Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w51 15/1 blz. 20-24
  • De uitbreiding der Theocratie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De uitbreiding der Theocratie
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE VLUCHT UIT HET GROTE BABYLON
  • EEN GROTE SCHARE KONDIGT HET KONINKRIJK AAN
  • Het zichtbare gedeelte van de herstelde stad meten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Groei en bescherming van Gods hoofdorganisatie
    Het herstel van het Paradijs voor de mensheid — door de Theocratie!
  • Thans als een maatschappij der Nieuwe Wereld leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Nog meer bevrijdingsprofetieën zullen in vervulling gaan
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
w51 15/1 blz. 20-24

De uitbreiding der Theocratie

1. Waarom had de jongeling een meetsnoer? Wat moest de engel tot hem zeggen?

DE PROFEET Zacharia, een schepsel dat door Jehova werd gebruikt, had een visioen van een man met een meetsnoer. Volgens het bericht hetwelk in het tweede hoofdstuk van Zacharia staat opgetekend, wordt ons verteld dat deze jongeling met een meetsnoer in zijn hand, heenging om Jeruzalem te meten en te zien hoe breed en hoe lang de stad was. Juist toen de engel die tot de jongeling sprak, wegging, trad er een andere engel te voorschijn, die hem tegemoetging en zeide: „Loop, spreek tot dien jongeling het volgende: Zonder muur zal Jeruzalem bewoond worden, zoo talrijk zullen de menschen en het vee zijn [vanwege de menigte mensen en beesten] die haar bewonen. En ik zal voor haar, zegt de Heer, een muur van vuur zijn rondom haar; en ik zal hare heerlijkheid zijn in haar midden” (Zach. 2:4, 5, Belg. PB, AV). Deze jongeling stelde voorzeker belang in Jeruzalem, anders zou hij er geen tijd voor hebben genomen om te weten te komen hoe breed of hoe lang de stad was.

2. Wie wordt door de jongeling afgebeeld? Waarom heeft de stad geen muur?

2 In deze tijd vinden wij op aarde een groep Christelijke mannen en vrouwen die, gelijk deze jongeling, oprecht belangstellen in het Jeruzalem dat boven is en dat de moeder van ons allen is (Gal. 4:26). Zij stellen werkelijk belang in Gods organisatie en in de expansie er van. Deze stad is niet door muren begrensd. Neen, ze is een stad die zich uitbreidt, gelijk een stad zonder muur. Het zou vanwege de voortdurende groei der stad, welke groei aan de binnenkomende scharen is toe te schrijven, moeilijk zijn nauwkeurige opmetingen te doen. De klasse van getrouwe Christenen die door deze jongeling wordt afgebeeld, was gedurende de jaren van 1914 tot 1918 een nogal kleine organisatie, want toen was er slechts een overblijfsel van Gods getrouwe volk, dat werkelijk de profetieën onderzocht en hun betekenis trachtte vast te stellen, ten einde te weten te komen wat voor werk zij in deze grote organisatie Jeruzalem zouden moeten verrichten. Zij wilden de afmeting er van en zij wensten meer over Gods werk te weten.

3. Op welke wijze verschilde de belangstelling der wereldse religie-aanhangers van die der „jongeling”-klasse?

3 De wereld was ten strijde getrokken. Natie was tegen natie opgestaan en koninkrijk tegen koninkrijk. Zoals in Mattheüs hoofdstuk 24 was voorzegd, was er op verschillende plaatsen op aarde, van het ene einde tot het andere, ziekte, droefheid en lijden. De natiën en volkeren der aarde waren buitengewoon zelfzuchtig en stelden alleen belang in het verkrijgen van datgene wat zij wensten. Zij hadden geen tijd voor God noch trachtten zij te voldoen aan de eisen die door Gods beginselen van waarheid en rechtvaardigheid worden gesteld. Zelfs de religie-aanhangers van de grote Protestantse en Katholieke organisaties en van de Joodse en heidense religieuze orden werden in de aangelegenheden der wereld betrokken, waarna zij hun aandacht aan de Volkenbond en de problemen van dit oude, stervende samenstel van dingen wijdden. Vergeten was de verklaring in het Woord van God: „Al wie derhalve een vriend der wereld wil zijn, stelt zich tot een vijand van God” (Jak. 4:4, NW). Neen, de natiën der aarde hadden geen tijd het koninkrijk van God als de enige hoop voor de mensheid te zoeken. Dit zoeken werd aan een overblijfsel van Gods volk overgelaten, dat uit slechts enkele getrouwe navolgers bestond, die door deze jongeling in het visioen van Zacharia werden afgebeeld. Zij waren bereid het meetsnoer in Gods organisatie te gebruiken.

4. Hoe begon de organisatie zich, na 1918, gelijk een stad zonder muur uit te breiden?

4 Deze stad Jeruzalem moest niet gelijk een ommuurde stad zijn, die begrensd was, zodat niemand in of uit kon gaan wanneer de poorten waren gesloten, maar Jeruzalem zou gelijk een stad zonder muur zijn, zonder begrenzingen. Het zou een stad zijn die groeide vanwege de menigte mensen en beesten welke haar zouden komen bewonen. Ze zou zich blijven uitbreiden en steeds meer nieuwe terreinen beslaan. Dát geschiedt thans met Gods organisatie. Van 1918 af is dit kleine overblijfsel van Gods volk gedurig blijven bekendmaken dat het koninkrijk van God is nabijgekomen. De natiën stelden geen belang in dat koninkrijk. Ze waren er tegen gekant. Doch duizenden mensen van goede wil uit al deze natiën luisterden daarentegen naar de boodschap van Gods gezalfden en zij kwamen tot Gods organisatie, Jeruzalem, deze zich uitbreidende stad, en binnenin deze stad zochten zij naar raad en onderricht. Volgens de berichten van het Genootschap waren er destijds, in het jaar 1918, slechts 3868 mensen die de boodschap van het Koninkrijk aan de volken der wereld bekendmaakten en hen uitnodigden toevlucht, bemoediging en vertroosting binnenin Jeruzalem te zoeken. De geest des Heren rustte op deze kleine groep getrouwe dienstknechten terwijl zij gestadig predikten en de einden der aarde met dit goede nieuws bereikten. Het duurde niet lang of vele mensen die luisterden en met Jehova’s getuigen studeerden ten einde iets omtrent Jehova te vernemen, namen hun plaats in aan zijn zijde. De stad bleef groeien.

5, 6. Hoe bleef Jesaja 54:2, 3 ondanks de tweede Wereldoorlog in vervulling gaan? Hoe werd het „één kudde, één herder”?

5 Toen de natiën der wereld hun tweede Wereldoorlog begonnen en een grotere gelijkschakeling en een totalitaire heerschappij onder de mensen tot stand brachten, ging dit overblijfsel tezamen met de mensen van goede wil toch voort het Woord te prediken. Tegenwoordig zien wij dat nog grotere aantallen mensen van wie Jehova weet dat zij hem toebehoren, in deze stad zonder muur worden bijeenvergaderd. Geschiedt thans niet datgene wat eeuwen geleden door Jesaja, de profeet, in hoofdstuk 54 vers 2, 3, werd vermeld: „Maak de plaats uwer tent wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen [natiën, LV] erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen”? Jehova’s getuigen zien dat dit uitbreidingswerk voortgaat. Zij wonen in de stad die groeit.

6 Bij deze grote „menigte mensen” bevindt zich veel vee, en dit kan een passende afbeelding zijn van de voorspoed waarin Gods organisatie zich verheugt. Christus Jezus zeide: ’Ik heb andere schapen, die niet van deze stal zijn; deze schapen moet ik ook toebrengen, zodat er één kudde, één herder zal zijn.’ Christus Jezus is de Goede Herder van deze grote organisatie, die hij vlak voor de strijd van de grote dag des Almachtigen Gods, dat is Armageddon, volledig bijeenvergadert.

7. Wie zullen nog worden gevonden en ’op het voorhoofd worden getekend’, en waarom?

7 Thans, in 1951, zien wij dat het overblijfsel van Gods volk met de grote schare, die door de gezalfde klasse op hun voorhoofd zijn getekend, samenwerkt. De profeet Ezechiël (9:1-11) heeft ons een beeld gegeven van de man met de schrijversinktkoker, die de stad doorging en hen die zuchtten en jammerden over de gruwelen welke in hun stad of organisatie bestonden, op het voorhoofd tekende. Er zijn stellig duizenden mensen die zuchten en jammeren vanwege de verschrikkelijke toestanden die in de Christenheid en in de gehele wereld bestaan en die vertroosting, waarheid en bemoediging zoeken, en hun aantal kan nog wel eens in de millioenen lopen. Dezen zullen worden gevonden, hierover bestaat geen twijfel, omdat, zoals Paulus zeide, ’Jehova degenen kent die hem toebehoren’.

8. Waarom zijn zij die in de organisatie komen, niet bevreesd wegens het feit dat ze geen werkelijke muren heeft?

8 De Goede Herder van Jehova God, Christus Jezus, verricht in deze tijd het bijeenvergaderingswerk, en hij heeft zijn volk op aarde het werk toegewezen dat bestaat in het prediken van het goede nieuws over de nieuwe wereld, die haar intrede doet. Dit goede nieuws trekt de zachtmoedigen tot Gods Woord en dat brengt hen dichter tot Jehova. Daar zij tot deze stad zonder muur zijn gekomen, op God vertrouwen en geloof in zijn Woord hebben zijn zij niet bevreesd voor wat hun zou kunnen overkomen. Zij zijn er zeker van dat zij worden beschermd. Heeft God de gemeente Israëls er niet voor kunnen beschermen te worden verzwolgen in de aardverschuiving waardoor de ontrouwe wederspannigen werden weggevaagd? Heeft God Noach en zijn gezin niet door de vloed heen kunnen bewaren? Welnu, kan Jehova God dan niet degenen beschermen die in deze stad zonder muur zijn gekomen? Dit kan hij stellig! Want, zoals door het visioen van Zacharia wordt te kennen gegeven: „Ik zal . . . een muur van vuur zijn rondom haar; en ik zal hare heerlijkheid zijn in haar midden.” Daarom erkennen zij die tot de organisatie des Heren, Jeruzalem, zijn gekomen, Jehova dus als hun God en Jeruzalem als zijn organisatie, en zij voelen zich veilig omdat God hun beschermer is. Zij behoeven niet te vertrouwen op de muren of de bolwerken die natiën dezer wereld hebben opgetrokken ten einde zich te beschermen, want „Jehova kent degenen die hem toebehoren”.

9. Wie is de heerlijkheid in het midden der organisatie en waarom?

9 Jehova zelf is de heerlijkheid van deze gehele organisatie, het Jeruzalem dat boven is, zijn vrouw, want hij heeft gezegd: „Ik zal hare heerlijkheid zijn in haar midden.” Jehova God heeft in deze laatste dagen der oude wereld deze organisatie opgebouwd en hij heeft de uitbreiding der Theocratie teweeggebracht. De groei en pracht van deze organisatie zijn niet aan de een of andere mens of aardse organisatie te danken. Hij, door middel van zijn Zoon, vergadert de „andere schapen” bij honderdduizenden bijeen en vormt een grote stad. Jehova geeft haar zijn zegen en bescherming. Deze mensen in de grote stad zijn niet lui, doch zij gaan voort tot aan de einden der aarde de boodschap van Gods koninkrijk te verbreiden en te prediken, zodat allen zullen weten dat Jehova de Oppermachtige van het universum is en dat de rechtvaardiging van zijn naam en woord ophanden is.

DE VLUCHT UIT HET GROTE BABYLON

10, 11. Welke roep tot zijn volk in Babylon, is weerklonken? Op welke wijze is er acht op geslagen en door wie?

10 In het zesde vers van deze profetie van Zacharia weerklinkt de roep: „O, o! vliedt uit het land van het Noorden.” Dit is een godsspraak van de Heer of een rechtstreeks bevel van hem. „Want gelijk de vier winden der hemelen heb ik u wijd en zijd verstrooid . . . O! Zion, bevrijdt u, — gij die bij de dochter van Babylon woont. . . . Voor zijn eigen eer heeft hij mij tot de natiën gezonden die u plunderen, — Voorzeker hij die u aanraakt, raakt de appel van mijn oog aan.” — Zach. 2:6-8, AV, Ro.

11 Het is aan Gods barmhartigheid en goedertierenheid te danken dat hij het overblijfsel uit de natie van het Noorden, dat is Babylon, heeft bijeenvergaderd. Ergens anders heeft hij verklaard: ’Gaat uit van haar mijn volk, en deelt niet in haar plagen, en wordt niet met haar zonden bevlekt’ (Openb. 18:4). Hij heeft er op toegezien dat het overblijfsel van zijn volk, Zion, uit deze goddeloze door de Duivel geregeerde wereld naar een plaats van veiligheid in zijn stad vlucht, tezamen met zijn „andere schapen”, die thans te voorschijn komen. De heersers der wereld hebben getracht alle mensen der natiën gelijk te schakelen en dwingen hen hun zelfzuchtige bevelen te gehoorzamen. God beveelt echter dat zij uit Babylon zullen vlieden en een vrij volk worden zo niet lichamelijk, dan toch wat hun geweten betreft; en zij gehoorzamen dit bevel! Zij treden uit de onderdrukking, dienstbaarheid en zondige levenswijze van Babylon te voorschijn. Zij zijn niet langer slaven van deze goddeloze organisatie. Zij zullen aan de keizer geven wat van hem is, doch niet wat God toebehoort! Hun ogen zijn voor een nieuwe wereld en voor een genootschap van de Nieuwe Wereld geopend. „Voor deze vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Staat daarom pal en laat u niet wederom een slavenjuk opleggen.” — Gal. 5:1, NW.

12. In welk opzicht zijn zij niet met slechts vrijheid voor zichzelf tevreden?

12 Zij die reeds van de onderdrukking van Babylon zijn bevrijd, ook al vertoeven zij in sommige gevallen nog in gevangenissen, werkkampen of concentratiekampen, zijn er niet mee tevreden deze vrijheid voor zichzelf te houden. Bij iedere gelegenheid zullen zij tot vreemdelingen spreken, ondanks dat zij lichamelijk nog in Babylon gevangen zijn. Zij zullen vreemdelingen helpen de weg des levens duidelijk te zien door hen uit dit oude stelsel te geleiden en in een nieuw stelsel te brengen dat tot eeuwig leven leidt. Paulus zeide in Hebreeën 13:1: „Laat uw broederlijke liefde blijven. Vergeet de welwillendheid tegenover vreemdelingen niet.” — NW.

13. Hoe vindt Jehova het wanneer vervolgers zijn volk aanraken? Maar waarom laat hij het toe?

13 Jehova zal voor degenen die ongerechtigheid laten varen en zich volkomen aan zijn zijde scharen, zorgen als voor de zijnen, want „Jehova kent degenen die hem toebehoren”. Wanneer iemand dezen, die hij heeft verkozen en gezegend, aanraakt, is het alsof men de appel van zijn oog aanraakt. Jehova’s organisatie, het vrije Jeruzalem, is onze moeder en ze staat de Heer het dichtst na. Hij heeft Jeruzalem geschapen en heeft het gemaakt opdat hij er door zou worden geëerd. Het enige lot dat de mensen of de natiën die tegen God of zijn getuigen strijden, wacht, is een rampspoedig einde. De getuigen behoren hem toe en te bestemder tijd zal hij het oordeel over de tegenstanders voltrekken. Dit betekent niet dat Jehova enkelingen of een onderdeel van zijn organisatie voor letsel zal vrijwaren. Hij doet dit niet, opdat de mensen die er bij zijn betrokken, hun onkreukbaarheid en getrouwheid zullen kunnen bewijzen. Hij zal echter nota nemen van de overtreders en terzelfder tijd geeft hij ons de raad: „Indien mogelijk, voor zover het van u afhangt, zijt vredelievend jegens alle mensen. Wreekt u niet, geliefden, doch geeft plaats aan de toorn; want er staat geschreven: ’De wraak behoort mij toe ik zal vergelden, zegt Jehova.’” — Rom. 12:18, 19, NW.

14. Hoe heeft hij getoond dat hij vooruit wist op welke wijze wij zouden worden behandeld? Welk bijeenvergaderingswerk gaat desondanks voort?

14 Jehova slaat datgene wat er in zijn gehele organisatie geschiedt, gade. Hij weet hoe zijn volk zal worden behandeld. „Bovendien zult gij zelfs door ouders en broeders en familieleden en vrienden worden overgeleverd, en zij zullen sommigen van u ter dood brengen, en gij zult om mijns naams wil voor alle mensen voorwerpen van haat zijn. En toch zal in geen geval een haar van uw hoofd vergaan” (Luk. 21:16-18, NW). Ter rechtvaardiging van Jehova’s naam zal er juist een groter getuigenis dan ooit worden gegeven. Wij leven in de laatste dagen dezer oude wereld en wij moeten dit alles verwachten. Het is thans de tijd om ter wille van zijn naam een grote schare bijeen te vergaderen, en deze schare wordt met haast van de einden der aarde bijeenvergaderd. Derhalve weerklinkt er tot de einden der aarde, tot alle inwoners van Babylon die zuchten en jammeren, een dringende, luide roep om uit Babylon te vlieden en te ontkomen aan de onderdrukkende handelingen die het thans verricht en de volledige vernietiging die hem nog wacht. Indien gij de Heer liefhebt, zoekt dan zijn bescherming en komt tot zijn stad, de stad zonder muur, want Jehova is een muur van vuur rondom haar. Hij heeft hen die zich in deze stad bevinden, lief, en een van zijn getrouwe dienstknechten aanraken, staat gelijk met het aanraken van zijn oogappel.

15. Wat zal hij binnenkort met de natiën doen? Wat wordt ons daarom bevolen te doen?

15 De tijd waarin Jehova God de natiën zal teisteren en ze zal vernietigen, is niet heel ver meer af. Toen er aan Jezus werd gevraagd wat het teken van het einde dezer wereld zou zijn, deelde hij zijn apostelen vele dingen mede waarnaar zij konden uitzien, en wij zien deze dingen tegenwoordig in vervulling gaan. Daarom zal Armageddon niet lang meer uitblijven. Zij die de Heer hebben leren kennen, kunnen handelen in overeenstemming met het bevel: „Verheug [Juich van vreugde] en verblijd u, dochter van Sion: Want zie, Ik kom, om in uw midden te wonen: Is de godsspraak van Jahweh; op die dag sluiten talrijke volken zich bij Jahweh aan, en worden mijn [zijn] volk! Dan zal Ik in uw midden wonen, en gij zult weten, dat Jahweh der heirscharen mij heeft gezonden! Jahweh zal Juda . . . bezitten” (Zach. 2:10-12, PC, AV). Gelooft gij dit? Wilt gij, zult gij aan anderen vertellen hetgeen gij weet? Wilt gij en zult gij geduld en volharding tonen terwijl gij het hun vertelt?

16. Wij zullen de mensen helpen om welke beslissing te nemen? Waarom en hoe?

16 Het is voor iemand moeilijk om te besluiten wat hij wenst te doen: zich ophouden met deze oude stervende wereld met haar rijkdommen, genoegens en tegenwoordige populariteit; of, zoals hij het uitdrukt, „een kans wagen” op de nieuwe wereld. Wilt en zult gij die God kent en die met zijn Woord vertrouwd zijt, uw geloof tonen door goede werken? Wanneer iemand het Woord van God bestudeert en kent en dit Woord gelooft, is het geen kwestie van een kans wagen. Het is een kwestie van zeker weten wat het resultaat zal zijn. Wanneer gij er zeker van zijt, zult gij trachten anderen die bereid zijn Babylon te verlaten, te overtuigen. Wanneer iemand vliedt uit de oude wereld en uit de natiën die hem beroven, wat zal dan het resultaat zijn? In de eerste plaats betekent het dat hij er voor in aanmerking komt eeuwig leven te ontvangen. Hij zal de gelegenheid hebben de Allerhoogste God, zijn Schepper, eeuwig te aanbidden. Doch opdat hij de zegeningen van dit leven zal kunnen ontvangen, moet hij de Zoon, Christus Jezus, aannemen, want de schriftuurplaats zegt dat een ieder die in Hem gelooft, het eeuwige leven zal kunnen verkrijgen. Zult gij als een Christen hem bij het leren hiervan, gaan helpen? Het zal niet gemakkelijk zijn; het zal van beide zijden geduld en tijd vereisen.

17, 18. Wat is de houding van de wereld waarin wij leven? Aan welke zijde moeten wij toch onze plaats innemen, en in navolging van wie

17 Wij allen moeten er aan denken dat wij in een oude wereld leven, de wereld die tegen de oprichting van Gods koninkrijk is gekant. Eeuwenlang reeds is ze tegen het Koninkrijk gekant geweest. Zelfs toen de Koning Christus Jezus op aarde was en zijn wonderbaarlijke prediking verrichtte, zorgden de natiën der wereld er voor dat hij ter dood werd gebracht en werd verdelgd doordat hij aan een paal werd genageld. Hij stierf als een veroordeelde zondaar, als een opruier, een man die tegen de Romeinse regering van de keizer was en die werd gehaat door dezelfde religieuze Joden die de Messias zochten. Hij was iemand die grote vervolging doorstond. Het was voor de Koning Christus Jezus niet gemakkelijk in deze oude wereld te leven. Hij wist dat zij er op uit waren hem te doden, en zij deden dit ten slotte ook, doch dit verschrikte hem niet. Hij had zijn werk te verrichten, en, ten einde de grootste getuige aller tijden voor de naam en het woord van de Almachtige God te worden, verrichtte hij het.

18 De getrouwe navolgers van Christus Jezus moeten een soortgelijke handelwijze volgen. Hieromtrent bestaat geen twijfel. Zij moeten vóór Jehova’s koninkrijk zijn. Zij wensen niet langer door de natiën te worden beroofd en er door te worden onderworpen, derhalve vlieden zij uit deze oude wereld van Babylon met haar duivelse heerschappij en zij stellen zich onder de heerschappij van de Koning des hemels, Christus Jezus, van wie zij weten dat hij thans in de hemelen heerst. Hij werd in 1914 door Jehova God op zijn troon geplaatst en als heerser aangesteld.

EEN GROTE SCHARE KONDIGT HET KONINKRIJK AAN

19. Wat wordt thans als een vervulling van Openbaring 19:6 door een grote schare gezegd en waarom?

19 Welk een wonderbaarlijke gebeurtenis is er geschied! Wij bemerken dat er tegenwoordig een grote schare mensen is die naar de boodschap van het Koninkrijk hebben geluisterd en die zeggen: „Looft Jah, gijlieden, omdat Jehova onze God, de Almachtige, is begonnen als koning te heersen” (Openb. 19:6, NW). Ja, de tijd voor de rechtvaardiging van Jehova’s naam is aangebroken, en zij die uit de Babylonische organisatie zijn gevloden, erkennen dat Jehova koning is geworden doordat hij zijn Zoon op de troon heeft geplaatst, ten einde in het midden zijner vijanden te heersen. De tijd waarin wij leven, is een tijd van verheuging.

20, 21. Wat was de uitwerking van de wonderen die voor de apostelen en hun metgezellen werden verricht? Op welke wijze werden zij zelfs verkeerd begrepen en werden zij het slachtoffer van misnoegen?

20 In de eerste dagen van de kerk gaf Jehova God door middel van zijn heilige geest of werkzame kracht de apostelen de macht wonderen te verrichten, en dit trok vele mensen tot de boodschap en tot hetgeen de apostelen zeiden. Aan deze speciale of wonderbaarlijke gaven kwam echter bij de dood der apostelen een einde en wij bemerken dat ze tegenwoordig niet meer werkzaam zijn.

21 Gij zult u het bericht in Handelingen 14 herinneren, waar staat dat de apostelen Paulus en Barnabas het goede nieuws predikten en een wonder hadden verricht. Nadat het volk de wonderen had gezien die door deze mannen waren verricht, wilden zij hen goden maken, want zij dachten dat de goden des hemels naar de aarde waren gekomen en mensen waren geworden. „Toen de apostelen Barnabas en Paulus dit echter hoorden, scheurden zij hun bovenklederen en sprongen midden onder de schare, terwijl zij uitriepen en zeiden: ’Mensen, waarom doet gij dit? Wij zijn ook menselijke schepselen en hebben dezelfde zwakheden als gij, en maken het goede nieuws aan u bekend, opdat gij u van deze ijdelheden tot de levende God kunt keren, die de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is, heeft gemaakt’” (Hand. 14:14, 15, NW). Paulus en Barnabas kenden zich niet de eer toe dit wonder zelf te hebben verricht. Zij wisten dat het door de macht van God tot stand was gekomen, en derhalve gaven zij alle eer aan hem. Zij vertelden hun omstanders dat hij die hen bij het verrichten van dit wonder had geholpen, de Schepper van hemel en aarde was, en dat zij zelf slechts gewone menselijke schepselen waren. Het gehele doel dat zij met het prediken en met het verrichten van het wonder beoogden, was, de mensen tot de enige waarachtige God te keren en niets anders. Zij wilden de mensen aantonen dat hun heidense goden in de tempels waar de heidenen offeranden brachten, geen levende goden waren die aanbidding waardig waren. Zij stelden de waarheid uit Gods Woord tegenover valse religie. Ook al waren zij oprecht en eerlijk en ook al trachtten zij de mensen goed te doen, toch werden zij op andere plaatsen waar zij gedurende hun reizen kwamen, zeer door hen vervolgd en nagezet; dit geschiedde wegens de wonderen die zij verrichtten en in het bijzonder wegens de boodschap die zij predikten. Niettemin verkreeg de waarheid in die eerste dagen vaste voet.

22. Hoe staat het in deze tijd met dergelijke wonderen? Wat hebben wij van de natiën te verduren, en toch tonen wij aan dat volharding wat bewerkt?

22 Hetzelfde is in deze tijd met de bedienaren van het evangelie het geval. Het goede nieuws wordt nog steeds gepredikt, en hoewel zij niet de macht bezitten wonderen te verrichten, hebben zij wel de volmacht en de opdracht van God ontvangen dit evangelie tot aan de einden der wereld te prediken. Het volk des Heren is van de Babylonische organisatie en van de natiën die hen beroofden, bevrijd. Omdat zij uit deze organisaties zijn gevlucht, worden zij door de Babyloniërs gekweld. O ja, zij zijn nog in de wereld, doch zij vormen er niet langer een deel van. Zij zijn tot de stad zonder muur onder Jehova’s bescherming gekomen en zij weten dat ’Jehova degenen kent die hem toebehoren’. De getrouwe navolgers van Christus Jezus zullen ongeacht verdrukking naar rechtvaardigheid en goddelijke toewijding streven. Zij zullen alle druk die op hen wordt uitgeoefend, verduren, want zij weten dat evenals Christus en de apostelen werden vervolgd en het werd toegelaten dat zij vele beproevingen en verdrukkingen moesten doorstaan, ook zij in deze tijd hetzelfde moeten ondergaan, en alleen door volharding zullen zij de overwinning kunnen behalen. Jehova’s getuigen beogen de mensen te helpen; daarom moeten zij volhouden.

23. Met welke hoedanigheden moeten wij in het predikingswerk volharden? Waarom?

23 Toen Paulus aan Timotheüs schreef, vestigde hij er de aandacht op dat wij geloof, liefde en volharding moeten hebben en dat wij ons predikingswerk met zachtaardigheid moeten voortzetten. Wij dienen niet boos te worden en te schelden en te tieren, zoals de mensen der natiën van deze oude wereld. Wij dienen niet te handelen zoals hun voornaamste vertegenwoordigers op de conferenties der Verenigde Natiën. Het luide, schimpende gepraat gedurende de verkiezingstijd is kenmerkend voor hun gebrek aan liefde voor elkaar. Christenen kunnen niet meedoen aan die manier van spreken. Ze is onbetamelijk. Zij moeten hun volharding veeleer tonen met een onwankelbare, getrouwe liefde en toewijding en met zachtaardigheid. Deze soort van gezindheid zullen zij kunnen gebruiken wanneer zij tot de mensen in de wereld spreken en zij zullen alle soorten van mensen er toe kunnen brengen naar de boodschap die zij hebben, te luisteren. Zij kunnen niet trots of hooghartig zijn, noch denken zij dat zij beter zijn dan iemand anders. Ten einde voor de overwinning in deze strijd des geloofs te strijden, moeten zij het Woord prediken op een wijze die God aangenaam is en op een wijze welke de mensen die naar waarheid en gerechtigheid zoeken, zal trekken. Is het niet de wens van God te zien dat alle soorten van mensen worden gered? en staan Jehova’s getuigen er ook niet precies zo tegenover?

24. Op welke wijze leggen wij in de gehele wereld een goede belijdenis af en met welke resultaten sedert 1945?

24 Paulus zeide: „Strijd voor de overwinning in de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven waarvoor gij werd geroepen en ten aanzien waarvan gij in het openbaar voor vele getuigen de goede belijdenis hebt afgelegd, stevig vast” (1 Tim. 6:12, NW). Daarom moet een Christen, ten einde voor de overwinning in de goede strijd, des geloofs te strijden, een openbare belijdenis afleggen en aan alle soorten van mensen vertellen wat hij gelooft. Jehova’s getuigen in de gehele wereld doen dit, en de resultaten van de afgelopen zes jaren tonen aan dat de rijke zegen van Jehova op hun krachtsinspanningen rust. Hieronder staat het aantal Koninkrijksverkondigers of bedienaren van het evangelie vermeld die gedurende elke maand van het genoemde jaar de boodschap van het Koninkrijk hebben bekendgemaakt. Het laatste getal toont de toename aan in het aantal verkondigers over het vorige jaar.

Verkondigers 1945, 127.478; toename over 1944, 16.973. Verkondigers 1946, 158.034; toename over 1945, 30.556. Verkondigers 1947, 181.071; toename over 1946, 23.037. Verkondigers 1948, 230.532; toename over 1947, 49.461. Verkondigers 1949, 279.421; toename over 1948, 48.889. Verkondigers 1950, 328.572; toename over 1949, 49.151.

25. Welke toename in het aantal bedienaren van het evangelie is er derhalve jaarlijks geweest? Hoe strijden zij voor de overwinning?

25 Wij bemerken dat er gedurende de laatste drie jaar een toename is geweest van ongeveer 49.000 bedienaren van het evangelie die elk jaar het Woord hebben gepredikt. Met andere woorden, 49.000 mensen zijn elk jaar uit de oude wereld gekomen, hebben een definitief standpunt aan de zijde van Gods koninkrijk ingenomen en hebben dit standpunt in het openbaar voor vele getuigen bekendgemaakt. Op deze wijze strijden zij voor de overwinning. Terwijl zij vele beproevingen en moeilijkheden te verduren hebben gehad, ’kent Jehova degenen die hem toebehoren’ en hij die een van deze getuigen aanraakt, raakt de appel van zijn oog aan. Jehova schept behagen in hun getrouwheid en hij bewerkt de toename! Hebt gij er een aandeel in?

„Alzo zegt de HERE (Jehova): Ik ben wedergekeerd tot Zion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des HEREN (van Jehova) der heerscharen, een berg der heiligheid. En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn . . . Alzo zegt de HERE (Jehova) der heerscharen: Laat uw handen sterk zijn.” — Zach. 8:3, 8, 9.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen