PLANTENGROEI.
Op de derde scheppings-„dag” liet God de aarde „plantengroei die zaad droeg naar zijn soort”, en zich dus kon vermenigvuldigen, voortbrengen (Gen. 1:11-13). In Genesis 2:5, 6 worden blijkbaar de omstandigheden beschreven die op die „dag” heersten nadat God het droge land had laten verschijnen, maar voordat er gras, zaaddragende plantengroei en vruchtdragende bomen te voorschijn kwamen. Opdat er voldoende vocht voorhanden zou zijn voor het planteleven dat Jehovah wilde voortbrengen, zorgde hij ervoor dat uit de aarde geregeld een nevel opsteeg om de aardbodem te drenken. Op deze wijze kon op de gehele aarde plantengroei gedijen, ofschoon het niet regende.
Maar pas op de vierde scheppings-„dag” werden de zon, de maan en de sterren ’gemaakt’, d.w.z. ze werden binnen de aardatmosfeer zichtbaar „om op de aarde te schijnen” (Gen. 1:15). En op de vijfde scheppings-„dag” werden de vliegende schepselen, klaarblijkelijk met inbegrip van de insekten, geschapen (Gen. 1:20-23). Bijgevolg rijst de vraag hoe het mogelijk is dat de plantengroei zonder zonlicht en zonder bestuiving door insekten in leven kon blijven. In dit verband mag de werkzaamheid van Gods geest niet over het hoofd worden gezien (Gen. 1:2). Bovendien kan men niet vaststellen wat voor omstandigheden er op de derde scheppings-„dag” op aarde heersten en hoe dit van invloed was op het planteleven.
God kan de groei van het planteleven in overeenstemming met zijn voornemen reguleren. Hij gaf de Israëlieten de verzekering dat hij hun als beloning voor hun gehoorzaamheid met regen en met plantengroei voor hun huisdieren zou zegenen (Deut. 11:13-15). Indien zij hun verbond met God echter zouden verzaken, zou hij in hun land geen plantengroei laten opschieten (Deut. 29:22-25; vergelijk Jesaja 42:15; Jeremia 12:4; 14:6). Een plaag die Jehovah over het Egypte uit de oudheid bracht, was hagel, waardoor alle soorten van plantengroei werden neergeslagen. In een andere door God gezonden plaag aten sprinkhanen alle plantengroei op die de hagel had overgelaten. — Ex. 9:22, 25; 10:12, 15; Ps. 105:34, 35; vergelijk Amos 7:1-3.
FIGUURLIJK GEBRUIK
In het droge jaargetijde in Palestina is de plantengroei aan de verschroeiende hitte van de zon en een verzengende oostenwind blootgesteld en verdort daarom snel. Bijgevolg worden mensen die op het punt staan in een militaire veldtocht veroverd te worden, vergeleken met „plantengroei op het veld en als groen, mals gras, als gras op de daken, wanneer er verzenging is voor de oostenwind” (2 Kon. 19:25, 26; Jes. 37:26, 27). Op overeenkomstige wijze riep de diepbedroefde psalmist uit: „Mijn hart is geslagen net als plantengroei en is verdord.” „Ikzelf ben verdord als louter plantengroei.” — Ps. 102:4, 11.
In de Schrift worden prominente en arrogante personen soms door bomen afgebeeld (vergelijk Ezechiël 31:2-14), terwijl de lage plantengroei, zoals de doornstruik, gras of biezen, soms het volk in het algemeen symboliseert. (Vergelijk Rechters 9:8-15; 2 Koningen 14:8-10; Jesaja 19:15; 40:6, 7.) Dit draagt ertoe bij de betekenis te begrijpen van Openbaring 8:7, waar gezegd wordt dat een „derde deel van de bomen” en „alle groene plantengroei” verbrandde.