd en kreeg van de krijgsraad een jaar gevangenisstraf en dwangarbeid. In de tijd dat ik moest wachten tot mijn zaak zou voorkomen, was ik veel in de gelegenheid om jongens die op het punt stonden naar de Franse loopgraven te gaan, getuigenis te geven. Zonder uitzondering hoopten allen dat wat ik had gezegd waar was en zij moedigden me aan „vol te houden.” De eerste veertien dagen van mijn straf bracht ik alleen in een cel door. De enige lectuur welke ik kreeg, was de gevangenisbijbel. Had ik juist gehandeld? Bij het lezen van de Schrift werd ik daar steeds meer van overtuigd. Bovendien kregen vele passages waar ik al lang vertrouwd mee was, meer en een diepere betekenis. Nu kon ik dat wat Jehovah’s dienstknechten in het verleden was overkomen — werden er niet velen in de gevangenis geworpen omdat zij hun geloof trouw waren gebleven en zich aan Gods Woord bleven vasthouden? — beter begrijpen en waarderen, ik kon het me alles beter indenken.
Eind 1917 — ik zat nog steeds mijn straf uit — was er een groot gebrek aan voedsel in het land, omdat de Duitse duikbootcampagne toen in volle gang was. De gevangenisrantsoenen waren uitermate klein. O, hoe kwelde de honger mij. ’s Nachts hoorde ik hoe enkele andere gevangenen met blote vuisten op de celdeuren beukten, als werden zij gek. Herhaaldelijk vertoonden de Duitse Zeppelins zich boven Londen en lieten daar hun bommenvracht vallen. Het luchtafweergeschut verstomde tijdens de aanval geen ogenblik. Alhoewel deze vele luchtaanvallen dood en verderf zaaiden, kreeg ik daardoor de enige gelegenheid om mijn medegevangenen van het Koninkrijk te vertellen. Tijdens zo’n aanval werden er namelijk drie of vier gevangenen in één cel gebracht en op de vloer neergelegd, en onder de aanval maakte ik goed gebruik van de tijd om hun te vertellen van al het goede in Gods Woord.
In september of oktober 1917 bereikte ons via een nieuwe gevangene de tijding dat The Finished Mystery was uitgekomen en dat de kerk in de lente van 1918 opgenomen zou worden. Zou ik waardig gerekend worden daarbij te behoren? Hoe stond het in dit opzicht met de bekenden in Glasgow? met de broeders en zusters waar ook ter wereld? Hoe zou ik worden opgenomen?
Vóór mijn straftijd verstreken was, werd ik in vrijheid gesteld en door de autoriteiten naar een werkkamp, een kunstmestfabriek, gestuurd, waar ik elke dag tien uur met houweel, schop en kruiwagen moest werken. Elk weekeinde fietste ik, wat voor weer het ook was, ruim 110 kilometer om de vergaderingen te kunnen bezoeken en contact met de broeders en zusters te hebben. Een jaar lang heb ik in dat kamp gewerkt. Toen op 11 november 1918 om 11 uur ’s morgens de sirenes loeiden ten teken dat de eerste Wereldoorlog was afgelopen, werkte ik nog op die fabriek en was ik net bezig met de schop een kolenwagen leeg te scheppen. Wat zou er nu gebeuren? Ik was in april niet naar de hemel gegaan. Moest er nog meer werk op aarde verricht worden?
VRIJLATING EN DAARNA DIENST IN GLASGOW
Alhoewel de oorlog was geëindigd, betekende dit niet dat de beperkingen welke de regering ons had opgelegd nu ook terstond ophielden. Ik moest nog een jaar op een scheepswerf vijftig kilometer van Glasgow verwijderd, werken, alwaar betonschepen werden vervaardigd. Met overwerk maakten wij hier een werkweek van tachtig uur. Elke zondag was ik echter in Glasgow en deelde daar in de activiteiten der gemeente. In september 1919 werd ik ten slotte volledig in vrijheid gesteld.
De daarop volgende vier en een half jaar had ik het voorrecht met de gemeente in Glasgow samen te werken. Langzaam maar zeker begon toen het velddienstwerk zoals wij dat thans kennen. Glasgow was in vier districten verdeeld. Ik had het toezicht over een daarvan en had het voorrecht de gemeenteverkondigers in dat gebied te helpen geregeld en systematisch in de velddienst uit te trekken. Het was een prachtige tijd toen we zo met prachtige hulpmiddelen als The Finished Mystery, Het Gouden Tijdperk no. 27 en later met de brochure Millioenen nu levende menschen zullen nimmer sterven en het boek De harp Gods konden werken. Het was geweldig ook te mogen helpen als lectuurdienaar en comptabiliteitsdienaar en dienst te mogen doen in het gemeentecomité.
De gemeente in Glasgow groeide tot meer dan 1200 personen aan en elke week hadden wij een schema van zo’n vijftig vergaderingen. Ook waren wij in de gelegenheid in weekeinden in kleinere gemeenten in andere delen van Schotland te dienen. Voor hen die reageerden op de klaroenschal om ’de Koning en het Koninkrijk te verkondigen,’ waren het gelukkige en drukke dagen.
De hoogtepunten van deze jaren werden gevormd door de bezoeken van de tweede president van het Genootschap, en wij werden altijd zeer gestimuleerd door de bij die gelegenheden gehouden congressen. Het waren echter ook moeilijke jaren en Glasgow was geen uitzondering op de algemene regel. Er waren er die de Heer dienden en anderen die dit niet deden, en weer anderen wilden alles op hun eigen manier doen. Toen de grote schok dan ook kwam (voor Glasgow in 1922), verlieten velen ons omdat zij niet van ons waren. Zij die bleven, werden door deze ervaringen gesterkt en hechter aaneengesmeed voor het nog voor de boeg liggende werk.
Op de grote vergadering in mei 1924 te Glasgow tijdens een bezoek van broeder Rutherford, maakte hij bekend dat hij een broeder van het Britse bijkantoor naar Zuid-Afrika zou zenden om daar als bijkantoordienaar te fungeren. Toen wij de volgende morgen zaten te wachten om het podium op te gaan, zei broeder Rutherford tot me: „Je hebt gisteravond zeker wel gehoord dat ik heb aangekondigd dat er een broeder naar Zuid-Afrika gezonden zal worden. Zou je graag met hem mee willen gaan?” „Hier ben ik; zend mij,” was het antwoord. „Denk er nog eens goed over na en geef me vanmiddag bescheid,” zei hij toen. Toen ik ’s middags kwam vertellen dat ik bij mijn besluit was gebleven, zei hij onder meer: „George, misschien is het maar voor een jaar of iets langer.” Hij geloofde toen nog steeds sterk dat de vorsten het jaar daarop terug zouden komen en dat er weldra grote veranderingen zouden komen.
Gilead was er in die tijd nog niet en wij hadden niet het voordeel van de schitterende opleiding welke de zendelingen nu ontvangen voor zij naar een buitenlandse toewijzing gaan. Wij hadden weliswaar onze „school der profeten” in Glasgow, waar wij dan enige opleiding in het spreken in het openbaar ontvingen, maar wij misten de schitterende leergangen welke men thans op Gilead heeft. Ik kreeg twee weken om mijn „koffers te pakken” en besefte voor het eerst hoe Abraham zich moet hebben gevoeld toen hij zijn land verliet om naar een gebied te gaan dat hij niet kende.
OP HET BIJKANTOOR IN ZUID-AFRIKA
Enkele weken later was ik in Zuid-Afrika. Wat een verschil met Schotland en de vroegere toewijzingen op de Britse eilanden! De toestanden waren finaal anders en alles wat met het werk te maken had, was zo veel kleiner. Er stonden er toen zes in de volle-tijd-dienst en niet meer dan veertig personen verrichtten enig predikingswerk. Ons gebied reikte van Kaap de Goede Hoop tot aan Kenya. Hoe moest dat geweldige gebied in één jaar tijd bewerkt worden en een grondig getuigenis ontvangen? Ach, waarom zouden wij ons daarover het hoofd breken. Het enige wat ons te doen stond, was aan de slag te gaan en de voorhanden zijnde middelen te gebruiken en dan naar Jehovah op te zien voor de resultaten.
Een der ons ten dienste staande hulpmiddelen was een kleine, met de hand te bedienen, degelpers, welke enige weken na onze aankomst van het bureau in Brooklyn kwam. Gelukkig was er toen in Kaapstad onder de broeders een drukker. Onder zijn leiding werkten wij een lesrooster dat voor vijf jaar bestemd was, in ongeveer vijf maanden door, doordat wij na onze normale dagtaak bijna elke avond in de week drie uur les van hem kregen en dan bovendien nog op zaterdagmiddag. Wij ontdekten hoe verraderlijk het „zetduiveltje” is. Weldra kwamen er van de kleine degelpers duizenden strooibiljetten voor de openbare lezingen, traktaten, kantoor- en schrijfbehoeften en dienstformulieren.
Zuid-Afrika is een heterogeen land met heel veel rassen en talen. Het was werkelijk een grote vreugde deze verschillende mensen, hun levensgewoonten, gebruiken, enz., te leren kennen, en vervolgens de nodige regelingen te treffen dat er lectuur in die talen werd uitgegeven. In Zuid-Afrika hebben wij lectuur vertaald en gedrukt in vijftien verschillende talen, zodat die in dit gedeelte van de akker gebruikt kon worden. Het is geen kleine taak geweest het werk in zo’n uitgebreid gebied georganiseerd te krijgen en de nodige fundamenten te leggen waarop voortgebouwd kon worden, te meer daar er zo weinig volle-tijd-werkers waren. Dat alles zo heel klein was, was een beproeving op zichzelf en bleek te veel te zijn voor mijn medewerker, die zijn toewijzing dan ook laat in 1927 verliet, nadat hij drie en een half jaar in het land was geweest. Ik zette de strijd voort, mijn levensdoel nastrevend; ik was er van overtuigd dat wanneer ik me getrouw van de toegewezen taak bleef kwijten, Jehovah ons zou blijven zegenen en wij ter rechter tijd toename zouden krijgen.
In de ernstige crisisjaren bleven wij dus voortgaan met onze openbare-lezingenveldtochten en maakten een goed gebruik van de „Regenboogseries” (de „jr.-delen”). De draagbare grammofoons (wij hebben ons zeer vermaakt over de „draagbare” aard er van, want wanneer twee broeders het trapje naar het podium opstrompelden, bezweken ze bijna onder de last er van) hebben goed werk gedaan en het was werkelijk een prachttijd. Ik kan me herinneren dat ik acht keer op één dag in verschillende delen van Kaapstad een uurlezing als „Heerschappij en Vrede” heb afgedraaid. Pioniers reisden in geluidswagens het gehele land door en de naam van rechter Rutherford werd even bekend als die van de minister-president. Vele luisteraars toonden werkelijk waardering, maar in het algemeen genomen zeiden de meesten ons dat zij niet van „ingeblikte” lezingen hielden en er de voorkeur aan gaven naar een spreker te luisteren die zij konden zien.
De grammofoons met de korte inleidende toespraakjes, deden vele deuren voor ons open gaan, waarna wij lectuur konden verspreiden en nabezoeken konden brengen. Ik deed beslist veel belangwekkende ervaringen in dat werk op en genoot er zeer van. Op den duur werd de grammofoon zo bekend, dat wanneer wij van deur tot deur gingen, wij niet meer behoefden te zeggen wie wij waren.
De veldtocht met de brochure Koninkrijk staat me nog altijd fris voor de geest, want toen probeerden wij voor het eerst in contact te komen met bestuursautoriteiten en andere vooraanstaande personen, om hun onze Koninkrijksboodschap mede te delen en overal onze nieuwe naam, „Jehovah’s getuigen,” bekend te maken. In het begin van de dertiger jaren konden wij verscheidene contacten met de Afrikaanse radio-omroep leggen, en doordat er elke maand vanuit hun stations in Johannesburg, Kaapstad en Durban lezingen van grammofoonplaten werden uitgezonden, werd er een geweldig getuigenis over de waarheid gegeven. Velen die naar deze lezingen hebben geluisterd, wisten daar jaren later nog van mee te praten.
RECHTSZAKEN EN DE WERELDOORLOG
Ondertussen groeide het werk gestaag en de boodschap kreeg vaste voet onder de Afrikanen en Europeanen. Dit hinderde sommigen. In Noord- en Zuid-Rhodesië werd getracht een spaak in het wiel te steken door onze lectuur als ondermijnend voor het gezag te bestempelen. Dit leidde tot rechtszaken in deze landen en in de Zuidafrikaanse Unie, uit welke strijd het Genootschap als overwinnaar te voorschijn kwam en waarbij kwam vast te staan dat onze lectuur niet ondermijnend is. Het was beslist een voorrecht rechtsgeleerden en advocaten te mogen helpen deze zaken voor te bereiden en bij de behandeling van de zaak de ter zake dienende schriftuurplaatsen op te zoeken, zodat zij ze konden voorlezen wanneer zij onze zaak bepleitten.
Het jaar 1938 was gedenkwaardig, want toen werd de organisatie geheel theocratisch, en de sindsdien ontvangen en uitgevoerde instructies verhoogden het tempo van de toename opmerkelijk. Zelfs toen de tweede Wereldoorlog uitbrak en er allerlei beperkende maatregelen werden uitgevaardigd, ging het werk met sprongen vooruit.
Tijdens de tweede Wereldoorlog waren er nog meer rechtszaken en wederom had ik het voorrecht de Koninkrijksbelangen te verdedigen en te strijden om de deur open te houden. De strijd hield het grootste gedeelte van de oorlog aan, maar meer dan een jaar voor het einde er van, smaakten wij het genoegen te horen dat het verbod op de invoer van onze lectuur was opgeheven. In de verbodsjaren van 1941 tot 1944 werden er vele opwindende ervaringen opgedaan en kregen wij de wonderbaarlijkste bewijzen dat Jehovah zijn volk liefderijk verzorgde en beschermde. Wij hebben geen enkel nummer van het ’voedsel te rechter tijd’ — het tijdschrift De Wachttoren — gemist. Vaak kregen wij slechts één exemplaar van een uitgave. Soms verschafte een abonnee in Noord- of Zuid-Rhodesië of Portugees Oost-Afrika of een bezoeker van een boot die Kaapstad aandeed, ons hetgeen wij nodig hadden, zodat wij ons allen in het voedsel ter rechter tijd verheugden.
Datgene waarin men zich in die jaren op de grote vergaderingen in de Verenigde Staten van Amerika verheugde, vond ook zijn weg naar ons; wij putten er kracht uit en werden er door aangemoedigd voort te blijven gaan met het werk. O, hoe waardeerden wij de krachtsinspanningen van onze broeders in Brooklyn om ons van het nodige te voorzien.
NAAR AMERIKA EN GILEAD EN TERUG
Na afloop van de tweede Wereldoorlog kreeg ik een uitnodiging om in 1946 de vergadering in Cleveland bij te wonen. Als scholier had ik, toen ik voor het eerst de „Congresverslagen” las, al gehoopt dat ik vroeg of laat eens het voorrecht zou hebben een der grote Amerikaanse congressen te bezoeken. Gilead verrichtte haar taak nu al drie jaar. Ik was echter boven de normale leeftijdsgrens, maar o, hoe verlangde ik er naar daar een opleiding te ontvangen! Was Gilead er maar vijfentwintig jaar eerder geweest! Na de vergadering zou de achtste of eerste internationale klas beginnen en broeder Knorr gaf me tot mijn grote vreugde toestemming deel uit te maken van die klas. De vijf en een halve maand op Gilead zullen in mijn geheugen altijd als een der gezegendste en vreugdevolste ervaringen in mijn leven geboekstaafd staan. Voordat ik er heen ging, zei broeder Knorr me: „Je zult daar een opleiding krijgen en ervaring opdoen, welke op geen andere manier verkregen kan worden.” Er is me gebleken dat dit waar was en ik ben Jehovah zeer dankbaar voor de schitterende voorziening welke Hij voor volle-tijd-bedienaren in deze laatste dagen van het oude samenstel van dingen heeft getroffen, want hierdoor wordt er doeltreffender getuigenis afgelegd van zijn naam en koninkrijk.
Waar zou ik naar toe gezonden worden? De leerlingen uit de achtste klas mochten drie landen kiezen. Mijn eerste keus was Zuid-Afrika; mijn tweede en mijn derde keus ook! Ja, ik had de toewijzing welke ik in 1924 van des Heren organisatie had ontvangen, welke voor „een jaar of iets langer” bedoeld was, leren liefhebben. Het was inderdaad „iets langer” geworden, maar nadat ik er bijna drieëntwintig jaar was geweest, wilde ik niet alleen graag teruggaan, maar verlangde ik er naar om daar te dienen zo lang Jehovah dit wilde.
Toen ik van Gilead was teruggekomen, kon ik mij beter kwijten van mijn vroegere taak als bijkantoordienaar van het Zuidafrikaanse bijkantoor. Nadat ik twee maanden op het hoofdbureau van het Genootschap te Brooklyn had gewerkt en daarna naar Gilead was gegaan, had ik meer waardering en een beter inzicht in de organisatie gekregen dan ooit tevoren. In de daarop volgende tien jaar ben ik veel in de gelegenheid geweest de opgedane kennis in praktijk te brengen en om de raad en opleiding welke ik op die wonderbaarlijke school der verhevenste kennis heb ontvangen in toepassing te brengen. Tot twee maal toe hebben broeder Knorr en Henschel ons bezocht; wij denken er nog vaak met vreugde aan. De regelingen welke zij voor expansie hebben getroffen, zijn het werk in dit gedeelte der aarde, evenals elders, zeer ten goede gekomen. In het algemeen is het werktempo opgevoerd. Hoe verschilt de gestroomlijnde toestand der hedendaagse organisatie van die van vijftig jaar terug! Hoeveel meer kan er nu niet doeltreffender en in een kortere tijd worden gedaan! Nu het opleidingsprogramma in volle gang is en allen die de film „De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie” gezien hebben, meer waardering hebben voor de arbeidzame theocratische organisatie, worden velen geholpen ook hun lof op des Scheppers naam kenbaar te maken. Hoe vreugdevol is het in deze tijd te leven en te zien hoe de grote schare de Nieuwe-Wereldmaatschappij binnenstroomt. Wat een voorrecht, om je gehele tijd en al je energie te gebruiken om Jehovah’s naam te verheerlijken. Men doet de ene glorierijke ervaring na de andere op. Het is verrukkelijk veel te doen te hebben en te weten dat er altijd nog iets moet blijven liggen voor de volgende dag. Van het handjevol dat in 1924 in dit gedeelte van Afrika belangstelling toonde in de Koninkrijksboodschap, is het werk tot de huidige omvang gegroeid, zodat er thans in de oorspronkelijke toewijzing vier bijkantoren functioneren en 63.000 verkondigers werkzaam zijn. Jehovah heeft gewis toename geschonken.
Zou ik, wanneer ik de klok drieënveertig jaar kon terugzetten en dus weer op de schoolbanken zou zitten, weer het zelfde pionierswerk verkiezen? Er zijn thans beslist veel dringender redenen om „ja” te zeggen. Kent u iemand die als loopbaan een ander vak of beroep heeft gekozen, en wiens leven half zo interessant is als het mijne of dat van iemand anders in de Nieuwe-Wereldmaatschappij die nadat hij de school heeft verlaten, met pionierswerk gaat beginnen, voor Gilead in aanmerking komt, zijn zendingstoewijzing waar dan ook, aanvaardt en dan, zijn levensdoel nastrevend, in die toewijzing blijft? Geef hierop nu eens eerlijk antwoord. Alle jaren door is overduidelijk gebleken dat Jehovah liefderijk in al mijn noden voorziet, mij beschermt, leidt en zegent. Ik heb geleerd dat ’godsvrucht met tevredenheid een groot gewin is’ en dat men om in „de schuilplaats des Allerhoogsten” te blijven, dicht bij de organisatie moet blijven en ijverig zijn werk op zijn wijze moet verrichten. Doordat ik in de dienst der waarheid heb gestaan, ben ik jong van hart en geest gebleven, en alhoewel ik ruim negenenvijftig ben, kan ik door Jehovah’s onverdiende goedgunstigheid een goede dagprestatie leveren en gelijke tred houden met hen die nog niet half zo oud zijn.
Dit zeer beknopte verslag van mijn vijfenvijftig actieve dienstjaren in Jehovah’s dienst, zou niet volledig zijn, wanneer ik geen melding zou maken van mijn lieve vrouw Stella. Zevenentwintig jaar lang, sinds 1930, is zij een echte helpster geweest en heeft zij loyaal met me samengewerkt in al wat wij samen ervaren hebben. Ook zij heeft veel voordeel van haar Gileadopleiding gehad. Onze enige wens is nu, voort te blijven gaan in de volle-tijd-dienst en Jehovah’s naam voor altoos en immer te zegenen.
Blijft dan eerst het koninkrijk en zijn rechtvaardigheid zoeken, en al het andere zal u worden toegevoegd. — Matth. 6:33, NW.