Mijn doel in het leven nastreven
Zoals H. McKay dit heeft verteld
TERWIJL ik dit schrijf, zit ik in de trein. Buiten zie ik rijstvelden en palmbomen en hier en daar apen, die in de bomen spelen. De mensen op de stations zijn meestal in het wit gekleed, want wij bevinden ons hier in de tropen en het is erg heet. Tussen de menigte kan men hier en daar de halfnaakte en beschilderde lichamen van de „sadhus”, de religieuze leiders, waarnemen. Hoe ik hier ben gekomen? Wel, het is allemaal ongeveer eenentwintig jaar geleden begonnen, ofschoon ik er toen geen idee van had dat de dingen die ik leerde mij naar de andere kant van de aarde en in zo’n vreemde omgeving zouden brengen. In 1939 brachten twee van mijn vrienden mij van de waarheden die in de bijbel worden geleerd, op de hoogte. Ik heb dikwijls hun ijver bewonderd, want niet alleen geloofde ik niet in de bijbel, maar ik geloofde zelfs niet in het bestaan van een God.
Daar te Brampton in Ontario, slechts een paar mijl van Toronto in Canada verwijderd, beleefde ik een voor mij ontroerende dag, toen ik tot een kennis van de waarheid kwam. Het lezen van de bijbel opende een heel nieuw leven voor mij. Ik werd bijzonder geïmponeerd door getuigen als Paulus, die zo’n uitgestrekt gebied bereisde om tot mensen te prediken die nog nooit van het goede nieuws van Gods koninkrijk hadden gehoord. Destijds wist ik nog niets van enige soort van volle-tijd-bediening af. Het was daarom een buitengewoon ogenblik in mijn leven toen ik kennis maakte met de kringdienaar, broeder Wainwright. Dit bracht een nieuw doel in mijn leven — volle-tijd-prediker worden. Het was slechts een kwestie van maanden om mijzelf op te dragen en de pioniersdienst in te gaan. Toen werd echter het Wachttorengenootschap in Canada verboden; het pionierswerk eindigde en ik moest weer werelds werk zoeken, terwijl ik in die tussentijd trouwde. Het was wel een verandering om wat meer van de materiële dingen van het leven te bezitten.
Voordat het verbod werd opgeheven, werd er door middel van de Koninkrijksdienst (Informateur) een oproep gedaan voor meer pioniers. Nu beviel de gerieflijkheid en zekerheid van een eigen thuis mij heel goed en die wilde ik niet zo maar opzij zetten; daarom suste ik mijn geweten met mijn „schriftuurlijke verplichtingen”, ik moest een vrouw onderhouden en bovendien gebruikte Jehovah mij reeds als gemeentedienaar. In mijn hart wist ik echter dat ik mijn hele leven had opgedragen en niet slechts een deel ervan en dit hinderde mij. Toen op een dag kwam er een speciale brief van het Genootschap over de pioniersdienst, en die was moeilijker opzij te schuiven dan al het andere. Terwijl ik er nog over aan het peinzen was, zei mijn vrouw tegen mij: „Zeg, waarom gaan we eigenlijk niet?” Daar gingen mijn „verplichtingen”. Ik had geen verontschuldigingen meer. Onmiddellijk begonnen mijn vrouw en ik plannen te maken om ons huis eraan te geven en ons doel in het leven na te streven door samen te gaan pionieren. Mijn opdracht vereiste het en ik wist dit; daarom had ik een gevoel van werkelijke vreugde en voldoening, wetende dat ik het juiste ging doen. Ik dankte Jehovah ook dat ik een helpster had, die een aanmoediging was in de dienst voor hem.
Na twee weken in Ottawa, onze eerste toewijzing, werden de spijtgevoelens over wat ik was begonnen, spoedig verdreven door de vreugde van het pionierswerk. Aangezien het verbod op onze lectuur nog steeds van kracht was, hadden wij een prachtige tijd door alleen met de bijbel in onze hand naar de deuren te gaan en met de mensen over de wonderbaarlijke waarheden die erin staan, te spreken. Al deze moeilijkheden ten spijt, namen velen hun standpunt in en droegen hun leven aan Jehovah op. Onze derde toewijzing was Collingwood in Ontario en hier moesten wij opnieuw een beslissing nemen die de rest van ons leven totaal zou veranderen. Het was een uitnodiging voor de Gileadschool. De vraag rees: „Zouden wij een buitenlandse toewijzing krijgen?” Broeder Knorr had ons op congressen al ingelicht over de moeilijkheden van een buitenlandse toewijzing, het verschil in voedsel, levensomstandigheden, enzovoort. De pioniersdienst had mij echter geleerd de dingen in hun juiste verhouding te zien. Met het oog op mijn opdrachtsgelofte kon er ook maar één antwoord bestaan; bovendien wist ik nu, dat het niet de omstandigheden waaronder iemand leeft, zijn die hem gelukkig maken, maar dat het het werk is dat iemand doet en de voldoening die hij ervan heeft. Thuis was het goed, maar Jesaja zei niet tegen Jehovah: „Het hangt ervanaf waar u mij heen zendt.” Neen. Hij zei: „Hier ben ik, zend mij.”
TOEWIJZING: INDIA
In februari 1947 kwam de graduatie van de Gileadschool. Het was een prachtige tijd geweest met studenten uit zeventien landen — de eerste internationale klas. De volgende paar maanden brachten wij in Canada in de kringdienst door. Het waren drukke maanden, maar tevens enkele van de gelukkigste maanden die ik tot aan die tijd had beleefd. Toen op een dag kregen wij in Ottawa onze buitenlandse toewijzing. India zou ons nieuwe tehuis worden. Wij konden niet veel verder meer weg. Zo kwam het dat toen ons schip, de „Marine Swallow”, in de namiddag van de 27ste november 1947 zijn ligplaats in de haven van San Francisco verliet, mijn vrouw en ik aan boord waren, op weg naar de Oriënt. Toen wij de Stille Oceaan opvoeren en de Amerikaanse kustlijn langzaam vervaagde, dachten wij aan en spraken wij over de ervaringen die wij hadden opgedaan en de vrienden en familieleden, die wij voor Armageddon niet meer verwachtten terug te zien. Anderzijds probeerden wij ons in de geest een beeld te vormen van een ander land met totaal verschillende omstandigheden.
Het was een wonderbaarlijke reis, waarbij wij overal vrienden ontmoetten. In Yokohama waren de twee enige Japanse bezoekers die aan boord kwamen — officieel waren wij nog steeds in oorlog — vrienden die ons kwamen bezoeken. In Sjanghai en Singapore stonden onze vroegere klasgenoten aan de kade om ons te ontmoeten, samen met hun metgezellen van goede wil. Onze medepassagiers, waaronder vele zendelingen, waren verbaasd toen in elke haven onze broeders ons kwamen opzoeken. Een van hen zei: „Jullie schijnen overal vrienden te hebben.” Dit opende een uitstekende gelegenheid voor ons om hun getuigenis te geven, want had Jezus niet beloofd: „Niemand heeft ter wille van mij en ter wille van het goede nieuws huis, broers, zusters, moeder, vader, kinderen of landerijen verlaten, of hij zal in deze tijd honderdvoud ontvangen”? — Mark. 10:29, 30, NW.
Tweeëndertig dagen nadat wij San Francisco verlieten, arriveerden wij in ons nieuwe tehuis, Bombay in India. Was ik geschokt? Dat was nog te zacht uitgedrukt. Nooit tevoren had ik mij gerealiseerd hoe groot de behoefte aan een nieuwe wereld wel is. Ik zag doodarme mensen wier enige tehuis het trottoir was. Deze toch al moeilijke situatie werd nog verergerd door de duizenden vluchtelingen, die na de verdeling uit Pakistan waren gevlucht met niet meer bij zich dan de kleren die zij aanhadden. Was ik, aan de andere kant, gelukkig om in mijn nieuwe toewijzing te zijn? Ja, zeer zeker. Onze Indiase broeders en zusters waren gul met het tot uitdrukking brengen van hun liefde en maakten dat wij ons spoedig thuis voelden; zij vloeiden over van dankbaarheid dat wij hiernaartoe waren gekomen om hen te helpen.
Hoe ging het met het getuigeniswerk? Wel, dat bleek ook een verrassing te zijn. De mensen waren vriendelijk en graag bereid ons binnen te nodigen, maar de argumenten waren soms volkomen nieuw. „Wel”, zeiden zij, „onze boeken zijn 25- tot 40.000 jaar oud, terwijl de bijbel daarentegen slechts iets nieuws is.” Het feit dat zij maar weinig manuscripten bezitten die ouder zijn dan de twaalfde eeuw, dus omstreeks de tijd dat Wycliffe de bijbel in het Engels vertaalde, scheen van geen belang te zijn. Wetenschappelijke feiten? Ze zonken allemaal in het niet wanneer ze met de wonderen van de hindoe-filosofie werden geconfronteerd. Wisten wij dan niet dat zij, lang voor het Westen telefoons, vliegtuigen en televisie bezaten? Toch geloofden zij, ondanks al deze aanspraken, in de meest primitieve vormen van bijgeloof: de koe wordt aanbeden als de moeder van al het geschapene, in vele tempels nemen de fallische symbolen nog een belangrijke plaats in en vormen een deel van hun aanbidding. Wat was ik blij met mijn opleiding op Gilead en het onweerlegbare bewijs voor de echtheid van de bijbel! In het begin had ik het gevoel dat er beslist iets zou gebeuren dat mij zou noodzaken terug te gaan; het scheen allemaal zo verschrikkelijk en hopeloos. Mijn opdracht eiste dit nu echter eenmaal van mij en dikwijls dacht ik, „of zij horen dan wel het nalaten”, zij moeten de gelegenheid hebben het goede nieuws te horen.
Na een poosje begonnen mijn ogen aan al die vreemde beelden te wennen, en toen zich wat belangstelling begon te openbaren, moesten de pessimistische gedachten spoedig het veld ruimen voor een wat optimistischer kijk op de dingen. Ondanks de weinigen die in naam christenen waren, begon onze gemeente te groeien zoals het werk in geheel India. Het was aanmoedigend te zien dat wij jaar op jaar in staat waren onze quotums in het aantal koninkrijksverkondigers te bereiken. Toen wij in India aankwamen, waren er slechts vijfenvijftig verkondigers in Bombay en één gemeente. Nu, na twaalf jaar, zijn er zes eenheden in drie verschillende talen. Dit is zeker een op mensenharten geschreven bericht dat de mensen hier de waarheid evenzeer liefhebben als in elk ander deel van de wereld, wanneer zij slechts de gelegenheid krijgen erover te horen. Wat was ik gelukkig hier te mogen werken waar de nood zo groot was!
Er komen in het Oosten vele ziekten voor die het gevolg zijn van de slechte hygiënische toestanden, zoals bijvoorbeeld tyfus, en het was dus niet verwonderlijk dat ik dat kreeg. Op 21 maart 1951 werd ik ziek en pas in september kon ik weer aan het werk gaan. Zes maanden duren lang wanneer men ziek is, maar met brieven van vele oude en nieuwe vrienden, gepaard gaande met geregelde bezoeken van mijn broeders en zusters, ging de tijd vlug voorbij. Dacht ik er nu over om maar naar huis te gaan? Geen ogenblik. Dit was nu mijn thuis en ik was bij mijn vrienden. Wat was ik in deze tijd dankbaar voor de regeling van de zendingshuizen, die het mij mogelijk maakte in de zendingsdienst te blijven!
INTERNATIONALE CONGRESSEN
Toen kwam de lente van 1953. Een grote verrassing stond mijn vrouw en mij te wachten. Wij waren een heel eind van ons oorspronkelijke tehuis verwijderd, maar Jehovah was ons niet vergeten, want door middel van zijn organisatie kregen wij een uitnodiging om het congres in New York te bezoeken. Het was haast niet te geloven. Jehovah’s goedgunstigheid scheen ons grenzeloos, toen wij op 7 juni 1953 Bombay verlieten om via Europa naar New York te reizen. Wat was dat vreugdevol! Velen van onze vroegere klasgenoten dienden overal in Europa en wat een vreugde was het hen na zes jaar in hun toewijzing te ontmoeten!
Met al onze familieleden en vrienden in de waarheid betekende New York meer dan een congres; het was ook een familiereünie. Hoe waren onze harten vervuld van vreugde en dankbaarheid aan Jehovah, dat wij hier allen bij elkaar konden zitten, van het rijke geestelijke voedsel konden genieten en tegelijkertijd onze ervaringen konden vertellen! Wat waren wij gelukkig dat wij een diensttoewijzing „overzee” hadden gekregen!
Wel, als 1953 al een belevenis was geweest, kan men zich voorstellen hoe ik mij in 1958 voelde, toen broeder Skinner, onze bijkantoordienaar, een brief voorlas waarin stond dat mijn vrouw en ik werden uitgenodigd de internationale ’Goddelijke wil’-vergadering te bezoeken. Ik kon mijn tranen haast niet bedwingen.
Op het congres vroeg iemand mij over mijn terugkeer naar India. Hoe vond ik dat nu? Wilde ik werkelijk weer terug? Ik geloof dat het een kwestie is van „waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”. Ik heb vele schatten in India. Tien jaar lang heb ik, samen met anderen, gewerkt in de hoop eens een eenheid in het Marâthî — een van de grootste plaatselijke talengroepen — te kunnen oprichten. Wij zijn dikwijls teleurgesteld door hen die graag ’heerschappij wilden voeren over het erfdeel des Heren’ en moesten dan weer van voren af aan beginnen. Net voor wij naar New York vertrokken was er echter een Marâthî-eenheid opgericht en wij verlangden er nu naar om terug te keren en te zien hoe zij het maakten. Ik ben blij te kunnen berichten dat het hun zeer goed gaat.
Dat was echter niet de enige reden om terug te willen. Hebt u ooit de vreugde gesmaakt terug te gaan naar een broeder, zuster of een persoon van goede wil, wetende dat hij u verwachtte om hem over het congres te vertellen? Ik wist dat in India niet één maar honderden broeders en zusters wachtten om over Jehovah’s wil, zoals die op het congres was bekendgemaakt, te horen spreken. In feite gingen wij terug om het grootste congres van onze broeders en zusters dat ooit in India werd gehouden, voor te bereiden en hun te vertellen wat er in New York was gebeurd. Hier zouden wij voor de eerste keer alle lezingen in vijf talen tegelijk vertalen, zodat allen het zouden kunnen verstaan. O, wat een geluk om die zee van gelukkige, verlangende gezichten te zien en te aanschouwen hoe Jehovah ons werk in de voorgaande tien of meer jaren had gezegend!
Thans zijn er in India 1514 verkondigers van het Koninkrijk. Hoe gelukkig voel ik mij dat Jehovah het mij mogelijk heeft gemaakt, mij in deze jaren van hulp aan mijn broeders en zusters en personen van goede wil hier — waar de behoefte zo sterk wordt gevoeld — te verheugen. Ik weet dat dit het enige waardevolle werk is voor Armageddon en als ik de nog voor mij liggende jaren bezie, ben ik er zeker van dat ik, door mijn opdrachtsgeloften gestand te doen, het grootste geluk en jaren van voldoening schenkende dienst zal beleven.