Beschouw het bewijsmateriaal uit de plantenwereld eens
HET plantenrijk vormt de grootste „fabriek” op aarde, met een jaarproduktie van, volgens een voorzichtige schatting, 150 miljard ton koolhydraten. Dit is ruim 200-maal de wereldproduktie aan staal en cement. Planten vormen de voedselbron voor elk dier en elk mens op het aardoppervlak — een bijzonder overvloedige voorziening. Naast de koolhydraten die energie leveren, verschaffen planten ook vitaminen, mineralen, medicijnen en grondstoffen voor kleding, gebouwen, papier, kleur- en verfstoffen en een bijna ontelbaar aantal andere dingen die nuttig zijn voor de mens.
We kunnen blij zijn dat het planteleven in zijn talloze variëteiten vóór de mens op aarde is verschenen, want het is onontbeerlijk voor al het dierlijke en menselijke leven. De bijbel beschrijft dat de plantengroei eerder tot bestaan kwam dan de dieren en geeft te kennen dat de Schepper er een bedoeling mee had om eerst de plantengroei voort te brengen, want hij zei tegen de eerste man en vrouw: „Ziet, ik heb u alle zaaddragende plantengroei die op de oppervlakte van de gehele aarde is, en elke boom waar zaaddragende boomvrucht aan zit, gegeven. U diene het tot voedsel. En aan al het wild gedierte der aarde en aan elk vliegend schepsel van de hemel en aan alles wat zich op de aarde beweegt, waarin leven als een ziel is, heb ik alle groene plantengroei tot voedsel gegeven.” — Gen. 1:29, 30.
De rol van de fotosynthese
Het planteleven omvat ook het plantaardige phytoplankton van de zee, dat als voedsel voor vissen en andere zeedieren even onontbeerlijk is als de landvegetatie, van grassen tot bomen, voor de dieren op het land. Plantengroei is de basis van de „voedselketen”. Dit omdat geen enkel dier zijn eigen voedsel kan produceren, maar planten wel. Dank zij het ingewikkelde proces van de fotosynthese — wat de mens nog niet ten volle begrijpt of kan nabootsen — zetten planten koolzuur, water en lichtenergie van de zon om in koolhydraten, en, met gebruikmaking van de mineralen uit de bodem, tevens in vetten, eiwitten, vitaminen en andere produkten, die voedingsstoffen voor het dierlijke leven betekenen. Zuurstof komt als bijprodukt van de fotosynthese vrij, en wordt weer door mensen en dieren ingeademd ten behoeve van de „verbranding” of omzetting van opgenomen koolhydraten, waarbij water en chemische energie vrijkomt, welke laatste weer wordt aangewend om de andere plantaardige produkten in het lichaam op te nemen.
Voortplanting in het plantenrijk
Planten kunnen alleen aan hun onmisbare doel als basis voor al het dierlijke en menselijke leven beantwoorden wanneer ze zelf of hun vruchten worden gegeten. Dat betekent dat planten een manier moeten hebben om zich voort te planten, om als voedselbron te blijven bestaan. Ze moeten sterven, vergaan en weer vernieuwd worden, en daarbij hun soort regelmatig en tot in het oneindige reproduceren. Vinden we doelbewust ontwerp in deze regeling? Zo ja, dan kan dit geen louter toeval zijn.
Beschouw de voortplantingsmethoden eens die de plantenwereld aanwendt. Planten brengen gewoonlijk een overvloed aan zaad voort. Dit is noodzakelijk, want er worden tonnen zaad als voedsel verorberd door insekten, vogels, andere dieren en door mensen. Zou een plant slechts één zaadje of een paar zaden voortbrengen, dan zouden die worden gegeten en die plantesoort zou verdwijnen. Bovendien vallen zaden op elke soort van grond en sommige ontkiemen nooit. Ongunstig weer, schimmels en andere factoren kunnen ervoor zorgen dat veel zaden niet uitspruiten. Om die reden moet er een royale zaadproduktie zijn. Het is dus niet zo, zoals sommigen wel beweren, dat ’de natuur erg verkwistend is’. Ze is veeleer overvloedig en in deze mildheid blijkt doelbewust ontwerp te schuilen. Het is noodzakelijk dat planten honderden en zelfs duizenden zaden voortbrengen. Sommige bomen leveren wel een miljoen zaden per hectare op. Wij kunnen beslist niet zeggen dat zo’n kolossale zaadproduktie geen doel dient. En vereist een doel geen doelgericht ontwerp?
