Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 66-68
  • Ammonieten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ammonieten
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HUN GEBIED
  • GESCHILLEN MET ISRAËL
  • Tijdens Davids regering
  • Ten tijde van het verdeelde koninkrijk
  • BABYLONISCHE INVASIE
  • VERZWAGERING MET ISRAËLIETEN
  • Ammonieten
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • De Ammonieten — Een volk dat goedheid beantwoordde met vijandigheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Waarom zijn zij als volken verdwenen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Ammon
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 66-68

AMMONIETEN

(Ammoni̱e̱ten).

De nakomelingen van Ammon, de zoon van Lot bij zijn jongste dochter (Gen. 19:36-38). Zij waren nauw verwant aan de Moabieten, de nakomelingen van Moab, de andere zoon van Lot, en worden zowel in de bijbelse als de oude wereldlijke geschiedenis gewoonlijk samen met de Moabieten genoemd. Volgens de bijbel waren zij ook verre verwanten van de Israëlieten, hetgeen wordt ondersteund door het feit dat de Ammonitische taal een dialect of variant van het Hebreeuws was. Op een enkele uitzondering na waren de Ammonieten echter hardnekkige vijanden van de natie Israël.

HUN GEBIED

Klaarblijkelijk uit consideratie jegens hun getrouwe voorvader Lot liet Jehovah God de Ammonieten het gebied in bezit nemen dat voordien door de Refaïeten (een volk van reuzen, door de Ammonieten Zamzummieten genoemd) werd bewoond (Deut. 2:17-21). Dit land lag ten O. van de benedenloop van de rivier de Jordaan. Vroeger grensde het gebied van de Ammonieten aan dat van de Moabieten, die op de hoogvlakte ten O. van de Dode Zee woonden. Kort voordat Israël Kanaän binnentrok, hadden de Amorieten de Ammonieten echter een stuk land ontnomen en hen naar het N. en O. gedrongen, waardoor zij een wig dreven tussen de Ammonieten en de Moabieten (die eveneens een behoorlijk stuk gebied kwijtraakten) (Num. 21:26; Joz. 12:2; Recht. 11:13, 22). Daarna strekte het land van de zonen van Ammon zich in het algemeen uit van de kronkelende bovenloop van de rivier de Jabbok tot aan de woestijn in het O. (Num. 21:24; Joz. 12:2), met Rabba (het huidige Amman), bij de bronnen van de Jabbok, als hoofdstad (Deut. 3:11). Archeologen hebben in dit gebied Ammonitische ruïneheuvels en grensversterkingen ontdekt.

Toen de Israëlieten de naburige Amorieten onderwierpen, hielden zij er op Gods bevel zorgvuldig rekening mee het grondgebied van de Ammonieten niet te betreden (Deut. 2:37; Joz. 13:8-10). Hoewel derhalve in Jozua 13:25 staat dat de stam Gad onder meer „het halve land van de zonen van Ammon” als erfdeel ontving, wordt er kennelijk verwezen naar dat deel van het land dat de Amorieten voorheen van de Ammonieten hadden afgenomen, blijkbaar het gebied dat tussen de rivier de Jordaan en de bovenloop van de Jabbok lag.

GESCHILLEN MET ISRAËL

Alhoewel de Ammonieten met de Moabieten schijnen te hebben samengewerkt toen dezen de profeet Bileam huurden om Israël te vervloeken, bonden zij niet onmiddellijk de strijd met Israël aan (Deut. 23:3, 4). Pas toen Eglon koning van Moab was, sloten de Ammonieten zich, samen met de Amalekieten, bij de Moabieten aan om Israël aan te vallen. Zij trokken westwaarts naar Jericho, dat in de nabijheid van de Jordaan lag (Recht. 3:12-14). Nadat rechter Ehud de door deze aanval aangerichte schade had hersteld (vs. 26-30), vormden de Ammonieten geen ernstige bedreiging meer voor Israël, tot aan de dagen van Jefta. Toen waren de Israëlieten weer de goden van de natiën gaan dienen, met het gevolg dat zij 18 jaar lang werden onderdrukt, waarbij de Ammonieten vanuit het O. druk op Israël uitoefenden en de Filistijnen hen vanuit het W. bedreigden. Ammonitische strijdkrachten terroriseerden niet alleen de in Gilead wonende Israëlieten, maar deden ook invallen ten W. van de Jordaan om de stammen Benjamin, Juda en Efraïm te bestoken (10:6-10). Toen de Israëlieten zich ten slotte van valse religie hadden gereinigd, schaarden zij zich om Jefta, die zij tot hun leider hadden aangesteld. Nadat Jefta de beschuldigingen van de Ammonieten dat Israël het land wederrechtelijk in bezit had genomen, wettelijk had weerlegd, leden de Ammonieten een verpletterende nederlaag. — 10:16–11:33; zie JEFTA.

