AMNESTIE.
In Esther 2:18 wordt verhaald dat de Perzische monarch Ahasveros, nadat hij Esther tot koningin had gemaakt, ter ere van haar een groot feestmaal aanrechtte en „amnestie voor de rechtsgebieden” van zijn rijk verleende. Het hier gebruikte Hebreeuwse woord hana·chahʹ komt in de Schrift slechts eenmaal voor. Het wordt verschillend vertaald, bijvoorbeeld met „vrijlating” (AV, [Engels]), „vrijstelling van belastingen” (NBG), ’een vrije dag’ (LV) of „rust” (SV en Lu); en commentators zijn van mening dat er bij de vrijlating of amnestie een kwijtschelding van schatting, een vrijstelling van militaire dienst, een vrijlating uit de gevangenis of een combinatie daarvan betrokken kan zijn geweest.
Elders in de Schrift wordt een ander Hebreeuws woord (sjemit·tahʹ) gebruikt om een kwijtschelding van schuld of een tijdelijke staking van werk aan te duiden (Deut. 15:1, 2, 9; 31:10; zie SABBATJAAR). Wat de vrijlating van gevangenen betreft kan er worden opgemerkt dat er tijdens de regering van Xerxes de Grote, van wie men gelooft dat hij de Ahasveros uit het boek Esther is, een aantal opstanden plaatsvond. Een aan Xerxes toegeschreven inscriptie in Persepolis luidt: „Nadat ik koning was geworden, waren er onder deze landen enkele . . . die in opstand kwamen, maar ik onderwierp deze landen . . . en ik herstelde er de orde” (E. Herzfeld, Altpersische Inschriften, 1938, blz. 34). Na de onderdrukking van dergelijke opstanden waren er ongetwijfeld politieke gevangenen, en Ahasveros kan het feest waarop Esther tot koningin werd gemaakt, als gelegenheid hebben benut om de aanklachten tegen die opstandelingen in te trekken en hun amnestie te verlenen of vrij te laten. (Vergelijk Mattheüs 27:15.) De exacte aard van de amnestie blijft echter onzeker.