De zaden die worden voortgebracht, moeten ook een sterk ontkiemingsvermogen hebben, want sommige moeten soms een maandenlange winter, droogte of lange perioden met ongunstige omstandigheden overleven. De meeste zaden hebben een opmerkelijke kiemkracht, een levensvatbaarheid van wel 90 percent. Een zaadje kan volkomen droog en levenloos lijken. Maar in zijn onwerkzame toestand kan het uitersten in temperatuur verdragen, in veel gevallen ver beneden het vriespunt, of bijna zo hoog als het kookpunt van water (zolang het zich niet in water bevindt). Zelfs na verloop van jaren komen zaden nog tot leven wanneer ze in water of in vochtige grond worden gelegd. Een Indische lotus ontkiemde en bloeide na een rusttijd in het zaadstadium die 2000 jaar duurde, en stekken en zaden ervan zijn naar botanische instituten over de hele wereld gezonden.
Wij kunnen beslist niet stellen dat planten zich bewust zijn van de noodzaak hun soort in stand te houden. Wat een reusachtig toeval zou het zijn wanneer alle planten deze eigenschap zouden bezitten! Zouden „blinde”, toevallige krachten zo’n uniforme instructie ten behoeve van al het leven op aarde kunnen doorgeven?
Wanneer we de ontkieming of de voortplanting van planten nader bekijken, vinden we nog meer ingewikkelde bijzonderheden die onontbeerlijk zijn voor de groei van het zaad. Een ervan is het feit dat zaden worden voorzien van hun eigen eerste voedselvoorraad. Elk zaadje bevat koolhydraten en andere stoffen die het bij de ontkieming in staat stellen lang genoeg in leven te blijven om wortels en bladeren te vormen zodat het op de normale manier kan uitgroeien.
Bovendien is er een grote verscheidenheid van voortplantingsvormen, zodat elke plantesoort in staat is in zijn eigen omgeving, overeenkomstig zijn eigen specifieke aard, te leven. Sommige planten kunnen worden gedeeld of gescheurd, waardoor er twee of meer wortelstelsels ontstaan die elk tot een gezonde plant kunnen uitgroeien. Andere gedijen uit een klein stekje, een stukje van de plant dat in de grond wordt gezet. Het vrije uiteinde van de stek is in staat zijn eigen wortels voort te brengen. De bladeren van sommige planten ontwikkelen wortels op plekken waar het blad is ingesneden. Andere, zoals aardappels, planten zich voort met behulp van knollen en sommige gewassen groeien uit bollen.
In de verspreiding of verstrooiing van zaden ligt veel schoonheid en „wetenschappelijke” vindingrijkheid besloten. Bomen en andere vegetatie zijn gewoonlijk aan één plaats gebonden en toch moeten hun zaden zich verspreiden willen ze enig terrein bestrijken. Uiteenlopend en bijzonder doelmatig zijn de daarvoor gebruikte middelen. Het zaad van esdoorns heeft vleugeltjes waarmee het op de wind lange afstanden kan afleggen. Zo zweeft ook het zaad van de paardebloem, dank zij het parachute-achtige aanhangsel, voort op de wind. De springzaadsoorten van de balsemienfamilie verspreiden fijne zaadjes door een explosieve ontlading van de vrucht. Klitten en bepaalde andere zaden worden in de vacht van dieren meegevoerd naar andere groeigebieden. Er zijn bessen en vruchten die door dieren worden gegeten. Bij de vertering blijven de zaden echter ongemoeid en worden met de uitwerpselen van de dieren over een breed terrein verspreid.
Heel vernuftig is ook de methode van zaadverspreiding van de kokospalm, die zijn soort weet over te brengen naar afgelegen stranden, zelfs naar andere eilanden en continenten over zee. We zouden geneigd zijn te denken dat de kokosboom toevallig op of bij het strand groeit omdat hij zeewater nodig heeft, maar dit is niet het geval. In feite heeft hij zoet water nodig. Daarom zijn z’n wortels betrekkelijk kort, lang genoeg slechts om het zoete water te bereiken, dat lichter is dan zeewater en zich dus in kuststreken boven het zeewater bevindt. Toch is het kustgebied de beste plaats om het zaad te verspreiden, daar de kokosnoten al drijvend grote afstanden kunnen afleggen. Door wat voor toeval heeft de kokospalm deze unieke regeling kunnen treffen? Is het niet redelijk te veronderstellen dat er achter deze ongebruikelijke combinatie van omstandigheden verstand van zaken schuilt?
Bevruchtingsmethoden
Aan welke ’blinde krachten’ zou men het bovendien moeten toeschrijven dat sommige planten geslachtelijk gescheiden zijn, zodat de vrouwelijke plant bevrucht moet worden door stuifmeel van de manlijke plant? En hoe zou het blinde toeval dan hebben kunnen zorgen voor het transport van het stuifmeel, vooral wanneer de transporteur ervan soms nog ingewikkelder is dan de plant zelf?
Alhoewel bepaalde soorten stuifmeel door de wind worden meegevoerd, hebben veel planten de medewerking van insekten nodig. Dat vereist echter dat de planten voedsel hebben waarvan insekten houden, en ook over middelen beschikken om ze naar dat voedsel toe te lokken. Hiervoor maken planten gebruik van geuren die insekten aantrekkelijk vinden. In enkele gevallen schijnen ook heldere kleuren voor de aantrekkingskracht te zorgen. Vervolgens moeten in de manlijke bloemen de meeldraden die het stuifmeel bevatten, zich dicht bij het voedsel bevinden, zodat het insekt er langs zal strijken en wat stuifmeel in zijn lichaamshaar zal opnemen. In de vrouwelijke bloem moet de stamper op de juiste plaats staan om het stuifmeel in ontvangst te nemen wanneer het insekt op bezoek komt. Bedenk eens wat hier allemaal bij betrokken is. De structuur van de bloemen, hun geur en de eigen nectarproduktie moeten precies goed zijn. En dit zou nog niets uithalen als niet de instincten en gewoonten van het insekt waren afgestemd op volledige medewerking hieraan, te zamen met zijn behoefte aan en voorkeur voor bepaald voedsel dat slechts de bloemen van zijn keuze kunnen verschaffen.
Ofschoon een dergelijke bevruchting afhankelijk is van zoveel factoren, getuigt de overvloedige verbreiding van bloemen die hiervan gebruik maken, van de doelmatigheid van de methode. En dan te bedenken dat dit proces zich in de loop van duizenden jaren al miljarden malen op precies dezelfde wijze heeft herhaald. Zou het toeval al deze noodzakelijke factoren teweeg kunnen brengen en er dan ook nog voor kunnen zorgen dat ze zich exact herhalen, zonder schadelijke veranderingen in het patroon, eeuwen achtereen?
De omvang van ’de grootste fabriek ter wereld’
Met het voedsel dat het plantaardige leven produceert, voorziet het tevens in de rijkste voorraadschuur van energie op aarde, energie die het verkrijgt van de zon, de bron van bijna alle energie die op de aarde wordt aangewend. Sta er echter eens bij stil hoeveel verder het belang van deze energie-opslag reikt, zoals werd opgemerkt in het werk Photosynthesis and Related Products door E. I. Rabinowitch (Deel I, Interscience Publishers Incorporated):
„De reductie van koolzuur door groene planten is het grootste op zichzelf staande chemische proces op aarde. Om duidelijker te maken wat een opbrengst van 1011 ton per jaar betekent, kunnen we haar vergelijken met de totale produktie van de metaalindustrie, de chemische industrie en de mijnen op aarde, die jaarlijks in de orde ligt van 109 ton. Negentig percent van deze produktie bestaat uit steenkool en olie, d.w.z. produkten ontstaan door fotosynthese in vroeger eeuwen. Al even indrukwekkend is de vergelijking van de energie die jaarlijks door de planten wordt opgeslagen, met de energie die uit andere bronnen beschikbaar is. De door fotosynthese omgezette energie bedraagt omstreeks honderd maal de verbrandingshitte van alle steenkool die in dezelfde periode op aarde gewonnen wordt, en tienduizend maal de energie van vallend water die in de gehele wereld wordt aangewend.”
Een beschouwing van het nut van het planteleven stemt tot ernstig nadenken
Samenvattend kunnen we zeggen dat we erg blij mogen zijn dat de dingen zo zijn zoals ze zijn. En het is nu aan iedere onderzoekende en logisch denkende geest om te bepalen of dit is bewerkstelligd door het toeval of door de scheppingsmacht van een hogere intelligentie. Het feit dat het planteleven z’n intrede deed vóór het dierlijk leven, is beslist van essentieel belang. Gebeurde dit opzettelijk of bij toeval? Men zou de gedachte kunnen opperen dat het planteleven vanzelfsprekend vóór het dierlijk leven moest komen, omdat het dierlijk leven anders niet bestaan kon hebben. Bij nadere beschouwing blijkt echter dat planten uiterst ingewikkeld zijn en ver verwijderd van een „oer”-molecuul. Bovendien verschillen planten aanzienlijk van dieren en er bestaat geen enkele verklaring voor hoe een eventuele plant zich op de een of andere manier tot het meest primitieve dier zou hebben kunnen evolueren.
Een feit dat pleit tegen het vermogen van het blinde toeval om de voortduring van het leven op aarde te waarborgen, houdt verband met het vermogen van de plantengroei om koolzuur uit de atmosfeer te absorberen. Het is zeker dat het toeval of een ’blinde kracht’ niet vooruit kan zien of voorzieningen zou kunnen treffen voor het geval dat er drastische veranderingen in het milieu zouden plaatsvinden. Maar een Schepper die wilde dat het leven op aarde zou voortduren, kon dit wel. En blijkbaar werden daarvoor in het begin, toen het planteleven tot bestaan werd gebracht, voorzorgsmaatregelen getroffen. In welk opzicht? Beschouw het volgende voorbeeld eens:
Sedert de „industriële revolutie” haar intrede in de wereld deed, heeft men in grote vrees geleefd, dat de produktie van koolzuur, teweeggebracht door de verbranding van fossiele brandstoffen, het leven op aarde in gevaar zou brengen en misschien zelfs onmogelijk zou maken. Maar recente ontwikkelingen geven een veel opgewekter beeld te zien. Science News van 19 april 1975 schrijft in een rapport over de bevindingen van de geoloog F. T. MacKenzie van de Northwestern University:
„Als er fossiele brandstoffen worden verbrand, wordt er koolzuur afgegeven. Weet men hoeveel brandstof er wereldwijd wordt verbrand, dan kan men de verwachte hoeveelheden afgegeven koolzuur berekenen, alsook hoeveel er in de atmosfeer zou moeten hangen. Er is echter één interessant probleem bij zulke berekeningen. Een vergelijking van het werkelijke en het verwachte CO2(koolzuur)-niveau heeft onthuld dat het grootste deel ervan ’ontbreekt’.
. . . Het ontbrekende CO2 wordt opgenomen in planten. De biomassa van de plantengroei is sinds het einde van de vorige eeuw wellicht met 10 percent toegenomen, zo zegt hij, toen de CO2-afgifte met het toenemende gebruik van fossiele brandstoffen steeg.
De opname van CO2 in beschikbare voedingsstoffen in planten kan een wereldomvattend terugkoppelingsmechanisme vertegenwoordigen dat ertoe bijdraagt een verstoring van het evenwicht in de atmosfeer te voorkomen, aldus MacKenzie.”
Hieraan zou kunnen worden toegevoegd dat de oceaan een enorm koolzuurreservoir vormt. Naar behoefte absorbeert de oceaan koolzuur of geeft dit af. Aldus kan, te zamen met de aanpassingsmogelijkheden van de fotosynthese, het dierenleven in stand blijven.
Wie kan dogmatisch beweren dat er geen Schepper is, die al bij het tot stand brengen van de aarde en het leven erop, in deze „veiligheidsmarges” heeft voorzien om de situaties die zouden rijzen, het hoofd te bieden?
Bovendien is het heel logisch en van vitaal belang dat er een voorziening zou zijn om zonne-energie te benutten, zoals die nu in de vorm van plantengroei aanwezig is. Wat een samenwerking dat de zon, ruim 149 miljoen kilometer ver weg, precies de juiste straling verschaft en dat ook nog in de juiste hoeveelheid! En hoe goed is het bovendien dat de plantengroei geen voedselconcurrent van dieren en mensen is, maar veeleer voedsel levert. Tevens is het planteleven niet van de mens afhankelijk. Het handhaaft en bevordert grotendeels de eigen groei, onafhankelijk van dierlijk leven. Zelfs het aandeel dat de mens aan de groei van cultuurgewassen levert, is zeer minimaal. Hij kan slechts weinig doen om te helpen — de groei zelf gaat automatisch en wordt niet eens ten volle door de mens begrepen. Is het denkbaar dat zo’n ingewikkelde, fijn afgestemde en doelmatige regeling door toeval of blinde krachten tot stand kan zijn gekomen, terwijl de met verstand begiftigde mens die kan zien, onderzoeken en studeren, nog niet eens weet hoe het allemaal werkt?
[Diagram op blz. 8]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Fotosynthese vereenvoudigd voorgesteld
zon
watermoleculen worden afgebroken
zuurstof naar atmosfeer
waterstof en energierijke verbindingen
koolzuur uit atmosfeer
waterstof en koolstof vormen glucose
energierijke glucose — de basis-voedselmolecule
[Illustratie op blz. 6]
Planten verspreiden hun zaden op veel manieren — de paardebloem laat ze als „parachutes” door de wind meevoeren
[Illustratie op blz. 9]
Welke „blinde kracht” zou kunnen teweegbrengen dat sommige planten de hulp van insekten behoeven bij de bevruchting, en dan de insekten verschaffen om het benodigde stuifmeel te vervoeren?