Volgens de Septuaginta belegerde Nahas, de koning van de Ammonieten, ongeveer één maand nadat Saul tot koning van Israël was benoemd, de stad Jabes in Gilead. Hij eiste de overgave van de stad onder de wrede voorwaarde dat hij slechts vrede zou sluiten wanneer de mannen zich ieder het rechteroog zouden laten uitsteken. Toen Saul over de belegering hoorde, bewees hij zijn waarde als koning door de Israëlitische strijdkrachten op de been te brengen en de Ammonieten totaal te verslaan (1 Sam. 11:1-4, 11-15). Samuëls latere verklaring onthult dat het de toenemende bedreiging door de Ammonieten onder Nahas was die de Israëlieten er uiteindelijk toe had gebracht om een koning te vragen. — 1 Sam. 12:12.

Tijdens Davids regering

Ook David bracht de Ammonieten nederlagen toe, waarna hij buit of schatting van hen meevoerde (1 Kron. 18:11). Het verslag hierover in 2 Samuël 8:11, 12 maakt deel uit van een opsomming van Davids overwinningen. Deze opsomming is echter niet noodzakelijkerwijs in strikt chronologische volgorde tussen de eraan voorafgaande en de erop volgende verslagen gerangschikt. Volgens 2 Samuël 10:1, 2 zou er dan ook tijdens Davids regering tot aan de dood van koning Nahas een betrekkelijk vreedzame verhouding tussen Ammon en Israël hebben bestaan. Hanun, Nahas’ zoon en opvolger, maakte David echter vreselijk kwaad door de boden die David hem ter vertroosting had gezonden, te vernederen. Toen de Ammonieten beseften hoezeer zij David beledigd hadden, wierven zij Syrische soldaten aan en bereidden een aanval op Israël voor, maar de Israëlitische veldheer Joab en zijn broer Abisaï waren hun te slim af en versloegen hen. — 2 Sam. 10:1-14; 1 Kron. 19:6-15.

In het daaropvolgende voorjaar werd Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, door Davids strijdkrachten belegerd. Tijdens één gewaagde uitval van de belegerde Ammonieten werd Uria de Hethiet gedood (2 Sam. 11:1, 17, 24, 26, 27). David heeft de Ammonitische hoofdstad ten slotte volledig veroverd. — 2 Sam. 12:26-29; zie RABBA.

Door de wijze waarop de Statenvertaling, de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Luther-vertaling 2 Samuël 12:31 weergeven, hebben sommigen geconcludeerd dat de overwonnen Ammonieten door David op wrede wijze in stukken gezaagd, in stukken gehakt en verbrand werden. Andere, meestal recentere, vertalingen (WV, LV, NW, PC) geven echter de juiste betekenis weer en laten zien dat de Ammonieten tot dwangarbeiders werden gemaakt, die met zagen en bijlen moesten werken en bakstenen moesten maken. Dit wordt bevestigd doordat thans bekend is dat de Hebreeuwse uitdrukking die in enkele vertalingen met „ticheloven” wordt weergegeven, veeleer betrekking had op een houten vorm waarin leem tot tichels of bakstenen werd gevormd.

Ten tijde van het verdeelde koninkrijk

Ten slotte werden de Ammonieten weer onafhankelijk van de Davidische koningen, en tijdens de regering van Josafat (936–911 v.G.T.) verbonden zij zich met de Moabieten en de bewoners van het bergland Seïr. Zij ondernamen een gezamenlijke aanval op Juda, maar leden een verpletterende nederlaag (2 Kron. 20:1-4, 10-26). In de inscripties van de Assyrische koning Salmaneser III, die ten tijde van de Israëlitische koning Jehu (905–876 v.G.T.) regeerde, wordt melding gemaakt van de legers van „Basa, zoon van Ruhubi, uit Ammon” als onderdeel van een coalitie van koningen die in de slag bij Karkar tegen Assyrië streden. Een van de samenzweerders die koning Joas van Juda (898–858 v.G.T.) doodden, was een Ammonitische dienstknecht, Zabad genaamd (2 Kron. 24:22, 26). Onder de sterke regering van Uzzia (829–777 v.G.T.) werden de Ammonieten nogmaals schatplichtig aan Juda (2 Kron. 26:8). Uzzia’s zoon Jotham eiste na zijn overwinning op de Ammonieten van hen als schatting 100 talenten zilver, 10.000 kor-maten (ongeveer 2.200.000 liter) tarwe en 10.000 kor-maten gerst (2 Kron. 27:5). Dat de Ammonieten dit grote bedrag drie jaar achter elkaar konden betalen, kan te danken zijn geweest aan het feit dat hun gebied aan een van de voornaamste handelsroutes tussen Arabië en Damaskus lag en het Jabbokdal betrekkelijk vruchtbaar was. Nu nog behoren tarwe en gerst tot de voornaamste produkten van deze streek.

De toenemende invloed van Assyrië in Palestina gedurende de regering van Jothams opvolger Achaz (761–745 v.G.T.), stelde de Ammonieten klaarblijkelijk in staat zich van de Judese overheersing te bevrijden, om deze slechts te verruilen voor onderdrukking door Assyrië, want uit de annalen van Tiglath-Pileser III blijkt dat „Sanipu van Bit-Ammon [het huis van Ammon]” te zamen met Achaz van Juda en Salamanu van Moab schatting aan Assyrië betaalde. Ook het prisma van Sanherib met het bericht over zijn invasie in Juda ten tijde van Hizkia toont aan dat Ammon de Assyrische veroveraar geschenken bracht, en Sanheribs zoon Esar-Haddon, een tijdgenoot van Manasse, bericht dat „Puduil, koning van Beth-Ammon” tot degenen behoorde die materiaal voor de bouw van de stad Nineve leverde.

Waarschijnlijk begonnen de Ammonieten nadat Tiglath-Pileser en enkele Assyrische heersers na hem de bevolking van het noordelijke koninkrijk Israël hadden gedeporteerd (2 Kon. 15:29; 17:6), het gebied van de stam Gad in bezit te nemen, waar zij eens vergeefs tegen Jefta om gestreden hadden. (Vergelijk Psalm 83:4-8.) In Jehovah’s profetische boodschap bij monde van Jeremia worden de Ammonieten wegens het innemen van het erfdeel van Gad berispt en worden zij voor een komende verwoesting van Ammon en hun god Malkam (Milkom) gewaarschuwd (Jer. 49:1-5). Desondanks gingen de Ammonieten nog verder, door tijdens de laatste jaren van het koninkrijk Juda onder koning Jojakim, roversbenden te zenden om Juda te bestoken. — 2 Kon. 24:2, 3.

BABYLONISCHE INVASIE

Toen Juda door de Babyloniërs werd omvergeworpen (607 v.G.T.), vluchtten enkele joden naar Ammon, Moab en Edom, maar toen zij hoorden dat Gedalja over het land was aangesteld, keerden zij terug (Jer. 40:11, 12). Gedalja werd echter vermoord als gevolg van een samenzwering tussen koning Baälis van Ammon en de Judese legeroverste Ismaël (2 Kon. 25:23; Jer. 40:14; 41:1-3). Daarna zocht Ismaël toevlucht in Ammon. — Jer. 41:10-15.

Alhoewel Ammon zich verheugde over de val van Jeruzalem, kwam ten slotte toch Jehovah’s „dag van afrekening” voor de besneden Ammonieten, omdat zij onbesneden van hart waren (Jer. 9:25, 26; Ezech. 25:1-10). Zoals Jeremia, Ezechiël en Amos hadden geprofeteerd, begonnen de Ammonieten de beker van Jehovah’s gramschap te drinken en ervoeren zij hoe het zwaard, de honger en de pestilentie over hen kwamen en hoe hun land verwoest werd. — Jer. 25:17, 21; 27:1-8; Ezech. 25:1-10; Amos 1:13-15.

Dat Ammon niet bereid was zich aan het Babylonische juk te onderwerpen, wordt te kennen gegeven door Ezechiël, die bericht dat de koning van Babylon (Nebukadnezar) op de tweesprong bleef staan om door waarzeggerij vast te stellen of hij tegen de Ammonitische stad Rabba of tegen Juda zou optrekken (Ezech. 21:19-23, 28-32). Alhoewel de keus zodanig uitviel dat hij eerst de aanval op Jeruzalem deed, bericht de joodse geschiedschrijver Josephus dat Nebukadnezar in het vijfde jaar na de verwoesting van Jeruzalem terugkeerde om oorlog te voeren tegen Coele-Syrië, Ammon en Moab en daarna Egypte aanviel (De joodse geschiedenis, X, ix, 7). Dat Ammon tot „een rustplaats voor kleinvee” en Rabba tot „een weidegrond voor kamelen” werd (Ezech. 25:5), wordt door archeologische ontdekkingen bevestigd, die aantoonden dat „Transjordanië vóór het midden van de 6de eeuw v. Chr. grotendeels ontvolkt was en dat de daar wonende Ammonitische bevolking tegen de 3de eeuw bijna geheel verdwenen was” (The Interpreter’s Dictionary of the Bible, 1962, Deel I, blz. 112). Derhalve waren de oosterlingen, die op kamelen reden, in staat het land in bezit te nemen en er hun tenten op te slaan. — Ezech. 25:4.

Waarschijnlijk bevonden zich onder de diverse bevolkingsgroepen die Cyrus, de veroveraar van Babylon, toestond naar hun geboorteland terug te keren, ook Ammonieten, waardoor Jeremia 49:6 werd vervuld.

VERZWAGERING MET ISRAËLIETEN

Na de terugkeer van de joden uit ballingschap (537 v.G.T.) had een Ammoniet, Tobia genaamd, een belangrijk aandeel aan de pogingen die werden ondernomen om de herbouw van de muren van Jeruzalem te dwarsbomen (Neh. 4:3, 7, 8). Toch had hij later de aanmatigende onbeschaamdheid om een eetzaal op het tempelterrein te gebruiken, totdat Nehemia verontwaardigd al zijn huisraad eruit gooide (Neh. 13:4-8). Ook hadden velen van de teruggekeerde joodse ballingen Ammonitische en andere buitenlandse vrouwen genomen. Nadat zij hiervoor streng waren berispt, werden deze vrouwen weggezonden. — Ezra 9:1, 2; 10:10-19, 44; Neh. 13:23-27.

Na Tobia’s verwijdering uit het tempelgebied werd Gods wet in Deuteronomium 23:3-6, die het de Ammonieten en Moabieten verbood in de gemeente van Israël te komen, voorgelezen en toegepast (Neh. 13:1-3). Deze restrictie, die de Ammonieten en Moabieten zo’n 1000 jaar daarvóór was opgelegd omdat zij geweigerd hadden de Israëlieten te helpen toen dezen het Beloofde Land naderden, wordt over het algemeen opgevat in de zin dat personen die tot deze volken behoorden, geen volwaardige leden van de natie Israël konden worden en niet dezelfde rechten en voorrechten als zij konden genieten. Het betekent niet noodzakelijkerwijs dat het individuele Ammonieten en Moabieten niet was toegestaan met Israëlieten om te gaan of onder hen te wonen en aldus voordeel te trekken van de goddelijke zegeningen die zij als Jehovah’s volk genoten. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat een Ammoniet genaamd Zelek tot Davids voornaamste strijders behoorde, alsook uit het verslag over Ruth, de Moabitische. — Ruth 1:4, 16-18.

Wat dit laatstgenoemde geval betreft, Ruths huwelijk met Boaz toont aan dat vrouwen van deze volken, wanneer zij zich tot de aanbidding van de ware God hadden gekeerd, voor joden aanvaardbare huwelijkspartners konden zijn. Omdat de uitdrukkingen „Ammoniet” en „Moabiet” in de Hebreeuwse tekst van Deuteronomium 23:3-6 in de mannelijke vorm staan, wordt in de joodse talmoed beweerd dat alleen de mannelijke Ammonieten en Moabieten van de gemeenschap van Israël waren buitengesloten. Maar het feit dat Ezra erop stond dat de joden hun buitenlandse vrouwen wegzonden en Nehemia reeds eerder op soortgelijke wijze was opgetreden, geeft te kennen dat Ammonitische en Moabitische vrouwen pas in de gemeenschap van Israël opgenomen werden wanneer zij de ware aanbidding hadden aanvaard.

Alhoewel geschiedkundig bewijsmateriaal, met inbegrip van het apocriefe boek 1 Makkabeeën (5:6), aantoont dat Ammon tot aan de 2de eeuw v.G.T. als een zelfstandig gebied bleef bestaan, schijnt het in de 1ste eeuw v.G.T. bij het Nabatese koninkrijk te zijn ingelijfd. In de 3de eeuw G.T. verdwenen de Ammonieten als volk uit de geschiedenis, ongetwijfeld doordat zij in de Arabische stammen waren opgegaan. Zoals Zefanja had geprofeteerd, waren de zonen van Ammon „als Gomorra . . . en een verlaten woestenij” geworden. — Zef. 2:8-10.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen