Het zichtbare gedeelte van de herstelde stad meten
1. Welke vragen komen in de gedachte op, vooral met het oog op de velen aan wie nog niet de gelegenheid is gegeven hun standpunt te bepalen?
DE GROTE vraag die in de gedachte van vele mensen opkomt, is: Hoelang zal het nog duren voordat de strijd van Armageddon losbarst? en wanneer zal het volledige einde komen? Hoelang moet ik nog blijven werken? De Here Jezus beantwoordt de vraag in het 24ste hoofdstuk van Mattheüs, waarin hij zegt: „En dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt met het doel een getuigenis aan alle natiën te geven, en dan zal het volledige einde komen” (Matth. 24:14, NW). Zolang dit getuigenis nog tot de natiën moet worden gepredikt, zal dus het einde niet komen. Het blijkt heel duidelijk dat er duizenden en nog eens duizenden mensen zijn aan wie nog niet ruimschoots de gelegenheid is gegeven hun plaats aan de zijde van het Koninkrijk in te nemen. Wat zal er worden gedaan? Daar er duizenden mensen van goede wil tot de organisatie des Heren komen en na een bepaalde tijd van studie bedienaren van het evangelie worden, en wel ten getale van 49.000 per jaar, zou men denken dat de Theocratie zich nog meer zal uitbreiden. Zal deze uitbreiding elk jaar groter kunnen zijn? Grijpt een ieder die zich aan God heeft gewijd, het eeuwige leven stevig vast door de goede belijdenis in het openbaar af te leggen? Het is goed dat iedere getuige Jehova’s zijn werk aan de hand van deze vragen aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpt. Wat zal met het oog op het volgende uw antwoord zijn?
2. Hoevelen hebben er volgens de berichten, gedurende 1950 verkondigd, in hoeveel landen en hoeveel uren hebben zij hieraan besteed?
2 Er zijn rapporten binnengekomen uit 115 landen, eilanden, provinciën en verschillende gebiedsverdelingen der natiën, en wij bemerken dat er 328.572 Jehova’s getuigen zijn die, over de gehele aarde verspreid, ja, tot de uiterste einden er van, gedurende elke maand van het jaar het goede nieuws van Gods koninkrijk hebben bekendgemaakt. Dat is schitterend. Zij besteedden heel wat tijd aan het er voor zorgen dat deze boodschap werd gepredikt. Het Genootschap houdt een bericht bij van de uren die aan het prediken van de boodschap worden besteed, en wij zien dat er gedurende het dienstjaar 1950, 54.707.445 uren aan het prediken van het Woord werden gewijd. Dit goede werk dat in het prediken van het Woord van God bestaat, is ten hemel opgestegen als een aangename geur in de neusgaten van de Heer, en het brengt zijn dienstknechten op aarde bevrediging omdat wij weten dat wij weer een jaar lang hebben kunnen prediken dat Jehova Koning is.
3. Het spreken tot welke mensen heeft in het bijzonder onze belangstelling? Met welk gevolg wat nabezoeken en boekstudiën gedurende 1950 betreft?
3 Het volk des Heren stelt er geen belang in eenvoudig tot allen en iedereen te spreken, ofschoon zij dit wel willen, doch zij stellen er in de eerste plaats belang in tot degenen te spreken die een horend oor hebben. Zij gaan van deur tot deur ten einde zulke mensen te vinden en vervolgens treffen zij regelingen om de mensen die belangstelling hebben getoond, een nabezoek te brengen. Misschien heeft iemand van de vele mensen tot wie is gesproken, een boek, een tijdschrift of een brochure genomen, en deze belangstellende wordt derhalve nabezocht. De vele duizenden Jehova’s getuigen brachten gedurende het jaar 18.782.972 nabezoeken bij mensen die in Gods Woord belangstelden. Wanneer gij het bericht in het Jaarboek leest, zult gij opmerken dat er vele kilometers werden afgelegd ten einde deze achttien millioen mensen te bereiken en deze bedienaren van het evangelie zullen daarna misschien een uur of meer bij hen hebben doorgebracht, terwijl zij hun vragen over de Bijbel beantwoordden en het goede nieuws uit Gods Woord onder hun aandacht brachten. Behalve het brengen van deze nabezoeken is het raadzaam gebleken om met mensen die werkelijk wensen te leren, geregeld te studeren. Deze verkondigers van het goede nieuws hebben derhalve elke week 234.952 bezoeken bij de mensen gebracht, terwijl zij in hun huizen Bijbelstudiën leidden. Doch is dit genoeg? Neen. Wij moeten hen helpen het eeuwige leven stevig vast te grijpen en hen helpen de goede soort van belijdenis in het openbaar af te leggen. Wij wensen dat zij God zo goed leren kennen, dat zij ook aan anderen zullen kunnen prediken, en dit zullen doen omdat zij het willen, niet uit dwang, doch veeleer uit liefde voor de waarheid en wegens het verlangen de uitbreiding der Theocratie te zien.
4. Wat was het hoogtepunt in het aantal verkondigers gedurende 1950? Wat kan derhalve worden gedaan om de activiteit in het algemeen te verbeteren?
4 Men merkt op dat het beeld hetwelk al deze 115 natiën tezamen laten zien, een toename van 18 procent vertoont, of, dat er 49.151 mensen meer waren die dit afgelopen jaar, 1950, de boodschap van het Koninkrijk hebben gepredikt dan gedurende het jaar 1949. Dit is een uitstekende vooruitgang en er blijkt uit dat nog veel meer mensen er toe zijn gekomen ongerechtigheid te laten varen, daar zij de naam van Jehova hebben aangenomen en hij hen in de dienst die zij voor hem verrichten, heeft gezegend. Doch wat kunnen wij in 1951 doen om die activiteit te verbeteren? Wanneer men over de gehele linie op toename uit is, dan moeten ook de vruchten van onze persoonlijke arbeid overvloediger worden. Wanneer wij het bericht over het afgelopen jaar nagaan, bemerken wij dat op de een of andere tijd gedurende het jaar elk land een hoogtepunt in het aantal verkondigers had. Met andere woorden, in één speciale maand is een groter aantal van allen die met de organisatie van Jehova’s getuigen over de gehele wereld zijn verbonden, aan het werk geweest dan in elke andere maand. Wanneer al deze hoogtepunten in het aantal verkondigers die getuigen voor het Koninkrijk waren, worden opgeteld, bemerken wij, dat er totaal 373.430 mensen het werk van een bedienaar van het evangelie verrichtten. Wanneer deze 373.430 mensen elke maand aan de velddienst zouden deelnemen, zou het getuigenis geweldig zijn, en de juichkreet die tot lof van de Heer zou weerklinken, zou gelijk de stem van een grote schare en gelijk het geluid van vele wateren zijn. Zo dient het ook te zijn.
5. Hoe machtig was de stem van de grote schare die Johannes hoorde? Welke vragen kunnen wij derhalve terecht stellen?
5 In Openbaring 19:6-8 (NW) staat vermeld: „En ik hoorde iets wat gelijk was aan een stem van een grote schare en aan een geluid van vele wateren en aan een geluid van zware donderslagen. Zij zeiden: ’Looft Jah, gijlieden, omdat Jehova onze God, de Almachtige, is begonnen als koning te heersen. Laten wij ons verheugen en zeer blijde zijn, en laten wij hem de heerlijkheid geven, omdat de bruiloft van het Lam is aangebroken en zijn vrouw zich heeft gereedgemaakt. Ja, het is haar gegeven met helder, rein, fijn linnen te worden getooid, want het fijne linnen beeldt de rechtvaardige daden der heiligen af.’” Het is thans voor deze grote schare de tijd om de lof van de Allerhoogste uit te bazuinen en bekend te maken dat Jehova Koning is, en dit geluid moet zo machtig in volume zijn, dat het met het geluid van vele wateren zal overeenkomen en gelijk zware donderslagen zal zijn. Alle Jehova’s getuigen zouden de vragen kunnen stellen: Is het geluid dat weerklinkt, zo sterk? en: Zullen wij het door de genade des Heren zo sterk maken?
6. In hoeveel landen was een toename van 50 procent of meer? In hoeveel 34 procent of meer? Welke vragen kunnen daarom worden gesteld?
6 Het is onloochenbaar dat de grote schare mensen en de grote menigte vee tot deze stad zonder muur worden bijeenvergaderd. Het is onloochenbaar dat wij de uitbreiding der Theocratie zien. Het is onloochenbaar dat Jehova God zijn volk beschermt alsof wij onder de schaduw van zijn hand waren. Het is onloochenbaar dat dit evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld wordt gepredikt. Doch, als dienstknechten des Heren, stellen wij ons zelf de vragen: Kunnen wij ons werk beter doen? Kunnen wij meer doen? Sporen wij alle „andere schapen” op en helpen wij ze op de juiste wijze? Bekijk de tabel die in deze uitgave verschijnt en merk op dat er in 28 landen een toename van 50 procent of meer in het aantal verkondigers is geweest. Moeten wij zeggen dat er in deze landen meer „schapen” zijn dan er thans in andere landen kunnen worden gevonden? Of moeten wij aannemen dat zij die in deze landen werken, ijveriger werken voor zover het nabezoeken, Bijbelstudiën en van huis-tot-huis-werk betreft? Worden er door de krachtsinspanningen die zij in het land waarin zij wonen, in het werk stellen, grotere resultaten geoogst omdat zij doeltreffender werken en de tijd nuttiger besteden? Zijn zij bij de mensen binnen, in de huizen, terwijl zij tot hen spreken en met hen studeren? of staan zij alleen maar op de hoek van de straat, houden de tijdschriften vast en zeggen niets? Gaan zij enthousiast van deur tot deur en spreken zij voortdurend tot hen die een horend oor hebben? Verrichten wij ons werk doeltreffend? Dit zijn allemaal vragen die wij ons zelf kunnen stellen. Wanneer wij het bericht over al deze landen nogmaals bekijken, bemerken wij dat 45 van de 115 landen een toename berichten van ten minste 34 procent of meer in het aantal verkondigers die in vergelijking met verleden jaar in deze landen gemiddeld elke maand in het veld stonden. Wij vragen ons af: Hoe kunnen zij zulk een schitterende toename hebben? Wederom kunnen dezelfde vragen worden gesteld.
PERSOONLIJKE ACTIVITEIT TOT TOENAME
7. Wanneer wij de Theocratie gedurende 1951 als nimmer tevoren willen zien uitbreiden, wat kunnen wij persoonlijk ons dan tot taak stellen?
7 Wanneer wij onze taak en de tot dusver bereikte resultaten bekijken, is de toename van gemiddeld 18 procent voor alle natiën schitterend; doch wanneer wij de Theocratie in de toekomst willen zien uitbreiden zoals wij dit nimmer tevoren hebben gezien, wat moeten wij dan gedurende het jaar 1951 doen? Een ieder van ons kan niet een halve of één derde verkondiger inbrengen, doch, als verkondigers van de nieuwe wereld, kunnen wij wel een ander schepsel helpen Gods voornemens te begrijpen en hem helpen aan het werk deel te nemen, door hem goed in de waarheid te onderleggen en hem te laten inzien welk een voorrecht hij heeft een dienaar van de Allerhoogste te zijn, mee te doen aan deze grote juichkreet die gelijk het geluid van donderslagen is, en een lofgezang te zingen dat Jehova Koning is. Door Jehova’s onverdiende goedheid zal vóór Armageddon een veel grotere schare dit lofgezang zingen, en Jehova’s getuigen zullen aan het bijeenvergaderen van hen deelnemen. Zou het dan niet goed zijn dat iedere Jehova’s getuige in deze tijd tracht gedurende het komende jaar ten minste één persoon te helpen voldoende kennis van de waarheid te verkrijgen, zodat hij wordt geholpen een geregelde verkondiger te worden? Het kan zijn dat wij vele studiën moeten leiden om één schepsel voor de Heer te winnen; doch wanneer wij dit kunnen doen en een ieder zich dit ten doel stelt, ongeacht het land, het gebied, de stad of het dorp waarin, of het platteland waarop hij woont, dan zal het aantal verkondigers tegen het einde van het dienstjaar zijn verdubbeld.
8. Welk doel met betrekking tot toename, kunnen wij behalve ons geregelde quotum nastreven, en met welk totaal aantal verkondigers tegen het einde van 1951?
8 Elke groep zal, evenals in vorige jaren, blijven streven naar het quotum van een 10 procent toename, doch ze zal het hierbij niet laten. Waarom zal, door de genade des Heren, iedere groep niet bovendien streven naar ten minste een toename van 34 procent boven het hoogste aantal verkondigers der groep? Met andere woorden, laat elke groep het hoogtepunt in het aantal verkondigers nemen dat ze gedurende het laatste jaar heeft gehad, 34 procent hierbij optellen en zich dat als quotum stellen voor het hoogtepunt dat gedurende het dienstjaar 1951 moet worden bereikt. Indien elke organisatie, groep, land of bijkantoor dit kan volbrengen, zal het betekenen dat wij tegen het einde van 1951 meer dan een half millioen bedienaren van het evangelie hebben die er belang in stellen dit goede nieuws van het Koninkrijk te prediken. Dat zal, om nauwkeurig te zijn, 500.396 mensen betekenen, voorzeker een grote schare, wier stem zal klinken gelijk vele wateren en gelijk zware donderslagen, terwijl zij bekendmaken dat „Jehova onze God, de Almachtige, is begonnen als koning te heersen”.
9. Door welk aantal mensen die het afgelopen jaar bijeenwaren, wordt aangetoond dat het mogelijk is? En wat moeten wij zoals Zacharia 8:23 te kennen geeft, doen?
9 Kunnen wij, daar wij de strijd van Armageddon naderen, verwachten dat zo iets geschiedt? Wanneer alle mensen van goede wil in Gods organisatie moeten worden bijeenvergaderd, dan is er geen enkele reden waarom wij het niet zouden kunnen verwachten. Neem als voorbeeld de getallen van het Gedachtenisfeest dat het afgelopen jaar werd gehouden. Er waren 511.203 mensen bijeengekomen om de dood des Heren te vieren. Waarom zouden wij elkaar niet als één man helpen hem als Koning bekend te maken? Wat bedoelde de profeet Zacharia, toen hij zeide: „Alzo zegt de HERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen [natiën], grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is” (Zach. 8:23, AV)? Hij bedoelde dat een grotere schare zich zou openbaren. Tien mannen zouden de slip grijpen van een geestelijke Israëliet of Joodse man, een getuige van Jehova, iemand die ijverig in de dienst is en de Heer volkomen is toegewijd, omdat zij zullen horen „dat God met ulieden is”. Zullen wij hun dan niet laten horen dat God met ons is en hun het bewijs er van aantonen? Het is zeer noodzakelijk dat wij het Koninkrijk bekendmaken, zodat allen die willen, in onze zegeningen kunnen delen en zich over de uitbreiding der Theocratie kunnen verheugen.
10. Welke speciale werkers zullen de groepen bijstaan dit doel te bereiken en in welke aantallen?
10 De groepsorganisaties over de gehele wereld zullen worden bijgestaan door de 14.093 pioniers, die in alle delen der wereld al hun tijd in de dienst besteden. Onder deze groep treffen wij 779 zendelingen aan die zich in 79 landen buiten de Verenigde Staten van Amerika bevinden. Met hun hulp zal de toename van 34 procent boven het hoogtepunt van het afgelopen jaar gemakkelijker worden verkregen, in het bijzonder daar er 511.203 mensen zijn die naar ons Gedachtenisfeest zijn gekomen. Het Genootschap zendt meer afgestudeerde leerlingen van zijn Gileadschool uit en zal dit blijven doen zolang de Heer in de geldmiddelen voorziet om hen in hun zendingsgebieden te ondersteunen. Zij zijn, evenals alle dienstknechten van God, geoefend om te helpen in het grote bijeenvergaderingswerk dat thans aan de gang is.
11. Welke hoeveelheden lectuur zijn voor de mensen verkrijgbaar gesteld? Welke verantwoordelijkheid rust derhalve op ons?
11 Opdat de toename kan worden bewerkstelligd, moet de boodschap van het Koninkrijk rechtstreeks tot de mensen worden gebracht, hetzij in de vorm van de Bijbel of van de andere publicaties zoals wij ze drukken. Op dit gebied is er goed werk verricht, want in het jaar 1950 werden er 15.954.418 gebonden boeken en brochures verspreid, tezamen met 17.376.611 tijdschriften (Wachttoren en Ontwaakt!), die nog kwamen bij de 622.094 jaarabonnementen welke werden genomen. Dit betekent dat de mensen goed met lectuur zijn gevoed, maar de vraag is: Zijn wij op de juiste wijze in het offensief gebleven, ten einde de toename der Theocratie tot stand te brengen? Wij kunnen het niet bij het verspreiden van lectuur laten, doch wij moeten de mensen voortdurend en geregeld bezoeken en met hen studeren. Er zijn in de gehele wereld millioenen traktaten en strooibiljetten verspreid. In werkelijkheid blijkt dat het Genootschap in al zijn drukkerijen een totaal aantal van 12.650.267 Bijbels, boeken en brochures heeft gedrukt. Wat de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! betreft, het totale aantal van deze tijdschriften bedroeg gedurende het jaar 46.084.937. Het Watch Tower Bible and Tract Society kan meer drukken wanneer er uit het veld een roep om meer lectuur komt, en niets zou de leden van de bijkantoren gelukkiger maken dan dat dit zou gebeuren. Behalve het drukken van al deze lectuur, kwamen er 242.215.027 andere stuks drukwerk van de persen, zoals strooibiljetten en aanplakbiljetten die voor het aankondigen van openbare vergaderingen worden gebruikt, en ook de Informateur, brieven, brievenhoofden, enz. Deze lectuur is verkrijgbaar, en wat de mensen der wereld betreft, de meerderheid van hen kan met het goede nieuws worden bereikt. Het volk des Heren is er, terwijl zij het Woord prediken, verantwoordelijk voor hun dit goede nieuws te brengen, en, door Jehova’s genade, zullen zij dat doen.
GETROUW VOLHARDEN
12. Door wie heeft God in deze laatste dagen gesproken, en waarom betaamt het ons op de bevelen van die ene acht te slaan?
12 Jehova’s getuigen weten dat de Oppermachtige van het universum lang geleden tot de getrouwe mensen uit de oudheid heeft gesproken en dat hij tot hen heeft gesproken door middel van de profeten. Doch thans, aan het einde van dit oude samenstel van dingen, spreekt hij tot ons door middel van zijn Zoon, die hij tot erfgenaam van alles heeft aangesteld (Hebr. 1:1, 2). Wij bezitten een bericht van hetgeen hij heeft gezegd en wij kunnen het bestuderen. Dat niet alleen, de grootste gebeurtenis in de historie is geschied, namelijk, Christus Jezus is op zijn troon geplaatst en heerst als Jehova’s koning! Hij is de weerspiegeling van Gods heerlijkheid en de nauwkeurige afbeelding van zijn wezen. Hij is veel beter dan de engelen, omdat hij een naam heeft geërfd die uitnemender is dan de naam die welke van deze engelen ook, bezit. Wanneer datgene wat de engelen zeiden, is gebeurd, dan zullen de gezegden van de Zoon van God met nog meer zekerheid worden vervuld. Wij moeten stellig naar zijn geboden luisteren en ze doen.
13. Waarom dienen wij, wat de uitbreiding der Theocratie aangaat, ijveriger te zijn dan ooit?
13 Op bevel van de Zoon van God trekken Jehova’s getuigen er op uit en maken zij de boodschap van het Koninkrijk bekend. Paulus, als woordvoerder van God, zeide ons in Hebreeën 2:1 (NW): „Daarom moeten wij meer dan gewone aandacht schenken aan hetgeen wij horen, opdat wij nooit zullen afwijken.” Wij moeten in gedachten houden dat degene die spreekt en aanwijzingen geeft, de eniggeboren Zoon van God is. Wij dienen in zijn voetstappen te wandelen en zijn voorbeeld te volgen, door het Woord te prediken. Het is er thans niet de tijd voor laks en onverschillig te worden en te denken dat de strijd van Armageddon veraf is. „De overgebleven tijd is verkort” (1 Kor. 7:29, NW). Hij onthulde de apostelen het teken van het einde dezer wereld en van zijn tweede tegenwoordigheid, en wij bezitten het bewijs dat hij onzichtbaar aanwezig is. Een van de tekenen van zijn tegenwoordigheid is het grote predikingswerk. Derhalve moeten Jehova’s dienstknechten op aarde, wat de uitbreiding der Theocratie aangaat, ijveriger zijn dan ooit. „Doe uw uiterste best om u goedgekeurd aan God te vertonen, een werkman die niets heeft waarover hij zich behoeft te schamen, terwijl gij het woord der waarheid goed hanteert.” — 2 Tim. 2:15, NW.
14. Wat zoeken wij eerst, en in welke bijeenvergadering stellen wij derhalve in hoofdzaak belang, en waar?
14 Jezus zeide: ’Zoekt gijlieden eerst het koninkrijk der hemelen, en al deze dingen zullen u worden toegevoegd’; wij moeten derhalve vervuld zijn van deze ene allerbelangrijkste gedachte eerst het Koninkrijk te zoeken, en dit dan tot aan het einde blijven doen. Daarom zei Paulus tot Timotheüs: „Juist om die reden herinner ik u er aan, de gave Gods die in u is doordat ik mijn handen op u heb gelegd, als een vuur aan te wakkeren. Want God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar die van kracht en van liefde en van een gezond verstand. Word daarom niet beschaamd voor het getuigenis omtrent onze Heer, noch voor mij, een gevangene ter wille van hem, doch neem uw aandeel op u in het lijden van kwaad ter wille van het goede nieuws overeenkomstig de kracht van God” (2 Tim. 1:6-8, NW). Wij moeten vervolging verwachten; wij kunnen gevangenschap verwachten, evenals Paulus, die een tijd in de gevangenis doorbracht. Wij kunnen verwachten vele getrouwen te vinden, ook al bevinden zij zich achter totalitaire ijzeren gordijnen, waar zij met geweld uit de gemeenschap met de rest van Gods volk zijn gebannen. Wij kunnen verwachten enige getrouwen te vinden wanneer wij in concentratiekampen zijn of door geweld van het gepeupel worden geteisterd. Dit ene weten wij zeker: wij kunnen van deze goddeloze wereld geen vriendelijkheid verwachten, want deze oude wereld is Gods koninkrijk niet gunstig gezind. Jezus zeide „Mijn koninkrijk is geen deel dezer wereld” (Joh. 18:36, NW). En wij weten dit ook. Wij zijn voor deze toestanden gewaarschuwd, en ondanks al deze toestanden zullen wij alleen belangstellen in de bijeenvergadering van de „andere schapen”, want dit is ter rechtvaardiging van Jehova’s naam.
15. Welke regel van getrouwheid dienen wij thans toe te passen, en met het oog op welke toekomstige eisen die de dienst aan ons stelt?
15 Indien wij thans mensen van goede wil in de stad zonder muur moeten bijeenvergaderen omdat het Jehova’s tijd is, en wel ten getale van 34 procent boven het hoogtepunt van het vorige jaar, wensen Jehova’s getuigen voorbereid te zijn ten einde voor hen te kunnen zorgen. Door de goedertierenheid van God zijn zijn dienstknechten tot nu toe getrouw geweest in het werk dat hun is toevertrouwd, en wij denken aan Jezus’ woorden die in Lukas 16:10 (NW) staan opgetekend: „De mens die getrouw is in het minste, is ook in veel getrouw, en de mens die onrechtvaardig is in het minste, is ook in veel onrechtvaardig.” Zij die met de getrouwe dienst van de Allerhoogste zijn begonnen, moeten in al hun werk, groot of klein, getrouw zijn. Het zich kwijten van de kleine onderdelen die met het getuigenisgeven van huis tot huis in verband staan, is even noodzakelijk voor getrouwheid als het zorgen voor een grote groep. Wij hebben een groter werk voor ons liggen, de bijeenvergadering van een grote schare der „andere schapen”, want thans komen zij in grotere aantallen binnen dan ooit tevoren en wij moeten hen kunnen ontvangen. Zullen wij terugkrabbelen en zeggen dat het te veel voor ons is wanneer tien mensen onze klederen vastgrijpen en onze tijd opeisen om hun de waarheid te vertellen, omdat zij over onze God hebben gehoord en hebben gehoord dat hij met ons is? Neen! Wij zullen verheugd zijn dat zij hebben ingestemd in het lied: „Looft Jah, gijlieden, omdat Jehova onze God, de Almachtige, is begonnen als koning te heersen.” — Openb. 19:6, NW.
16. Met welke verzekering dat wij worden beschermd, gaan wij voort?
16 Wanneer deze duizenden, ja, misschien millioenen, op de een of andere dag vóór Armageddon in Jehova’s stad zonder muur komen, zal hij hen beschermen, het doet er niet toe waar zij zich ook op de aardbodem bevinden. Wanneer de tegenstanders van Jehova’s koninkrijk een van deze kleinen van hem kwaad doen, is het alsof zij de appel van zijn oog aanraken, want „Jehova kent degenen die hem toebehoren”. Met deze verzekering gaan Jehova’s getuigen voort in het grootse werk dat in het prediken van het goede nieuws van Jehova’s koninkrijk bestaat, alles tot eer van hem en in waarachtige aanbidding van onze Souvereine Heer.
[Tabel op blz. 26, 27]
HET BERICHT OVER HET DIENSTJAAR 1950 VAN JEHOVA’S GETUIGEN OVER DE GEHELE WERELD
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)