Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 620-621
  • Hethieten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hethieten
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VERNIETIGING VERORDEND
  • LATERE GESCHIEDENIS
  • FIGUURLIJK GEBRUIK
  • WERELDLIJKE POGINGEN OM DE HETHIETEN TE IDENTIFICEREN
  • Hethieten
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Wie waren de Hethieten?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Het land met duizend goden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Abraham en de Hethieten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 620-621

HETHIETEN

(Hethi̱e̱ten).

Een volk dat van Heth, de als tweede genoemde zoon van Kanaän, afstamde (Gen. 10:15). De Hethieten waren derhalve van Hamitische oorsprong. — Gen. 10:6.

Abraham had bepaalde relaties met de Hethieten, die al in Kanaän woonden voordat hij daar in 1943 v.G.T. naar toe kwam. Toen zijn vrouw Sara stierf, onderhandelde hij met Efron, de zoon van de Hethiet Zohar, bij de poort van de stad Hebron over de grot van Machpela, die zich op Efrons veld bevond. Efron weigerde enkel de grot te verkopen. Zo kwam het dat Abraham het gehele veld moest kopen (Gen. 23:1-20). Reeds vóór die tijd had Jehovah beloofd Abrahams zaad het land Kanaän te geven, dat door verscheidene natiën, met inbegrip van de Hethieten, werd bewoond. Jehovah had echter tot Abraham gezegd: „De dwaling van de Amorieten [een benaming die vaak voor de Kanaänitische volken in het algemeen werd gebruikt] [is] nog niet tot voltooiing . . . gekomen” (Gen. 15:16). Derhalve respecteerde Abraham de Hethieten als eigenaars van het land. — Gen. 15:18-21.

Aangezien de Hethieten van Kanaän afstamden, stonden zij onder de vloek die Noach over Kanaän had uitgesproken, en toen de Israëlieten hen onderwierpen, gingen de in Genesis 9:25-27 opgetekende woorden van Noach in vervulling. De Hethieten waren heidenen, en hun religie was net als alle andere Kanaänitische religies ongetwijfeld met de falluscultus verbonden. Toen Abrahams kleinzoon Esau met Hethitische vrouwen trouwde, was dit voor zijn ouders, Isaäk en Rebekka, „een bron van bitterheid des geestes”. — Gen. 26:34, 35; 27:46.

Zoals het verslag vermeldt, bewoonden de Hethieten in de dagen van Jozua een gebied dat zich uitstrekte „van de wildernis en deze Libanon tot de grote rivier, de rivier de Eufraat, dat wil zeggen heel het land van de Hethieten” (Joz. 1:4). Blijkbaar woonden zij voornamelijk in het bergland, waartoe de Libanon en mogelijk ook gebieden in Syrië behoorden. — Num. 13:29; Joz. 11:3.

VERNIETIGING VERORDEND

De Hethieten behoorden tot de zeven met name genoemde natiën die aan de vernietiging prijsgegeven moesten worden. Over deze natiën werd gezegd dat ze „volkrijker en machtiger” dan Israël waren. Derhalve moeten de zeven natiën destijds meer dan drie miljoen personen geteld hebben, en de Hethieten in hun bergvesting waren vermoedelijk een geduchte vijand (Deut. 7:1, 2). Zij gaven van hun vijandige gezindheid blijk door zich met de andere natiën van Kanaän te verenigen om tegen de Israëlieten (onder leiding van Jozua) te strijden, toen zij hoorden dat Israël de Jordaan was overgetrokken en de steden Jericho en Ai had verwoest (Joz. 9:1, 2; 24:11). Daarom moesten de steden van de Hethieten verwoest en hun inwoners uitgeroeid worden, opdat zij geen gevaar zouden vormen voor Israëls loyaliteit jegens God en niet zouden veroorzaken dat het zich Gods misnoegen op de hals haalde (Deut. 20:16-18). De Israëlieten voerden Gods bevel echter niet volledig uit. Nadat Jozua gestorven was, bleven zij in hun ongehoorzaamheid in gebreke deze natiën te verdrijven, zodat ze als een doorn in hun zijde werden en hen voortdurend bestookten. — Num. 33:55, 56.

LATERE GESCHIEDENIS

Aangezien Israël God niet gehoorzaamde en de Kanaänitische natiën niet volledig vernietigde, verklaarde God: „Daarom heb ik, op mijn beurt, gezegd: ’Ik zal hen niet van voor uw aangezicht verdrijven, en zij moeten valstrikken voor u worden, en hun goden zullen u tot lokaas dienen’” (Recht. 2:3). Waarschijnlijk werden deze Kanaänieten door de Israëlieten geduld, en in een heel enkel geval kregen zij zelfs een aanzienlijke en verantwoordelijke positie. Twee Hethieten, Achimelech en Uria, dienden als soldaten (mogelijk als officieren) in Davids leger. Ook schijnen de Hethieten de enigen onder de Kanaänitische natiën te zijn geweest die als zodanig een zekere belangrijkheid en machtspositie behielden. — 1 Kon. 10:29; 2 Kon. 7:6.

Koning Salomo riep Hethitische mannen op om dwangarbeid te verrichten (2 Kron. 8:7, 8). Salomo’s buitenlandse vrouwen, onder wie zich ook Hethitische vrouwen bevonden, brachten hem er echter toe zich van Jehovah, zijn God, af te keren (1 Kon. 11:1-6). De bijbel vermeldt dat de Hethieten zelfs nog tijdens de regering van koning Joram van Israël (917–905 v.G.T.) koningen en een krijgsmacht hadden (2 Kon. 7:6). De veroveringen van het land door de Syriërs, de Assyriërs en de Babyloniërs hebben de macht van de Hethieten echter blijkbaar gebroken.

Na hun terugkeer uit ballingschap in 537 v.G.T. trouwden Israëlieten, ja, zelfs enkele priesters en levieten, met vrouwen uit de Kanaänitische natiën, en hun dochters gaven zij aan Kanaänitische mannen, onder wie zich ook Hethieten bevonden. Dit was een overtreding van Gods wet. Ezra berispte hen hiervoor, met als resultaat dat zij overeenkwamen hun buitenlandse vrouwen weg te zenden. — Ezra 9:1, 2; 10:14, 16-19, 44.

FIGUURLIJK GEBRUIK

Toen Jehovah bij monde van de profeet Ezechiël sprak, gebruikte hij de uitdrukking „Hethitische” in figuurlijke zin. Hij zei tot Jeruzalem: „Uw oorsprong en uw geboorte waren uit het land van de Kanaäniet. Uw vader was de Amoriet en uw moeder was een Hethitische.” Jeruzalem, de hoofdstad van het land, de stad waarop Jehovah zijn naam had gelegd, werd ten tijde van de intocht van de Israëlieten in het land door de Jebusieten bewoond. Maar aangezien de Amorieten en de Hethieten de bekendste stammen waren, werden deze kennelijk als vertegenwoordigend voor alle natiën van Kanaän, met inbegrip van de Jebusieten, genoemd. Jehovah schijnt dus te willen zeggen dat de stad Jeruzalem een slechte erfenis had ontvangen, maar dat Jehovah ervoor had gezorgd dat ze door koning David, die op „Jehovah’s troon” zat (1 Kron. 29:23), en door de ark des verbonds op de berg Sion, en uiteindelijk door de glorierijke tempel die Davids zoon Salomo bouwde, zeer schoon werd, zodat haar roem zich onder de natiën verbreidde. Maar mettertijd werd Jeruzalem net zo verdorven en immoreel als de Kanaänitische natiën rondom, en daarom bracht Jehovah ten slotte verwoesting over de stad. — Ezech. hfdst. 16.

WERELDLIJKE POGINGEN OM DE HETHIETEN TE IDENTIFICEREN

Historici en archeologen hebben getracht de Hethieten uit de bijbel in de wereldlijke geschiedenis terug te vinden. Zij gingen daarbij voornamelijk van linguïstische gegevens uit, door woorden te vergelijken die blijkbaar dezelfde klank hadden of hetzelfde werden geschreven.

De vereenzelviging van de Hethieten uit de bijbel met het „Hethietenrijk” waarvan de hoofdstad Hattusas was, berust louter op gissingen en is niet bewezen. Vanwege deze onzekerheid verschijnen in deze publikatie verwijzingen naar de wereldlijke „Hethieten” gewoonlijk tussen aanhalingstekens, om de lezer eraan te herinneren dat wij de zogenaamde bewijzen voor deze vereenzelviging niet voldoende steekhoudend vinden om ze als doorslaggevend te beschouwen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen