Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 905-907
  • Koning

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Koning
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VROEGE KONINGEN
  • ISRAËLITISCHE KONINGEN
  • Door God aangestelde vertegenwoordigers
  • Beperkingen voor de koning
  • Religieus leider
  • Vrouwen en bezit
  • INSTABILITEIT VAN HET NOORDELIJKE KONINKRIJK
  • HEIDENSE KONINGEN EN ONDERGESCHIKTE KONINGEN
  • Koning
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Koningen, de boeken der
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Koninkrijk
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • „Uw wil geschiede op aarde” — Deel 10
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 905-907

KONING.

Een soeverein die autoriteit heeft om over anderen te regeren. Jehovah is de opperste Koning, die onbeperkte macht en autoriteit bezit. De koningen van Juda waren ondergeschikte koningen, die Zijn soevereiniteit op aarde vertegenwoordigden. Ook Jezus Christus is een ondergeschikte Koning, maar hij is veel machtiger dan die aardse koningen, omdat Jehovah hem tot heerser van het universum heeft aangesteld (Fil. 2:9-11). Derhalve is Jezus Christus de „Koning der koningen en Heer der heren” geworden. — Openb. 19:16.

VROEGE KONINGEN

Onder aardse heersers is een koning een mannelijke soeverein die bekleed is met het opperste gezag over een stad, een stam, een natie of een rijk, en hij regeert gewoonlijk voor het leven. Nimrod, een nakomeling van Cham, was de eerste menselijke koning die in de bijbel wordt vermeld. Hij heerste over een koninkrijk dat verscheidene steden in Mesopotamië omvatte en was een opstandeling tegen Jehovah’s soevereiniteit. — Gen. 10:6, 8-10.

In de dagen van Abraham, lang voordat de Israëlieten koningen hadden, werden Kanaän en de omliggende landen reeds door koningen geregeerd (Gen. 14:1-9). Ook onder de Filistijnen, Edomieten, Moabieten, Midianieten, Ammonieten, Syriërs, Hethieten, Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Grieken en Romeinen treft men sedert de vroegste tijden koningen aan. Veel van deze koningen heersten slechts over een beperkt gebied, zoiets als een stadstaat. Adoni-Bezek bijvoorbeeld boogde erop dat hij 70 van zulke koningen had overwonnen. — Recht. 1:7.

De eerste menselijke koning die in de bijbel als rechtvaardig wordt aangeduid, was Melchizedek, koning-priester van Salem (Gen. 14:18). Afgezien van Jezus Christus, die zowel Koning als Hogepriester is, was Melchizedek de enige door God goedgekeurde regeerder die beide ambten bekleedde. De apostel Paulus wijst erop dat God Melchizedek als een voorafschaduwing van Christus gebruikte (Hebr. 7:1-3; 8:1, 6). Geen andere getrouwe dienstknecht van God, zelfs Noach niet, dong naar het koningschap, en God stelde niemand van hen aan totdat op zijn aanwijzing Saul werd gezalfd.

ISRAËLITISCHE KONINGEN

Aanvankelijk heerste Jehovah als onzichtbare Koning over Israël via verschillende tussenpersonen, eerst via Mozes en daarna via menselijke rechters, van Jozua tot Samuël (Recht. 8:23; 1 Sam. 12:12). Ten slotte riepen de Israëlieten luid om een koning, aangezien zij als de omliggende natiën wilden zijn (1 Sam. 8:5-8, 19). In overeenstemming met de in het Wetsverbond opgenomen wettelijke voorziening voor een door God benoemde menselijke koning, stelde Jehovah door bemiddeling van de profeet Samuël Saul uit de stam Benjamin aan (Deut. 17:14-20; 1 Sam. 9:15, 16; 10:21, 24). Wegens ongehoorzaamheid en aanmatiging verloor Saul Jehovah’s gunst en de gelegenheid dat uit hem een koningsdynastie zou voortkomen (1 Sam. 13:1-14; 15:22-28). Daarop wendde Jehovah zich tot de stam Juda en koos David, de zoon van Isaï, als de volgende koning van Israël uit (1 Sam. 16:13; 17:12). Omdat David getrouw voor Jehovah’s aanbidding en wetten opkwam, kreeg hij het voorrecht een koningsdynastie te stichten (2 Sam. 7:15, 16). Onder de regering van Salomo, een zoon van David, bereikte het welvaartspeil van de Israëlieten een ongekende hoogte. — 1 Kon. 4:25; 2 Kron. 1:15.

Tijdens de regering van Salomo’s zoon Rehabeam werd de natie in twee koninkrijken gesplitst. De eerste koning van het noordelijke tienstammenrijk, dat gewoonlijk Israël wordt genoemd, was Jerobeam, de zoon van Nebat, uit de stam Efraïm (1 Kon. 11:26; 12:20). In ongehoorzaamheid bracht hij zijn volk ertoe gouden kalveren te aanbidden. Wegens deze zonde haalde hij zich Jehovah’s misnoegen op de hals (1 Kon. 14:10, 16). In het noordelijke koninkrijk hebben van 997 tot 740 v.G.T. in totaal 20 koningen geregeerd, te beginnen met Jerobeam en eindigend met Hosea, de zoon van Ela. In het zuidelijke koninkrijk, Juda, hebben van 997 tot 607 v.G.T. 19 koningen geregeerd, te beginnen met Rehabeam en eindigend met Zedekia. (Athalia, die de troon wederrechtelijk in bezit nam, wordt niet als koning geteld.)

Door God aangestelde vertegenwoordigers

De door Jehovah aangestelde koningen van zijn volk moesten als zijn koninklijke gevolmachtigden optreden, daar zij niet op hun eigen troon, maar op „de troon van het koningschap van Jehovah” zaten, d.w.z. als vertegenwoordigers van Zijn theocratische heerschappij (1 Kron. 28:5; 29:23). In tegenstelling tot sommige oosterse volken uit die tijd, vereerde de natie Israël haar koningen niet als goden. Alle koningen van Juda werden als de gezalfden van Jehovah beschouwd, alhoewel het verslag niet specifiek vermeldt dat iedere afzonderlijke koning, wanneer hij de troon besteeg, letterlijk met olie werd gezalfd. Volgens het opgetekende verslag gebruikte men letterlijke zalfolie toen er een nieuwe dynastie werd gesticht, toen ten tijde van Davids ouderdom alsook in de dagen van Joas de troon werd betwist en toen ten tijde dat Joahaz op de troon werd geplaatst, een oudere zoon ten gunste van een jongere zoon werd gepasseerd (1 Sam. 10:1; 16:13; 1 Kon. 1:39; 2 Kon. 11:12; 23:30, 31, 34, 36). Niettemin was een dergelijke zalving waarschijnlijk algemeen gebruikelijk.

De koning van Juda was de hoofdbestuurder van de nationale aangelegenheden als een herder van het volk (Ps. 78:70-72). Hij nam gewoonlijk de leiding in de strijd (1 Sam. 8:20; 2 Sam. 21:17; 1 Kon. 22:29-33). Bovendien had hij in het rechtswezen de functie van de hogere rechter, zij het dan dat de hogepriester Jehovah raadpleegde in verband met beslissingen in sommige staatsaangelegenheden en in bepaalde gevallen waarbij de beslissing zeer moeilijk was of de bewijzen uit de mond van getuigen niet toereikend waren. — 1 Kon. 3:16-28.

Beperkingen voor de koning

De beperkingen die de koning bij de uitoefening van zijn autoriteit waren opgelegd, berustten op zijn eigen vrees voor God, op Gods wet, die hij moest gehoorzamen, en op de overredende invloed van de profeten en de priesters alsook de raad van de oudere mannen. Er werd van hem verlangd voor zichzelf een afschrift van de wet te maken en daarin alle dagen van zijn leven te lezen (Deut. 17:18, 19). Als Jehovah’s speciale dienstknecht en vertegenwoordiger was hij verantwoording aan Jehovah verschuldigd. Helaas waren er veel Judese koningen die inbreuk op deze beperkingen maakten en een despotische en goddeloze heerschappij uitoefenden. — 1 Sam. 22:12, 13, 17-19; 1 Kon. 12:12-16; 2 Kron. 33:9.

Religieus leider

Hoewel de wet de koning niet toestond priester te zijn, werd hij geacht de voornaamste niet-priesterlijke ondersteuner van Jehovah’s aanbidding te zijn. Soms zegende de koning de natie in Jehovah’s naam en vertegenwoordigde hij het volk in gebed (2 Sam. 6:18; 1 Kon. 8:14, 22, 54, 55). Naast de verantwoordelijkheid het religieuze leven van het volk tegen het binnendringen van afgodendienst te beschermen, had hij ook de bevoegdheid een ontrouwe hogepriester af te zetten, zoals door koning Salomo werd gedaan toen de hogepriester Abjathar zijn steun verleende aan de ondermijnende activiteit van Adonia, die zich meester trachtte te maken van de troon. — 1 Kon. 1:7; 2:27.

Vrouwen en bezit

Het behoorde tot de huwelijks- en familiegebruiken van de koningen van Juda om een groot aantal vrouwen en bijvrouwen te hebben, ofschoon de koning zich geen menigte vrouwen mocht nemen — iets waardoor Salomo onheil over zich bracht (Deut. 17:17; 1 Kon. 11:4). De bijvrouwen werden als kroonbezit beschouwd en samen met de rechten en het bezit van de koning aan de troonopvolger doorgegeven. Een bijvrouw van de overleden koning te huwen of in bezit te nemen, stond gelijk met het openlijk aanspraak maken op de troon. Dat Absalom betrekkingen met de bijvrouwen van zijn vader, koning David, had en Adonia voor zich Abisag, de verzorgster en metgezellin van David in zijn ouderdom, tot vrouw vroeg, kwam derhalve neer op het aanspraak maken op de troon (2 Sam. 16:21, 22; 1 Kon. 2:15-17, 22). Dit waren handelingen van hoogverraad.

Afgezien van het persoonlijke grondbezit van de koning, oorlogsbuit en geschenken (1 Kron. 18:10), werden er nog andere bronnen van inkomsten verschaft, zoals speciale belasting van de opbrengst van het land voor de koninklijke tafel, schatting van onderworpen koninkrijken, tol van reizende kooplieden die door het land trokken, commerciële ondernemingen zoals de handelsvloten van Salomo, enz. — 1 Kon. 4:7, 27, 28; 9:26-28; 10:14, 15.

INSTABILITEIT VAN HET NOORDELIJKE KONINKRIJK

In het noordelijke koninkrijk Israël hield men zich aan het beginsel van erfopvolging, behalve wanneer er door een politieke moord of opstand inbreuk op werd gemaakt. De beoefening van valse religie hield het noordelijke koninkrijk in een toestand van constante onrust, wat er dikwijls toe bijdroeg dat zijn koningen werden vermoord en anderen de troon wederrechtelijk in bezit namen. Slechts twee dynastieën bleven meer dan twee generaties bestaan, die van Omri en Jehu. Aangezien de koningen van het noordelijke koninkrijk niet onder het Davidische koninkrijksverbond stonden, zat geen van hen als de gezalfde van Jehovah op de „troon van het koningschap van Jehovah”.

HEIDENSE KONINGEN EN ONDERGESCHIKTE KONINGEN

De Babylonische koningen werden officieel als monarchen over het gehele Babylonische Rijk gewijd door de hand van het gouden beeld van Bel-Mardoek vast te grijpen. Dit werd door Cyrus de Grote gedaan om de heerschappij over het Babylonische Rijk te krijgen zonder het hele rijk door militaire actie te hoeven veroveren.

Andere koningen kwamen op hun troon doordat zij werden aangesteld door een hogere koning, zoals degene die het gebied had veroverd. Het kwam dikwijls voor dat koningen de heerschappij over veroverde gebieden voerden via schatplichtige inheemse koningen van lagere rang. Volgens deze procedure werd Herodes de Grote een schatplichtige koning van Rome die over Judea regeerde (Matth. 2:1), werd Herodes Antipas koning over Galilea en Perea (Matth. 14:1), Herodes Agrippa I over gebied in de landstreek van Palestina (Hand. 12:1) en werd Aretas, de koning van de Nabateeën, door Rome als regent in zijn schatplichtige koninkrijk bevestigd. — 2 Kor. 11:32.

Niet-Israëlitische koningen waren voor hun onderdanen minder toegankelijk dan degenen die Gods volk regeerden. De Israëlitische koningen mengden zich klaarblijkelijk heel ongedwongen onder hun volk. De heidense koningen waren dikwijls moeilijk te bereiken. Het binnenste voorhof van de Perzische koning zonder uitdrukkelijke toestemming te betreden, betekende voor de betrokken persoon automatisch de dood, mits de koning zijn specifieke goedkeuring gaf door, zoals in het geval van Esther, zijn scepter uit te strekken (Esth. 4:11, 16). De Romeinse keizer was echter tot een audiëntie bereid wanneer een Romeins burger beroep aantekende tegen de beslissing van een lagere rechter, doch slechts na een procedure via heel wat lagere functionarissen. — Hand. 25:11, 12.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen