VERSCHIJNING.
Het Griekse woord fan·tasʹma komt alleen voor in de twee verslagen waarin wordt gezegd dat Jezus over het water van de Zee van Galilea naar zijn discipelen liep, die in een boot zaten (Matth. 14:26; Mark. 6:49). In beide verslagen staat dat de bevreesde discipelen zeiden: „Het is een verschijning!” Het woord fan·tasʹma betekent ’louter inbeelding, een onwerkelijkheid, een spookverschijning’. Het wordt in verschillende vertalingen weergegeven met „geest” (AV), „spook” (LV; NBG; PC), „spooksel” (OB; SV) en „verschijning” (NW; zie ook het commentaar op Mattheüs 14:26 in de Letterlijke en practicale Bijbelverklaring van het Nieuwe Testament door M. Henry).
Een verschijning is een illusie, iets wat er in werkelijkheid niet is maar wat men als gevolg van een geprikkelde fantasie of door andere oorzaken tijdelijk waarneemt. Met de woorden: „Ik ben het; vreest niet”, verzekerde Jezus de discipelen dat zij geen verschijning zagen, maar dat hij het werkelijk was. — Matth. 14:27; Mark. 6:50.
Deze situatie was daarom heel anders dan het voorval waarbij de uit de dood opgewekte Jezus plotseling in het midden van zijn discipelen verscheen, zodat zij meenden „een geest [Grieks: pneuʹma]” te aanschouwen (Luk. 24:36, 37). De woorden die Jezus in deze situatie sprak, waren kennelijk niet bedoeld om de discipelen louter van zijn werkelijkheid te overtuigen, maar om hen ervan te verzekeren dat hij in een vleselijk lichaam — in de gedaante van een mens en niet in de gedaante van een geest — aan hen verscheen; daarom zei hij tot hen: „Betast mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij aanschouwt dat ik heb” (Luk. 24:38-43; vergelijk Genesis 18:1-8; 19:1-3). Zij hoefden dus niet bevreesd te zijn zoals Daniël, die een ontzagwekkende hemelse verschijning van een totaal andere aard zag. (Vergelijk Daniël 10:4-9.) De situatie was voor hen ook heel anders dan voor Saulus van Tarsus, die blind werd toen Jezus hem op de weg naar Damaskus verscheen. — Hand. 9:1-9; 26:12-14.