PLATAANBOOM
[Hebreeuws: ‛ar·mōnʹ].
De naam van deze boom in het Hebreeuws komt klaarblijkelijk van het grondwoord ‛a·rahʹ, dat „blootheid, naaktheid” betekent, of van het woord ‛a·ramʹ, dat „ontbloot” betekent. In Genesis 30:37, 38 wordt over Jakob gezegd dat hij in Haran in Syrië stokken van de plataanboom samen met stokken van andere bomen vóór het kleinvee van Laban legde. De stokken waren geschild om „het wit dat aan de stokken was, bloot te leggen”. De plataanboom (Platanus orientalis) stoot elk jaar grote plakken of stukken schors af, waardoor de zachte, witachtige bast eronder wordt blootgelegd.
De boom heeft een statig voorkomen en bereikt een hoogte van meer dan 20 m. De wijdvertakte boom met de grote donkergroene, wingerdloofachtige bladeren biedt een weldadige schaduw. De omvang van de stam bedraagt vaak meer dan 12 m. De plataanboom was het dus waard met de majestueuze ceder van de Libanon, die Ezechiël als symbool voor Farao en heel zijn menigte gebruikte, vergeleken te worden — hoewel hij de ceder in werkelijkheid niet kon evenaren. — Ezech. 31:8.