Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g98 22/4 blz. 20-24
  • Onze strijd voor het recht om te prediken

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Onze strijd voor het recht om te prediken
  • Ontwaakt! 1998
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn standpunt voor de bijbelse waarheid
  • Gearresteerd en mishandeld
  • De rechtszitting
  • Een nieuwe predikingstoewijzing
  • Meer arrestaties en gevangenzettingen
  • Het Hooggerechtshof beslist
  • De strijd gaat door
  • „Het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Koninkrijkspredikers stappen naar de rechter
    Gods Koninkrijk regeert!
  • ’Voorwerpen van haat voor alle natiën’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Deel 19: Christelijke neutralisten in Amerika tijdens de 2de Wereldoorlog
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
Meer weergeven
Ontwaakt! 1998
g98 22/4 blz. 20-24

Onze strijd voor het recht om te prediken

Verteld door Grace Marsh

Enkele jaren geleden werd ik door professor Newton, destijds verbonden aan Huntingdon College in Montgomery (Alabama), geïnterviewd over dingen die ruim vijftig jaar geleden zijn gebeurd. In 1946 werd in een rechtszaak in verband met mijn activiteit als een bedienaar van Jehovah’s Getuigen uitspraak gedaan door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. De belangstelling die professor Newton voor het gebeurde toonde, bracht veel herinneringen naar boven. Laat ik beginnen met mijn jeugd.

IK BEN in 1906 in Randolph (Alabama, VS) geboren, de vierde generatie in een familie van Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen toen bekendstonden. Mijn overgrootvader Lewis Waldrop en mijn grootvader Sim Waldrop werden aan het eind van de negentiende eeuw als Bijbelonderzoekers gedoopt.

Sim Waldrops zoon Joseph was mijn vader. Joseph maakte indruk op een meisje met de naam Belle door haar een brochure te geven waarin de kerkelijke leerstelling van het hellevuur aan de kaak werd gesteld. Belle was zo opgetogen over wat zij las, dat zij de brochure aan haar vader gaf, die er ook door werd geïntrigeerd. Later trouwde Joseph met Belle, en zij kregen zes kinderen. Ik was de tweede.

Elke avond verzamelde Vader het gezin rond het haardvuur en las hardop uit de bijbel en De Wachttoren voor. Wanneer hij klaar was met lezen, knielden wij allemaal neer terwijl Vader een innig gebed opzond. Elke week reden wij enkele kilometers met paard en wagen naar het huis van Grootvader Sim voor een vergadering met mede-Bijbelonderzoekers.

Op school maakten onze klasgenoten ons vaak belachelijk en noemden ons Russellisten. Dat was niet zo beledigend als zij het bedoelden, want ik had veel respect voor Charles Taze Russell, de eerste president van het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap. Wat vond ik het geweldig hem in 1914 op een grote vergadering in Birmingham (Alabama) in levenden lijve te zien! Ik zie hem in gedachten nog op het podium staan en uitleg geven bij de diapresentatie met de naam „Het Photo-Drama der Schepping”.

In 1920 verhuisde ons gezin naar Robertsdale, een stadje ten oosten van Mobile (Alabama). Vijf jaar later trouwde ik met Herbert Marsh. Herbert en ik verhuisden naar Chicago (Illinois), en daar werd kort daarop onze zoon, Joseph Harold, geboren. Jammer genoeg dwaalde ik af van de religie van mijn kinderjaren, maar ze leefde nog steeds in mijn hart.

Mijn standpunt voor de bijbelse waarheid

Op een dag in 1930 kwam ik met een schok tot bezinning toen ik onze huisbaas een Bijbelonderzoeker ruw van de trap zag gooien. Ik was woedend en sprak onze huisbaas over zijn gedrag aan. Hij gaf mij te verstaan dat als ik deze man in onze woning zou uitnodigen, mijn man en ik daar niet langer konden wonen. Onnodig te zeggen dat ik de Bijbelonderzoeker prompt voor een kop thee uitnodigde.

Mijn man en ik woonden de zondag daarop een vergadering van de Bijbelonderzoekers bij en vonden het geweldig om Joseph F. Rutherford te ontmoeten, die na Russells overlijden president van het Wachttorengenootschap was geworden. Rutherford bracht op dat moment toevallig een bezoek aan Chicago. Deze gebeurtenissen bewogen mij ertoe weer actief te worden in de christelijke bediening. Al gauw daarna verhuisden wij terug naar Robertsdale (Alabama).

In 1937, op een congres in Columbus (Ohio), nam ik mij voor om pionier te worden, zoals volle-tijdbedienaren van Jehovah’s Getuigen worden genoemd. Mettertijd werd mijn man, Herbert, gedoopt, en al gauw werd hij presiderend opziener van de gemeente Robertsdale. Onze zoon, Harold, vergezelde mij vaak in de van-huis-tot-huisbediening.

In 1941 ontving ik een uitnodiging om als speciale pionier in Brookhaven (Mississippi) te dienen. Violet Babin, een christelijke zuster uit New Orleans, was mijn partner. Wij aanvaardden de uitdaging en namen onze caravan en onze kinderen mee om alvast een basis te leggen in Brookhaven. Onze mannen zouden zich later bij ons voegen.

Aanvankelijk hadden wij succes in onze bediening, en Violets dochter en Harold deden het goed op school. Maar nadat in december 1941 Pearl Harbor door de Japanners was gebombardeerd en de Verenigde Staten de oorlog hadden verklaard, veranderde de reactie op ons werk radicaal. Er heerste een geest van superpatriottisme en men was bang voor samenzweringen. Wegens onze politieke neutraliteit bezagen de mensen ons met achterdocht en beschuldigden ons er zelfs van Duitse spionnen te zijn.

Harold werd van school gestuurd omdat hij weigerde aan de vlaggegroetceremonie deel te nemen. Zijn onderwijzer zei me dat Harold intelligent en goedgemanierd was, maar dat het schoolhoofd vond dat hij een slecht voorbeeld was omdat hij de vlag niet groette. De schoolinspecteur was zo kwaad over de beslissing van het schoolhoofd en de schoolcommissie in deze kwestie, dat hij ontslag nam en aanbood om Harold op zijn kosten naar een particuliere school te sturen!

Wij werden dagelijks bedreigd met aanvallen door het gepeupel. Eén keer duwde de politie ons bij een dame de gang uit, smeet onze grammofoons tegen een boom, brak onze platen met bijbelse toespraken, scheurde onze bijbels en onze lectuur aan flarden en stak uiteindelijk alles wat zij in beslag hadden genomen, in brand. Ze zeiden dat wij voor donker de stad moesten verlaten, anders zouden wij er door het gepeupel uitgegooid worden. Wij schreven snel brieven waarin wij om bescherming vroegen en gaven ze persoonlijk af aan het stadsbestuur. Maar zij weigerden ons elke vorm van bescherming. Ik belde zelfs naar het Federal Bureau of Investigation (FBI) in Jackson (Mississippi), en vroeg om hulp. Ook zij gaven ons het advies de stad te verlaten.

Die avond werd onze caravan omsingeld door bijna honderd woedende mannen. Wij twee vrouwen waren alleen met onze kinderen. Wij deden de deuren op slot, doofden het licht en baden vurig tot Jehovah. Uiteindelijk ging de menigte uiteen zonder ons iets te doen.

Met het oog op die gebeurtenissen besloot Herbert zich onmiddellijk in Brookhaven bij ons te voegen. Wij brachten Harold naar zijn grootouders in Robertsdale, waar het plaatselijke schoolhoofd ons verzekerde dat hij onderwijs zou krijgen. Toen wij in Brookhaven terugkwamen, was de caravan geplunderd en hing er binnen een arrestatiebevel tegen ons aan een van de wanden gespijkerd. Ondanks deze tegenstand bleven wij standvastig en zetten onze bediening voort.

Gearresteerd en mishandeld

In februari 1942 werden Herbert en ik gearresteerd terwijl wij in een kleine bescheiden woning een bijbelstudie leidden. De man die daar woonde, was zo kwaad over de manier waarop wij behandeld werden dat hij naar zijn geweer aan de muur greep en dreigde op de politieman te schieten! Ons werd wederrechtelijke betreding ten laste gelegd en op grond van het verhoor dat de volgende dag plaatsvond, werden wij aangeklaagd.

Wij werden elf dagen in een smerige, koude cel gezet. Een plaatselijke baptistenvoorganger bezocht ons daar en verzekerde ons dat als wij ons bereid verklaarden de stad te verlaten, hij zijn invloed zou aanwenden om ons vrij te krijgen. Dat was wel ironisch, want het was vooral door zijn invloed dat wij daar terecht waren gekomen.

Eén hoek van onze cel had voorheen als toilet dienst gedaan. De cel was vergeven van de bedwantsen. Het eten werd gebracht in ongewassen, vuile tinnen pannen. Als gevolg van deze toestanden liep ik longontsteking op. Er werd een dokter geroepen om mij te onderzoeken, en wij werden vrijgelaten. Die avond verscheen er gepeupel bij onze caravan, dus wij gingen naar huis, naar Robertsdale, om onze berechting af te wachten.

De rechtszitting

Uit heel de staat kwamen baptisten naar Brookhaven voor onze berechting, om steun te verlenen aan de baptistenvoorganger die verantwoordelijk was voor onze arrestatie. Dit bewoog mij ertoe een brief te schrijven aan mijn zwager, Oscar Skooglund, een trouwe diaken van de baptisten. Het was een geëmotioneerde en niet erg tactvolle brief. Maar de manier waarop ik behandeld was en wat ik schreef, moet Oscar ten goede hebben beïnvloed, want niet lang daarna werd hij een ijverige getuige van Jehovah.

Onze advocaten, G. C. Clark en Victor Blackwell, eveneens getuigen van Jehovah, waren ervan overtuigd dat wij in Brookhaven geen eerlijk proces zouden kunnen krijgen. Dus besloten zij de zaak „weg te protesteren”. Elke keer als de aanklager zijn mond opendeed, protesteerde een van onze advocaten. Zij tekenden minstens vijftig keer protest aan. Ten slotte verklaarde de rechter alle aanklachten ongegrond.

Een nieuwe predikingstoewijzing

Na wat uitgerust en van mijn ziekte hersteld te zijn, ging ik weer pionieren, samen met mijn zoon Harold. In 1943 kregen wij een toewijzing dichter bij huis, Whistler en Chickasaw, kleine plaatsjes bij Mobile (Alabama). Ik dacht dat deze nieuwe gebieden minder gevaarlijk zouden zijn, aangezien het Hooggerechtshof van de VS net een aantal uitspraken ten gunste van Jehovah’s Getuigen had gedaan en de houding van het publiek ten aanzien van ons werk aan het verbeteren was.

Al gauw hadden wij een groep Bijbelonderzoekers in Whistler, en wij hadden een eigen vergaderplaats nodig. Iedereen die een hamer kon vasthouden, werkte mee aan de bouw van onze kleine Koninkrijkszaal, en op onze eerste vergadering waren zestien aanwezigen. Maar Chickasaw was een ander verhaal, want het was een nederzetting die eigendom was van de Gulf Shipbuilding Corporation. Toch zag het er net zo uit als elk ander plaatsje, met een zakenwijk, een postkantoor en een winkelcentrum.

Op een dag in december 1943 boden Aileen Stephens, een medepionierster, en ik de nieuwste uitgaven van onze bijbelse tijdschriften aan voorbijgangers in Chickasaw aan, toen hulpsheriff Chatham ons kwam vertellen dat wij niet het recht hadden om te prediken, omdat wij ons op particulier terrein bevonden. Wij legden uit dat wij niet aan het venten waren en dat ons werk religieus was en door het eerste amendement op de Amerikaanse grondwet werd beschermd.

Meer arrestaties en gevangenzettingen

De week daarop hadden Aileen en ik een ontmoeting met E. B. Peebles, de vice-president van Gulf Shipbuilding, en wij legden de belangrijkheid van ons religieuze werk uit. Hij waarschuwde ons dat het werk van Jehovah’s Getuigen niet toegestaan zou worden in Chickasaw. Wij vertelden dat de mensen ons graag bij hen thuis hadden ontvangen. Kon hij hun het recht ontzeggen de bijbel te bestuderen? Hij werd vijandig en dreigde ons wegens wederrechtelijke betreding in de gevangenis te werpen.

Ik ging steeds weer naar Chickasaw terug en werd elke keer gearresteerd. Maar elke keer werd ik op borgtocht vrijgelaten. Ten slotte werd de borgsom buitensporig hoog opgedreven, en ik moest steeds langer in de gevangenis blijven totdat wij het benodigde geld bij elkaar hadden. De toestanden in de gevangenis waren onhygiënisch — geen toiletgelegenheden, smerige matrassen zonder lakens en één vuile deken om onder te liggen. Als gevolg daarvan kwamen mijn gezondheidsproblemen weer terug.

Op 27 januari 1944 werden zes Getuigen die op 24 december 1943 waren gearresteerd, tegelijk berecht, en mijn getuigenverklaring werd als representatief voor de andere beklaagden beschouwd. Hoewel de rechtszaak openlijke discriminatie van Jehovah’s Getuigen aan het licht bracht, werd ik schuldig verklaard. Wij gingen tegen de uitspraak in beroep.

Op 15 januari 1945 maakte het hof van beroep zijn beslissing bekend: Ik was schuldig aan wederrechtelijke betreding. Bovendien weigerde het Hooggerechtshof van Alabama mijn zaak in behandeling te nemen. Op 3 mei 1945 tekende Hayden Covington, een van Jehovah’s Getuigen en een moedig en energiek advocaat, cassatie aan bij het Hooggerechtshof van de VS.

Terwijl Aileen en ik op bericht van het Hooggerechtshof wachtten, keerden wij de rollen met onze aanklagers om en spanden een civiel proces aan tegen E. B. Peebles en zijn bondgenoten op het departement van de sheriff, en eisten schadevergoeding. Onze aanklagers trachtten de beschuldiging die zij tegen ons hadden ingebracht te veranderen van wederrechtelijke betreding in het hinderen van het verkeer, maar toen ik in de gevangenis zat, had ik een door hulpsheriff Chatham ondertekend papier waarin ik van wederrechtelijke betreding werd beschuldigd, naar buiten gesmokkeld. Toen dit bewijsstuk in de rechtszaal werd overgelegd, sprong sheriff Holcombe op en slikte bijna zijn sigaar in! De rechtszitting in februari 1945 liep op niets uit omdat de jury niet tot een uitspraak kon komen.

Het Hooggerechtshof beslist

Het Hooggerechtshof van de VS was in mijn zaak geïnteresseerd, want wederrechtelijke betreding van particulier terrein bracht een nieuw aspect in de kwestie van godsdienstvrijheid ter sprake. Covington toonde aan dat Chickasaws verordening niet alleen inbreuk maakte op de vrijheden van de beklaagden maar ook op die van de gemeenschap in haar geheel.

Op 7 januari 1946 vernietigde het Hooggerechtshof van de VS de uitspraak van het lagere rechtscollege en nam een historische beslissing ten gunste van ons. Rechter Black las de beslissing voor, die onder andere de volgende woorden bevatte: „Voor zover de Staat [Alabama] heeft getracht de verdachte [Grace Marsh] een straf op te leggen wegens het verspreiden van religieuze lectuur in de nederzetting van een onderneming, kan deze actie niet van kracht blijven.”

De strijd gaat door

Herbert en ik hebben ons uiteindelijk in Fairhope (Alabama) gevestigd en zijn door de jaren heen voor de Koninkrijksbelangen blijven werken. In 1981 heb ik Herbert in de dood verloren, maar ik bewaar veel fijne herinneringen aan de jaren dat wij samen waren. Mijn zoon, Harold, is later in zijn leven gestopt met het dienen van Jehovah en is spoedig daarna, in 1984, gestorven. Dat was een van de droevigste gebeurtenissen in mijn leven.

Ik ben Jehovah echter dankbaar dat Harold en zijn vrouw, Elsie, mij drie prachtige kleindochters hebben geschonken en dat ik nu ook achterkleinkinderen heb die gedoopte Getuigen zijn. Drie van mijn zusters, Margaret, Ellen Jo en Crystal, zijn nog in leven en dienen Jehovah nog steeds getrouw. Crystal is getrouwd met Lyman Swingle, die een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen is. Zij wonen op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York). Ondanks ernstige gezondheidsproblemen de afgelopen jaren is Crystal een schitterend voorbeeld en een aanmoediging voor mij gebleven.

In de ruim negentig jaar van mijn leven heb ik geleerd nooit bang te zijn voor wat mensen kunnen doen, want Jehovah is sterker dan elke sheriff, elke rechter en elk mens. Als ik op deze gebeurtenissen terugkijk, hecht ik grote waarde aan het voorrecht een aandeel te hebben gehad aan „het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”! — Filippenzen 1:7.

[Kader op blz. 22]

Gewapend met de grondwet

In 1995 schreef Merlin Owen Newton Armed With the Constitution, een boek dat documentatie verschaft over de rol van Jehovah’s Getuigen in het verduidelijken van de toepassing van het eerste amendement op de Amerikaanse grondwet. Mevrouw Newton was destijds als docent geschiedenis en politieke wetenschappen verbonden aan Huntingdon College in Montgomery (Alabama). Haar goed gedocumenteerde boek, dat op grondig onderzoek is gebaseerd, bespreekt twee rechtszaken in Alabama die helemaal tot in het Amerikaanse Hooggerechtshof zijn gevoerd.

Een van deze zaken aan het Hooggerechtshof betrof Grace Marsh, wier in de ik-vorm geschreven verhaal in het bijgaande artikel te lezen is. De andere zaak, Jones v. City of Opelika, ging over het recht om godsdienstige overtuigingen te verbreiden door het verspreiden van lectuur. Rosco en Thelma Jones, een zwart echtpaar, waren volle-tijdbedienaren van Jehovah’s Getuigen.

Bij het samenstellen van haar boek heeft professor Newton gebruik gemaakt van periodieken en juridische tijdschriften uit die tijd, persoonlijke herinneringen en brieven van Getuigen, interviews met en materiaal gepubliceerd door de Getuigen zelf en wetenschappelijke onderzoekingen van de activiteiten van de Getuigen. De fascinerende details en de persoonlijke beschouwingen van de beklaagden, advocaten en rechters in Armed With the Constitution hebben een deel van de juridische geschiedenis van Jehovah’s Getuigen tot leven gebracht.

[Illustratie op blz. 20]

Met mijn grootvader Sim Waldrop

[Illustratie op blz. 23]

Een recente foto van Grace Marsh

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen