Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g99 8/1 blz. 18-22
  • De uitdagingen en zegeningen van het grootbrengen van zeven zoons

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De uitdagingen en zegeningen van het grootbrengen van zeven zoons
  • Ontwaakt! 1999
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik had mijn handen vol!
  • Onze jongens grootbrengen volgens bijbelse beginselen
  • Een theocratisch avontuur
  • Streng onderricht met een stuk taart
  • Het leven was plezierig
  • Hoe de jongens streng onderricht bezagen
  • Wij hadden onze tegenslagen
  • Een grote verandering in ons leven
  • Wij ontvingen een doel in het leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Een gelukkig gezinsleven — Hoe wij dit bereiken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Ik dank Jehovah voor mijn vijf zoons
    Ontwaakt! 1999
  • Zaden die vele jaren later vrucht droegen
    Ontwaakt! 1999
Meer weergeven
Ontwaakt! 1999
g99 8/1 blz. 18-22

De uitdagingen en zegeningen van het grootbrengen van zeven zoons

Verteld door Bert en Margaret Dickman

Ik ben in 1927 geboren in Omaha (Nebraska, VS) en groeide op in South Dakota. Ik herinner me mijn jeugd tijdens de moeilijke jaren van de Grote Depressie (1929–1942). Moeder maakte altijd wat zij kerkhofsoep noemde. Ze deed dan wat vet in de koekenpan en voegde wat water toe, en wij doopten er ons brood in. Voor veel gezinnen waren het moeilijke tijden.

MIJN familieleden waren niet religieus — zij zagen te veel huichelarij in de plaatselijke protestantse religies. Wat mij betreft, mijn denken werd gevormd door twee jaar in het leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik leerde er drinken en gokken.

Tijdens verlof uit het leger ging ik naar een plaatselijke dansavond waar ik Margaret Schlaht ontmoette, een meisje van Duits-Oekraïense afkomst. Wij werden verliefd en na drie maanden verkering trouwden wij in 1946. Binnen acht jaar kregen wij zeven zoons, en wij leerden met vallen en opstaan wat het inhoudt om ouders te zijn.

In 1951 kreeg ik een ernstig ongeluk bij de houtzagerij en verloor daarbij bijna mijn linkeronderarm. Ik moest twee jaar in het ziekenhuis verblijven voor huid- en bottransplantaties. Ondertussen zorgde Margaret voor vijf jongens. Dankzij vrienden en buren is zij die zware tijd doorgekomen. Toen ik in het ziekenhuis lag, had ik heel veel tijd om over het doel van het leven na te denken. Ik probeerde de bijbel te lezen maar het lukte mij niet erg hem te begrijpen.

Kort nadat ik uit het ziekenhuis kwam, verhuisden wij naar Opportunity, een stad in de staat Washington, en ging ik samen met mijn zwager in de bouw werken. Nu zal ik Margaret haar deel van het verhaal laten vertellen.

Ik had mijn handen vol!

Ik werd grootgebracht op een boerderij waar wij graan verbouwden, een paar melkkoeien hielden, en groente en fruit inmaakten. Ik had een sterke werkethiek die mij had voorbereid op toekomstige uitdagingen in het leven, waarvan er vele zouden komen. Wij kwamen beter door de Depressie heen dan de meesten omdat wij tenminste altijd voedsel hadden.

Mijn ouders hadden geen tijd voor religie hoewel ik zo nu en dan de zondagsschool bezocht. Bert en ik trouwden op de leeftijd van negentien jaar. Wij gingen niet naar een kerk — wij hadden slechts een eenvoudige ceremonie in de voorkamer van het huis van mijn ouders en een congregationalistische predikant voltrok het huwelijk. In een korte tijd heb ik het leven geschonken aan zeven jongens — Richard, Dan, Doug, Gary, Michael, Ken en ten slotte Scott, in 1954. Zij zorgden ervoor dat ik mijn handen vol had!

Nadat wij naar Opportunity waren verhuisd, kwam er een dame bij ons aan de deur om over de bijbel te spreken. Ik vroeg haar of ze in het hellevuur geloofde, een leerstelling die mij echt beangstigde. Tot mijn grote opluchting legde zij uit dat het hellevuur geen bijbelse leerstelling is en dat zelfs de leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel niet in de bijbel staat! Ik had altijd geleefd met de angst en de vrees om te sterven en kon het hellevuur niet verenigen met een God van liefde. Ik besloot dat ik mijn kinderen nooit zulke leugens zou onderwijzen.

In 1955 begon ik de bijbel te bestuderen met behulp van het boek „God zij waarachtig”a. En ja hoor, net op dat moment toonde ook de voorganger van de pinkstergemeente plotseling belangstelling voor mij en wilde mij van Jehovah’s Getuigen redden! Hij maakte een grote fout — hij begon me voor het hellevuur te waarschuwen! Hij stuurde zelfs drie van zijn pinksterdames langs om te proberen mij van het studeren met de Getuigen af te brengen.

Inmiddels luisterde Bert vanuit de voorkamer mee als ik bijbelstudie had. Later begon hij de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften te lezen en begonnen de dingen voor hem wat duidelijker te worden. Hij had avonddienst en werkte tot middernacht. Uiteraard lag ik in bed wanneer hij thuiskwam. Op een keer sloop ik naar beneden en zag hem stiekem mijn boeken lezen! Stilletjes ging ik weer naar bed, ingenomen met het feit dat hij zelf de dingen onderzocht. Uiteindelijk had ook hij bijbelstudie en in 1956 werden wij als Getuigen gedoopt.

Omdat ik in acht jaar zeven zoons had gekregen, vond ik het een hele uitdaging er dagelijks voor te zorgen dat zij gevoed en gekleed waren en het huis schoon en netjes bleef. De jongens leerden thuis hun steentje bij te dragen. Ik heb vaak gezegd: ’Een afwasmachine heb ik niet — ik heb er zeven!’ Iedereen hielp om beurten bij deze noodzakelijke klus. Natuurlijk was Bert een grote hulp. Hij hield de hand aan consequent streng onderricht en huisregels, maar hield ook de communicatie open. De jongens respecteerden hun vader hoewel zij niet bang voor hem waren. Bert verwaarloosde nooit zijn verantwoordelijkheid zijn zoons te onderwijzen over datgene wat hij volgens hun dierbare herinnering „de bloemetjes en de bijtjes” noemde.

Richard, onze oudste zoon, ging in 1966 als vrijwilliger werken op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn (New York). Om de eerste het nest te zien verlaten, was nogal een beproeving voor mij. Elke dag die lege stoel aan tafel maakte mij verdrietig. Maar ik was blij dat hij waardevolle ervaring opdeed en opleiding ontving.

Ik zal Bert het verhaal laten vervolgen.

Onze jongens grootbrengen volgens bijbelse beginselen

Margaret en ik werden gedoopt op een congres in Spokane (Washington). Nu stonden wij voor de uitdaging om onze jongens volgens bijbelse beginselen groot te brengen — wat men de ouderwetse manier zou kunnen noemen. Ik tolereerde geen leugens, geen voortrekkerij en geen dubbele maatstaven, en dat wisten de jongens. Wij leerden hun dat Jehovah het beste verdient.

Zij wisten echter dat zij mij in vertrouwen konden nemen omdat wij een hechte band hadden en zoveel dingen samen deden. Wij genoten ervan als gezin naar het strand te gaan, te picknicken in de bergen en te softballen. Wij hadden dieren en een tuin, en de jongens hielpen mee met wat er ook maar gedaan moest worden. Zo leerden zij dat het niet alleen spelen was maar ook werken. Wij probeerden onze activiteiten in evenwicht te houden.

Een theocratisch avontuur

Wat de geestelijke kant betreft, wij gingen allemaal samen naar de christelijke vergaderingen in de Koninkrijkszaal en wij hadden onze geregelde gezinsbijbelstudie. In 1957 woonden wij een congres van Jehovah’s Getuigen bij in Seattle (Washington). Tijdens het programma werd er een oproep gericht tot gezinnen om te verhuizen naar gebieden waar de behoefte aan Getuigen in verband met de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk groter was. Ons gezin vond dit een goed idee en wij begonnen plannen te maken voor onze verhuizing. Eerst gingen wij in 1958 naar Missouri en daarna, in 1959, naar Mississippi.

In 1958 beleefden wij ons eerste grote theocratische avontuur. Ik bouwde een kampeerwagen, die wij trokken met een oude zescilinder, een DeSoto uit 1947, met drie zitplaatsen. Dat jaar reisden wij met ons negenen in die auto naar New York om een internationaal congres bij te wonen. Wij waren weken op pad, onderweg kamperend, om van Spokane aan de westkust in New York te komen — een afstand van meer dan 4200 kilometer! Met veel genoegen herinneren de jongens zich die reis als kwaliteitstijd waarin wij een hoop plezier hebben beleefd.

Streng onderricht met een stuk taart

Op dat congres kregen wij onze exemplaren van het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijsb. Dat boek werd samen met de bijbel het basismateriaal voor onze wekelijkse gezinsbijbelstudie. Alle jongens leerden op jonge leeftijd lezen. Na school bracht Marge altijd wat tijd met hen door terwijl zij luisterde als ze de bijbel voorlazen. Wij lieten niet toe dat de televisie hun geest in beslag nam.

Er was discipline en respect binnen ons gezin. Op een keer had Margaret een grote taart gebakken — een van haar specialiteiten. Die dag stonden er worteltjes op het menu. Wij moedigden de jongens altijd aan om hun groente op zijn minst te proeven. Doug hield niet van worteltjes. Hem werd verteld dat als hij de worteltjes niet opat, hij geen taart zou krijgen. Hij weigerde nog steeds zijn bord leeg te eten. Margaret zei: „Als je die worteltjes niet eet, krijgt de hond jouw stuk taart.” Ik denk niet dat Doug haar echt geloofde totdat hij Blackie zijn heerlijke stuk taart zag verorberen! Hij leerde een les uit die ervaring en de andere jongens ook. Wij als ouders meenden wat wij zeiden.

Het leven was plezierig

Margaret en ik werden geleid door Jezus’ woorden in Mattheüs 6:33: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd.” Als gezin probeerden wij de Koninkrijksbelangen op de eerste plaats te stellen. Wij genoten er allemaal van om samen te prediken, en de jongens gingen altijd om beurten met mij van huis tot huis. Iedereen had zijn eigen tas, bijbel en bijbelse lectuur. Wij prezen hen voor elke vordering die zij maakten. Margaret gaf hun vaak een dikke knuffel. Ja, wij toonden hun regelmatig onze genegenheid. Wij maakten altijd tijd voor de jongens — het leven was plezierig!

Toen de jongens opgroeiden, hadden zij verantwoordelijkheden zoals het ophalen van personen voor de vergadering, het openen van de Koninkrijkszaal en het helpen bij andere taken. Zij leerden de Koninkrijkszaal te waarderen als hun plaats van aanbidding en vonden het fijn deze te onderhouden.

Wij moedigden hen aan zich op christelijke vergaderingen te uiten. Zij hielden korte oefenlezingen op de theocratische bedieningsschool, waar zij geleidelijk leerden sprekers te zijn. Michael, onze vijfde zoon, had altijd een hekel aan spreken in het openbaar en had het moeilijk op het podium. Halverwege zijn lezingen begon hij dan uit frustratie te huilen omdat hij niet in staat was het af te maken. Na verloop van tijd kwam hij eroverheen en nu, als getrouwde man, dient hij als reizende opziener, waarbij hij verschillende gemeenten bezoekt en een aantal keren per week lezingen houdt. Wat een verandering!

Hoe de jongens streng onderricht bezagen

Ontwaakt! nam contact op met Michael om van hem een indruk te krijgen hoe het was om op de ouderwetse manier te worden opgevoed. „Wij beschouwden Pa als een zachtaardig persoon die een voorstander was van streng onderricht. Ik herinner me dat ik als tiener voor een radiostation ging werken. Ik wilde een auto zodat ik ook als pionier een aandeel aan de volletijddienst kon hebben. De manager van het radiostation bood mij zijn tweedeurs Ford Mustang cabriolet aan, een sportieve wagen die bij de jeugd in trek was. Ik had mijn zinnen erop gezet, hoewel ik wist dat hij niet erg praktisch was om mensen mee te nemen in de velddienst. Ik ging naar Pa met een bepaalde schroom. Toen ik hem over het aanbod vertelde, zei hij: ’Laten we erover praten.’ Ik wist wat dat betekende! Hij redeneerde met mij en liet me de voordelen van een praktischer auto zien. Dus kocht ik een vierdeurs auto en na er in mijn predikingstoewijzing meer dan 160.000 kilometer mee te hebben gereden, kon ik alleen maar zeggen: ’Pa had weer gelijk.’

De verhuizingen toen wij jong waren — van Washington naar Missouri en daarna naar Mississippi — waren opwindende ervaringen. Wij genoten ervan. Zelfs met ons negenen een jaar in een kampeerwagen van twee en een half bij elf meter wonen, had z’n leuke kanten en het leerde ons georganiseerd te zijn en met elkaar op te schieten, zelfs in een krappe behuizing. Uiteraard speelden wij vrij vaak buiten.

Nog een herinnering die ik koester, is hoe Pa de dagtekst met ons besprak. In 1966 bezocht hij de school voor ouderlingen op de Kingdom Farm in South Lansing (New York) en zag hij dat de Bethelfamilie nazoekwerk deed om elke dag commentaar op de tekst te kunnen geven. Hij voerde bij ons thuis dezelfde routine in. Elk van ons zeven jongens kreeg een ochtend toegewezen om een commentaar te geven over het nazoekwerk dat we hadden gedaan. Hoewel wij soms mopperden, leerden wij daardoor hoe wij nazoekwerk moesten doen en ons moesten uitdrukken. Zulke gewoonten houden een leven lang stand.

Ik was onder de indruk van de offers die Pa en Ma voor ons brachten. Toen mijn twee oudere broers, Richard en Dan, geld voor het gezin hadden kunnen verdienen, moedigden onze ouders hen aan naar Brooklyn (New York) te gaan om als vrijwilliger op het internationale hoofdbureau van het Wachttorengenootschap te dienen. Onze ouders spaarden ook geld zodat vijf van ons naar New York konden vliegen om het hoofdbureau met eigen ogen te zien. Dat heeft mij erg ontroerd. Het vergrootte onze waardering voor Jehovah’s organisatie.

Nu laat ik Pa verder vertellen.”

Wij hadden onze tegenslagen

Net als elk ander gezin hebben wij onze problemen en tegenslagen gehad. Toen de jongens de leeftijd kregen voor verkering, moest ik hun raad geven over het zich overhaast in een huwelijk storten met het eerste het beste meisje waar hun oog op viel. Wij zorgden er ook voor dat zij altijd een geschikte chaperon meenamen. Wij wilden dat zij enige levenservaring hadden voordat zij een partner voor het leven kozen. Soms waren er tranen en zelfs tijdelijk gebroken harten, maar op de lange duur erkenden zij de wijsheid van bijbelse raad — in het bijzonder om „in de Heer” te trouwen. Wij prezen hen voor hun wijsheid. — 1 Korinthiërs 7:39.

Scott, onze zevende zoon, was er de oorzaak van dat wij heel wat tranen vergoten. Hij zwichtte voor slechte omgang op zijn werk. Uiteindelijk werd hij uit de gemeente gesloten. Dat was een zware slag voor ons allemaal, maar wij respecteerden de rechterlijke beslissing van de ouderlingen. Scott moest door bittere ervaring leren dat het dienen van Jehovah de beste manier van leven is.

Wij hebben de hoop dat hij in de gemeente zou terugkeren, nooit opgegeven. Gelukkig werd hij na vijf jaar in de gemeente hersteld. Terugkijkend zegt hij: „Iets wat me hielp toen ik was uitgesloten, was dat hoewel de omgang in het gezin zeer beperkt was, ik altijd wist dat mijn familie van mij hield.” Scott bleef vorderingen maken en dient nu alweer acht jaar als ouderling.

Helaas zijn in de afgelopen jaren twee van onze kleinkinderen uitgesloten. Maar wij hebben de troost dat streng onderricht van Jehovah tot positieve veranderingen kan leiden.

Een grote verandering in ons leven

Ten slotte waren in 1978 alle jongens het huis uit. In de loop der jaren had ik ervaring opgedaan met systemen voor verwarming, ventilatie en airconditioning. In 1980 kregen Margaret en ik een verbazingwekkende uitnodiging om negen maanden op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn te komen werken. Achttien jaar later zijn wij hier nog steeds!

Wij zijn overvloedig gezegend. Het was niet altijd gemakkelijk onze zoons op de ouderwetse manier, volgens bijbelse beginselen, op te voeden, maar in ons geval is het de moeite waard geweest. De huidige situatie van ons gezin is dat vijf van onze zoons als gemeenteouderling dienen en één reizend opziener is. Wij hebben twintig kleinkinderen en vier achterkleinkinderen — van wie de meesten in de waarheid zijn en getrouw aan God.

Wij hebben gezien hoe waar de woorden van de psalmist zijn: „Ziet! Zonen zijn een erfdeel van Jehovah; de vrucht van de buik is een beloning. Als pijlen in de hand van een sterke man, zo zijn de zonen der jeugd.” — Psalm 127:3, 4.

[Voetnoten]

a In 1946 uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.; wordt niet meer gedrukt.

b Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.

[Illustraties op blz. 20, 21]

Met onze zoons en schoondochters (rechts) en kleinkinderen (uiterst rechts) op onze 50ste trouwdag, in 1996

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen