Wonderen en verschijningen — tekenen van God?
„WONDEREN worden thans nog steeds beschouwd als . . . een soort aanbevelingsbrief, een waarborg voor Gods authentieke boodschap, zijn almachtige zegel op een van hem afkomstige opdracht of boodschap.” De wonderen waarop Joseph Vandrisse, correspondent bij het Vaticaan voor het Franse dagblad Le Figaro, hier doelt, zijn vanzelfsprekend de wonderen die door de Katholieke Kerk zijn goedgekeurd. Welke criteria houdt de kerk echter aan om te bepalen of een wonder of verschijning werkelijk van God komt?
Mag de kerk in eigen zaken rechter zijn?
Volgens katholieke autoriteiten moeten verschijningen aan twee voorwaarden voldoen. In de eerste plaats moeten ze in harmonie zijn met de leer van de kerk. Een treffend voorbeeld daarvan is de verschijning in Lourdes, waar de „Maagd” zich voorstelde als „De Onbevlekte Ontvangenis”. Het is interessant dat enkele jaren voordien paus Pius IX officieel had verklaard dat Maria bij de ontvangenis gevrijwaard was gebleven van de erfzonde. In 1933 gaf de toekomstige Pius XII als zijn mening te kennen dat de twee gebeurtenissen met elkaar verband hielden, want hij zei: „De Onbevlekte Maagd, Moeder van God en gezegend onder de vrouwen, wenste met haar eigen lippen te bevestigen wat in Rome door haar onfeilbare pontifex maximus was vastgesteld. Dit deed zij kort daarna in een beroemde verschijning in de grot van Massabielle [Lourdes].”
In de tweede plaats moet het gedrag van degene die de verschijning heeft gezien, in aanmerking worden genomen. Zoals de bisschop van Tours verklaarde: „De kerk . . . geloofde in de verschijningen [te Lourdes] wegens Bernadettes heiligheid.” En de kerkelijke autoriteiten zijn van mening dat zowel Bernadette als Lucie, die beweerden Maria in respectievelijk Lourdes en Fátima te hebben gezien, aan deze voorwaarde voldeden door later non te worden.
De overgebrachte boodschappen waren in overeenstemming met de katholieke leer. Het leven van de zieneressen was in harmonie met het door de kerk vastgestelde patroon. In deze gevallen wekt het nauwelijks verbazing dat de door de Katholieke Kerk erkende verschijningen uitsluitend haar eigen tradities en leerstellingen bekrachtigen, zelfs de meest recente, zoals de Onbevlekte Ontvangenis.
Zijn wonderen en verschijningen echter werkelijk tekenen uit de hemel waardoor de waarheidsgetrouwheid van de kerkelijke leer wordt bewezen? J. Bricout, redacteur van de Dictionnaire pratique des connaissances religieuses, citeerde een andere katholieke schrijver, P. Buysse, die schreef: „Aangezien de wonderen van Lourdes een specifieke samenhang vertonen met ’geloofsovertuigingen die kenmerkend zijn voor de Katholieke Kerk’ (de Onbevlekte Ontvangenis, de vaststelling van dit dogma door het pauselijk gezag, de verering van het Heilig Sacrament, de verering van de Maagd Maria, enzovoort), kan, of liever, moet men erkennen dat ’de leerstellingen van de kerk het zegel van Gods goedkeuring dragen’.”
De Katholieke Kerk kan zich echter niet rechtmatig op een dergelijke goddelijke waarborg beroepen. Door zichzelf de autoriteit toe te eigenen om te bepalen of verschijningen (en aanverwante wonderen) al dan niet van God afkomstig zijn, werpt ze zich op als rechter in eigen zaak.
Ook veel andere religies zeggen op wonderen te kunnen bogen en beweren Gods steun te genieten. Staat God achter de wonderen die in de charismatische bewegingen (niet-katholieke inbegrepen) of zelfs in niet-christelijke religies worden verricht? Dat is moeilijk te geloven, want de bijbel zegt ons dat God „geen God van wanorde, maar van vrede” is. — 1 Korinthiërs 14:33.
Wat is de juiste beoordelingsmaatstaf? Het boek Les signes de crédibilité de la révélation chrétienne legde uit dat de criteria voor het als authentiek beschouwen van een wonder hoofdzakelijk van morele en religieuze aard zijn.
In overeenstemming met de openbaring?
Volgens verscheidene katholieke schrijvers is „het eerste vereiste . . . dat de overgebrachte boodschap in overeenstemming is met de openbaring van het evangelie en de leerstellige traditie van de kerk”. „Geen nieuwe openbaring kan de oorspronkelijke openbaring wijzigen.” Bovendien verklaarde paus Johannes Paulus II dat „de boodschap die in 1917 in Fátima werd gegeven, de hele waarheid van het evangelie bevat”. Dit alles wil zeggen dat de door zulke verschijningen gegeven boodschap bovenal in overeenstemming moet zijn met de „openbaring”, de Heilige Schrift. Blijkt dit werkelijk het geval te zijn?
Welke conclusies kunnen getrokken worden uit de visioenen van een brandende hel die de herders in Fátima kregen? De Schrift laat duidelijk zien dat zondaars niet op die manier worden gestraft als zij sterven. Jezus zelf verklaarde dat wij Hem moeten vrezen die zowel lichaam als ziel kan vernietigen, daarmee aantonend dat de ziel kan sterven. Andere bijbelteksten leren duidelijk dat er in de dood geen bewustzijn is en dat de hoop weer tot leven te komen, gebaseerd is op de bijbelse belofte van een toekomstige opstanding. — Matthéüs 10:28; Prediker 9:5, 10; Johannes 5:28, 29.
En hoe staat het met de „Onbevlekte Ontvangenis” waarover Bernadette sprak? Ook die is lijnrecht in strijd met de bijbelse leer. Uit de Schrift blijkt dat Maria, zoals al Adams nakomelingen, ’in zonde werd ontvangen’ en de dood erfde (Psalm 51:5; Romeinen 3:23). Als Maria zonder zonde was ontvangen, waarom bracht zij dan een zondeoffer na de geboorte van Jezus? (Leviticus 12:6; Lukas 2:22-24) Bovendien is er geen enkele bijbeltekst waardoor de katholieke leerstelling wordt ondersteund die behelst dat zij door bijzondere begenadiging van de erfzonde gevrijwaard was. Daar er voor de aanbidding van Maria geen schriftuurlijke basis is, is het heel logisch vraagtekens te zetten bij de bewering dat haar verschijningen hun oorsprong vinden bij God.
Zouden ze een andere oorsprong kunnen hebben?
Natuurlijk weten bijbelgeleerden dat niet alle wondertekens van God afkomstig zijn. Na de wonderen aangehaald te hebben die in het bijzijn van Farao en Mozes door de Egyptische magiërs werden verricht, vermeldt de Dictionnaire de la Bible, onder redactie van F. Vigouroux, dat „in de laatste dagen valse profeten en valse christussen, allemaal werktuigen van de Duivel, veel wonderen zullen verrichten met het doel zelfs de getrouwe discipelen van Jezus Christus zo mogelijk te misleiden”. — Matthéüs 24:24; Exodus 7:8-13.
Maar als nu, zoals het geval was in Fátima, de verschijning de mensheid uitnodigt tot berouw te komen en gelovigen vraagt om de bekering van zondaars te bidden? Het is interessant dat een boek dat zich voor verschijningen uitspreekt, namelijk Fátima — Merveille du XXe siècle, vermeldt dat de priester die destijds in Fátima was, zijn twijfels uitsprak over de oorsprong van deze boodschappen, in weerwil van de inhoud ervan. Hij verklaarde: „Het zou heel goed demonisch bedrog kunnen zijn.” De bijbel maakt inderdaad duidelijk dat Satan ’zich vermomt als een engel van het licht’ en dat ook „zijn dienaars zich voordoen als dienaars van heiligheid” (2 Korinthiërs 11:14, 15, Willibrordvertaling). Een geloofwaardige boodschap is daarom nog geen bewijs dat een verschijning werkelijk van God komt.
Dit is ook de conclusie die getrokken wordt in Calmets Dictionnaire historique de la Bible, waarin staat: „Mirakelen en wonderwerken zijn niet altoos een vast bewijs dat degenen die ze verrichten heilig zijn of dat hun leer waarheid is, noch vormen ze een zeker getuigenis dat de zieners een zending hebben ontvangen.”
Christus verrichtte tijdens zijn verblijf op aarde veel wonderen. Wat was zijn bedoeling daarmee, en welk licht werpen ze op de tegenwoordige wonderen? Deze vragen zullen in het volgende artikel worden beantwoord.
[Kader/Illustratie op blz. 6]
9 december 1531.
Een Mexicaanse Indiaan, Juan Diego geheten, haastte zich naar de mis in Mexico-Stad. Onderweg kwam hij een dame tegen die hem opdroeg aan de bisschop van Mexico-Stad te vragen, precies op de plek waar zij stond een kerk te bouwen. De bisschop stond wat sceptisch tegenover de boodschap van de Indiaan.
Bij een volgende verschijning stelde zij zich voor als de moeder van de ware God en enige tijd later als de „Heilige Maria van Guadalupe”. Om hem een teken te verschaffen, zei ze Juan Diego wat rozen te plukken, hoewel het noch het jaargetijde noch de plaats was voor zulke bloemen. Niettemin vond hij er een paar en hij wikkelde ze in zijn mantel. Terwijl hij ze aan de bisschop overhandigde, verscheen er een levensgrote afbeelding van de „Maagd” op zijn mantel.
Dit voorval staat thans uitgebeeld in de basiliek van Guadalupe bij Mexico-Stad.
[Illustratie]
Guadalupe
[Kader/Illustratie op blz. 7]
11 februari 1858.
Een veertienjarig Frans meisje dat Bernadette Soubirous heette, was met nog twee kinderen brandhout aan het sprokkelen bij Lourdes, een plaats in het zuidwesten van Frankrijk bij de Spaanse grens. Net toen Bernadette een beek zou oversteken, verscheen haar in een grot een „dame”. Bij andere gelegenheden vroeg dezelfde „dame” om de bouw van een kapel op juist die plek en riep de gehele mensheid op tot berouw.
Toen Bernadette weer een verschijning kreeg, hoorde zij de „dame” in het plaatselijke dialect zeggen: „Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.” Bernadette Soubirous stond heel alleen tegenover de burgerlijke en zelfs de religieuze overheid, maar zij hield vol dat haar verklaringen waar waren. Ten slotte erkende de Katholieke Kerk officieel de verschijningen van de „Maagd”. Het heiligdom in Lourdes is het resultaat.
[Illustratie]
Lourdes
[Kader/Illustratie op blz. 8]
13 mei 1917.
Een jonge herder en twee herderinnetjes hoedden hun kudden bij Fátima, in Midden-Portugal, waar zij hun eerste verschijning van de „Maagd” zagen. Bij een latere verschijning haastten mensen zich naar de plek in de hoop een teken te ontvangen. Zij beweerden te hebben gezien dat de zon aan de hemel danste en daarna naar de aarde viel.
De kinderen kregen ook „geheimen” toevertrouwd. Zij hadden een visioen van de hel, waar zij zondaars afschuwelijk zagen lijden in verschrikkelijke vlammen. De „Maagd” deed ook het verzoek Rusland toe te wijden aan haar „onbevlekte hart”. Latere pausen vervulden haar wens. Een laatste „geheim” wordt bewaard door de hoogste autoriteiten van de Katholieke Kerk, die tot op heden weigeren het aan het publiek bekend te maken.
[Illustratie]
Fátima