KONINKRIJK.
De term „koninkrijk” zoals die in de bijbel wordt gebruikt, kan betrekking hebben op specifieke aspecten van een koninklijke regering. Er kan mee gedoeld worden op het domein of het geografische gebied waarover soevereiniteit wordt uitgeoefend. Het koninklijke domein omvat dus niet slechts de hoofdstad, maar het gehele grondgebied, met inbegrip van ondergeschikte of schatplichtige koninkrijken. — 1 Kon. 4:21; Esth. 3:6, 8.
„Koninkrijk” kan in algemene zin betrekking hebben op een of andere regering of op alle menselijke regeringen, ongeacht of er een koning aan het hoofd staat of niet. — Ezra 1:2; Matth. 4:8.
Er kan mee gedoeld worden op het koningschap, het koninklijke ambt of de positie die een koning bekleedt (Luk. 17:21), met de daaraan verbonden waardigheid, macht en autoriteit (1 Kron. 11:10; 14:2; Luk. 19:12, 15; Openb. 11:15; 17:12, 13, 17). Kinderen van de koning worden soms als het „nageslacht van het koninkrijk” aangeduid. — 2 Kon. 11:1.