KOMKOMMER
[Hebreeuws (meervoud): qisj·sjoe·’imʹ; miq·sjahʹ, komkommerveld].
Tot het voedsel van Egypte waarnaar de klagende Israëlieten en de gemengde schare — die nu genoeg hadden van de dagelijkse mannakost — sterk terugverlangden, behoorden komkommers, watermeloenen, prei, uien en knoflook (Num. 11:5). Sommige geleerden vinden de komkommer een veel te alledaags voedingsmiddel om daar zo hevig naar te kunnen verlangen en nemen derhalve aan dat de betreffende Hebreeuwse uitdrukking veeleer betrekking heeft op de suikermeloen (Cucumis melo). Andere, aan het Hebreeuws verwante talen, alsook oude vertalingen geven echter te kennen dat met deze plant de komkommer bedoeld moet zijn, en het feit dat ze in het Midden-Oosten thans nog zeer geliefd is, schijnt deze opvatting te ondersteunen.
In groentetuinen of in wijngaarden richtte men tot beschutting van de wachter, die de opbrengst van de velden tegen dieven en roofdieren moest beschermen, gewoonlijk een hut op. Wanneer deze hutten er destijds zo uitzagen als die welke men in recente tijd nog gebruikte, dan waren ze tamelijk licht gebouwd. Ze bestonden uit vier in de grond gedreven rechtopstaande palen, die door dwarsstukken met elkaar verbonden waren. Voor het dak en de zijkanten gebruikte men dunne takken en twijgen, die soms tot een vlechtwerk ineengedraaid waren. De belangrijkste verbindingsstukken werden met wilgetenen (buigzame als touw gebruikte twijgen) aaneengebonden. Na de oogsttijd werden deze hutten niet meer gebruikt, en met de komst van de herfstwinden en de regen raakten ze meestal in verval of stortten zelfs in. Over het woest en verlaten liggende Sion wordt derhalve treffend gezegd dat het „is overgebleven als een hut in een wijngaard, als een uitkijkhut in een komkommerveld”. — Jes. 1:8.