Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g98 22/2 blz. 12-17
  • Gemotiveerd door de loyaliteit aan God van mijn familie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gemotiveerd door de loyaliteit aan God van mijn familie
  • Ontwaakt! 1998
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vervolgd wegens ons geloof
  • Vaders beproeving
  • Moeders verdriet
  • In de volle-tijddienst
  • Arrestatie en gevangenschap
  • Bediening na mijn gevangenistijd
  • Een gewaardeerd dienstvoorrecht
  • Op Jehovah’s liefdevolle zorg vertrouwen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
  • Wat kan ik Jehovah terugbetalen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Geduldig op Jehovah wachten vanaf mijn jeugd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Ik groeide op in Nazi-Duitsland
    Ontwaakt! 1983
Meer weergeven
Ontwaakt! 1998
g98 22/2 blz. 12-17

Gemotiveerd door de loyaliteit aan God van mijn familie

VERTELD DOOR HORST HENSCHEL

„Wees blij als je deze brief ontvangt, omdat ik tot het einde heb volhard. Binnen twee uur word ik terechtgesteld.” Dat waren de eerste woorden van Vaders laatste brief aan mij. Op 10 mei 1944 werd hij terechtgesteld omdat hij weigerde in Hitlers leger te dienen. Zijn loyaliteit aan God is evenals die van mijn moeder en mijn zus Elfriede, van diepe invloed op mijn leven geweest.

IN 1932, omstreeks de tijd dat ik geboren werd, begon Vader de publikaties van Jehovah’s Getuigen te lezen. Hij zag onder meer de huichelarij van de geestelijken en was als gevolg daarvan niet meer geïnteresseerd in de kerken.

Kort nadat in 1939 de Tweede Wereldoorlog was begonnen, werd Vader opgeroepen voor het Duitse leger. „Volgens de bijbel mag ik niet gaan”, zei hij tegen Moeder. „Dit doden is niet goed.”

„Als je niet gaat, kost het jou je leven”, antwoordde Moeder. „Wat zal er dan van ons gezin worden?” Dus werd Vader soldaat.

Later probeerde Moeder, die tot dan toe de bijbel niet had bestudeerd, contact te krijgen met Jehovah’s Getuigen, wat destijds een zeer gevaarlijke onderneming was. Zij vond Dora, wier man wegens zijn geloof in een concentratiekamp zat. Dora gaf haar een exemplaar van De Wachttoren, maar ze zei uitdrukkelijk tegen Moeder: „Denk eraan dat het mij het leven kan kosten als de Gestapo (de geheime politie) erachter komt dat ik die aan jou gegeven heb.”

Ten slotte kreeg Moeder meer publikaties van Jehovah’s Getuigen en begon zij de bijbelse waarheden die erin stonden te begrijpen. Na verloop van tijd begon Max Ruebsam uit het naburige Dresden ons thuis in Meissen te bezoeken. Met groot gevaar voor zijn eigen veiligheid bestudeerde hij de bijbel met ons. Niet lang daarna werd hij inderdaad gearresteerd.

Het resultaat van Moeders bijbelstudie was dat zij geloof ging stellen in Jehovah en haar leven aan hem opdroeg; in mei 1943 symboliseerde zij dit door de waterdoop. Vader en ik werden enkele maanden later gedoopt. Mijn twintigjarige zus Elfriede, die in Dresden werkte, werd omstreeks dezelfde tijd gedoopt. Midden in de Tweede Wereldoorlog droegen wij dus alle vier ons leven aan Jehovah op. In 1943 schonk Moeder het leven aan ons jongste zusje, Renate.

Vervolgd wegens ons geloof

Voordat ik gedoopt werd, trok ik me terug uit de Hitlerjugend. Als ik weigerde de Hitlergroet te brengen, wat op school elke dag werd verlangd, werd ik door mijn onderwijzers geslagen. Maar ik vond het fijn te weten dat ik, gesterkt door mijn ouders, trouw was gebleven.

Het kwam echter ook voor dat ik, ofwel omdat ik slaag had gekregen of uit angst, wel „Heil Hitler!” zei. Dan ging ik naar huis met ogen vol tranen en baden mijn ouders met me of ik de volgende keer moedig mocht zijn en de aanvallen van de vijand mocht weerstaan. Meer dan eens deinsde ik er uit angst voor terug het goede te doen, maar Jehovah heeft me nooit in de steek gelaten.

Op een dag kwam de Gestapo ons huis doorzoeken. „Bent u een van Jehovah’s Getuigen?”, vroeg een Gestapoagent aan Moeder. Ik zie haar nog tegen de deurpost leunen toen zij ferm „Ja” zei — hoewel zij wist dat dit betekende dat zij uiteindelijk gearresteerd zou worden.

Twee weken later was Moeder Renate aan het verzorgen, die nog geen jaar was, toen de Gestapo haar kwam arresteren. Moeder protesteerde: „Ik ben net mijn kind aan het voeden!” Maar de vrouw die met de politieman was meegekomen, pakte de baby uit haar armen en beval: „Maak je klaar! Je moet mee.” Dat viel Moeder beslist niet gemakkelijk.

Daar Vader nog niet gearresteerd was, bleef hij voor mijn kleine zusje en mij zorgen. Op een ochtend ongeveer twee weken nadat Moeder was weggehaald, omhelsde ik Vader stevig voordat ik naar school vertrok. Die dag werd Vader gearresteerd omdat hij weigerde opnieuw in het leger te gaan. Toen ik die middag thuiskwam, was hij dus weg, en ik heb hem nooit meer gezien.

Mijn grootouders en onze andere familieleden — die allemaal tegen Jehovah’s Getuigen gekant waren en van wie enkelen lid waren van de nazi-partij — kregen de voogdij over mijn zusje en mij. Zij stonden mij niet toe de bijbel te lezen. Maar nadat ik er stiekem een van een buurvrouw had gekregen, las ik hem toch. Ook knielde ik voor het bed van mijn zusje neer om te bidden.

Ondertussen had mijn zus Elfriede beproevingen op haar geloof te verduren gekregen. Zij weigerde in een fabriek in Dresden te blijven werken waar munitie werd gemaakt maar slaagde erin werk te vinden bij de plantsoenendienst in Meissen. Als zij naar het kantoor ging om haar loon op te halen, weigerde zij de Hitlergroet te brengen. Na verloop van tijd werd zij gearresteerd en in de gevangenis gezet.

Helaas kreeg Elfriede difterie en roodvonk en stierf zij enkele weken na haar arrestatie. Zij was pas 21. In een van haar laatste brieven citeerde zij Lukas 17:10: „Wanneer gij zult gedaan hebben al wat u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, wat wij schuldig waren te doen.” Haar loyaliteit aan God is voor mij een versterkende hulp gebleven. — Kolossenzen 4:11.

Vaders beproeving

Tijdens Vaders gevangenschap bezocht mijn grootvader van moederskant hem om te proberen hem om te praten. Aan handen en voeten geketend werd Vader voor hem geleid. Vader verwierp de raad om ter wille van zijn kinderen in militaire dienst te gaan vastberaden. Een van de gevangenbewaarders zei tegen Grootvader: „Als deze man tien kinderen had, zou hij nog niet anders handelen.”

Grootvader kwam verschrikkelijk kwaad thuis. „Die misdadiger!”, schreeuwde hij. „Dat brok ellende! Hoe kan hij zijn eigen kinderen aan hun lot overlaten?” Hoewel Grootvader woedend was, stemde het mij gelukkig te horen dat Vader standvastig bleef.

Uiteindelijk werd Vader ter dood veroordeeld en onthoofd. Enige tijd later ontving ik die laatste brief van hem. Omdat hij niet wist waar Moeder gevangenzat, had hij aan mij geschreven. Ik ging naar mijn slaapkamer op zolder en las die eerste woorden die in de inleiding tot dit artikel geciteerd staan. Ik was bedroefd en huilde, maar ik was blij te weten dat hij Jehovah trouw was gebleven.

Moeders verdriet

Moeder was naar een gevangenis in Zuid-Duitsland gestuurd in afwachting van haar rechtszaak. Op een dag kwam er een bewaarder naar haar cel die op vriendelijke toon zei dat zij kon blijven zitten. Maar Moeder stond op en zei: „Ik weet dat mijn man omgebracht is.” Later kreeg zij zijn met bloed bevlekte kleding toegestuurd, een stil getuigenis van de foltering die hij voor zijn dood had ondergaan.

Een andere keer moest Moeder in het kantoor van de gevangenis komen en werd haar abrupt verteld: „Uw dochter is in de gevangenis gestorven. Hoe wilt u dat zij begraven wordt?” Dat bericht kwam zo plotseling en onverwacht dat Moeder eerst niet wist wat zij moest zeggen. Maar haar krachtige geloof in Jehovah hield haar staande.

Over het geheel genomen zorgden mijn familieleden goed voor mijn zusje en mij. Zij behandelden ons erg vriendelijk. Een van hen ging zelfs naar mijn onderwijzers toe en vroeg hun geduld met me te hebben. Dus werden ook de onderwijzers erg vriendelijk en straften me niet als ik hen niet groette met „Heil Hitler!” Maar al die vriendelijkheid had ten doel mij af te brengen van mijn op de bijbel gebaseerde overtuiging. En helaas werd die moeite enigszins beloond.

Slechts enkele maanden voordat de oorlog in mei 1945 eindigde, woonde ik vrijwillig enkele bijeenkomsten van de Hitlerjugend bij. Ik schreef Moeder daarover en zij kreeg de indruk uit mijn brieven dat ik mijn doel Jehovah te dienen, had laten varen. Later zei ze dat zij van die brieven meer kapot was geweest dan van de berichten over de dood van Vader en Elfriede.

Kort daarna was de oorlog ten einde en kwam Moeder uit de gevangenis terug. Met haar hulp herwon ik mijn geestelijk evenwicht.

In de volle-tijddienst

Tegen eind 1949, vier jaar nadat de Tweede Wereldoorlog afgelopen was, besprak een reizende opziener de bijbeltekst in Maleachi 3:10: „’Brengt al de tienden in de voorraadschuur, opdat er voedsel in mijn huis mag komen; en stelt mij alstublieft daarin op de proef’, heeft Jehovah der legerscharen gezegd.” Dat bewoog mij ertoe een aanvraagformulier voor de volle-tijdprediking in te vullen. Zo werd ik op 1 januari 1950 pionier, zoals volle-tijdpredikers worden genoemd. Later verhuisde ik naar Spremberg, waar de behoefte aan pioniers groter was.

In augustus van dat jaar kreeg ik een uitnodiging om op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in het Oostduitse Maagdenburg te dienen. Maar slechts twee dagen na mijn aankomst, op 31 augustus, kwamen politieagenten ons terrein op hollen die beweerden dat zich er misdadigers verborgen hielden. De meeste Getuigen werden gearresteerd en in de gevangenis gezet, maar ik slaagde erin weg te komen en naar West-Berlijn te reizen, waar het Wachttorengenootschap een kantoor had. Daar vertelde ik wat er in Maagdenburg gebeurd was. Tegelijkertijd werd mij verteld dat overal in Oost-Duitsland veel Getuigen gearresteerd werden. Ik hoorde zelfs dat de politie mij zocht in Spremberg!

Arrestatie en gevangenschap

Ik kreeg een toewijzing als pionier in Oost-Berlijn. Toen ik enkele maanden later als koerier bijbelse lectuur van West-Berlijn naar Oost-Duitsland vervoerde, werd ik gearresteerd en naar de stad Cottbus overgebracht, waar ik werd berecht en tot twaalf jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

Ik werd onder andere beschuldigd van oorlogshitserij. Bij mijn berechting zei ik in mijn laatste verklaring: „Hoe kan ik, een van Jehovah’s Getuigen, als oorlogshitser veroordeeld worden als mijn vader weigerde aan de oorlog deel te nemen omdat hij een van Jehovah’s Getuigen was en daarom is onthoofd?” Maar uiteraard waren die mensen niet geïnteresseerd in de waarheid.

Op negentienjarige leeftijd vond ik het geen prettig vooruitzicht twaalf jaar in de gevangenis te moeten doorbrengen. Maar ik wist dat veel anderen tot soortgelijke straffen waren veroordeeld. Soms scheidden de autoriteiten de Getuigen van elkaar; maar dan bespraken wij bijbelse waarheden met andere gedetineerden, en sommigen werden Getuigen.

Het gebeurde ook dat wij Getuigen in hetzelfde cellenblok werden gezet. Dan concentreerden wij ons op het beter leren kennen van onze bijbel. Wij leerden hele hoofdstukken van de bijbel uit ons hoofd en probeerden zelfs hele bijbelboeken van buiten te leren. Wij stelden voor onszelf vast wat wij elke dag zouden doen en leren. Soms hadden wij het zo druk dat wij tegen elkaar zeiden: „Wij hebben geen tijd”, ook al brachten wij de hele dag in onze cellen door zonder werk te doen te krijgen!

De ondervragingen door de geheime politie konden heel zwaar zijn. Soms gingen ze dag en nacht door, vergezeld van allerlei dreigementen. Op een keer was ik zo afgemat en ontmoedigd dat het me zelfs moeilijk viel te bidden. Na twee of drie dagen verwijderde ik zonder bepaalde reden een stuk karton van mijn celmuur waarop de huisregels van de gevangenis stonden. Toen ik het omdraaide, zag ik dat er iets op geschreven stond. Ik hield het op naar het weinige beschikbare licht en zag de woorden: „Vreest niet hen die doden ’t lichaam” en „’k Zal beschermen mijnen dienstknecht als de appel van mijn oog”. Die woorden maken nu, in iets gewijzigde vorm, deel uit van lied nummer 27 in de liederenbundel van Jehovah’s Getuigen!

Kennelijk had een andere broeder in een soortgelijke situatie in deze cel gezeten, en Jehovah God had hem gesterkt. Onmiddellijk kreeg ik mijn geestelijke kracht terug en dankte Jehovah voor zijn aanmoediging. Het is een les die ik nooit wil vergeten, want ik heb eruit geleerd dat ook al kan ik niet in eigen kracht slagen, met de hulp van Jehovah God niets onmogelijk is.

Moeder was inmiddels naar West-Duitsland verhuisd en had in die periode dus geen contact met me. Maar Hanna was er nog; zij was opgegroeid in dezelfde gemeente als ik en was nauw bevriend met ons gezin. Zij bezocht me al die jaren dat ik in de gevangenis zat; zij schreef me ook aanmoedigende brieven en stuurde me waardevolle voedselpakketten. Ik trouwde met haar toen ik in 1957 vrijgelaten werd, na zes jaar van de twaalf waartoe ik veroordeeld was, uitgezeten te hebben.

Als mijn lieve vrouw heeft Hanna trouw aan mijn zijde gediend in onze verschillende toewijzingen en zij is altijd een grote steun voor me geweest. Wat zij voor mij heeft gedaan in al die jaren van gezamenlijke volle-tijddienst is iets wat alleen Jehovah God haar kan vergelden.

Bediening na mijn gevangenistijd

Hanna en ik begonnen onze volle-tijddienst samen op het kantoor dat het Wachttorengenootschap toen in West-Berlijn bezat. Ik kreeg tot taak daar bouwwerkzaamheden te verrichten als timmerman. Later begonnen wij samen in West-Berlijn te pionieren.

Willi Pohl, die toen het opzicht had over ons werk in West-Berlijn, moedigde mij aan Engels te blijven leren. „Daar heb ik geen tijd voor”, antwoordde ik. Maar wat ben ik blij dat ik gehoorzaam ben doorgegaan met mijn studie van het Engels! Nu werd ik in 1962 uitgenodigd voor de tien maanden durende cursus van de 37ste klas van de Gileadschool in Brooklyn (New York). Na mijn terugkeer naar Duitsland op 2 december 1962 brachten Hanna en ik zestien jaar in de reizende dienst door en bezochten zo gemeenten in heel Duitsland. Vervolgens, in 1978, werden wij uitgenodigd om op het bijkantoor in Wiesbaden te dienen. Toen het bijkantoor halverwege de jaren ’80 verhuisde naar grote nieuwe faciliteiten in Selters, hebben wij een aantal jaren in die prachtige gebouwen gediend.

Een gewaardeerd dienstvoorrecht

In 1989 gebeurde er iets totaal onverwachts — de Berlijnse muur viel en de Getuigen in Oosteuropese landen begonnen vrijheid van aanbidding te krijgen. In 1992 werden Hanna en ik uitgenodigd naar Lviv in Oekraïne te verhuizen ter ondersteuning van het snel groeiende aantal Koninkrijksverkondigers in dat gebied.

Het jaar daarop werd ons gevraagd naar Rusland te gaan om te helpen bij het organiseren van het Koninkrijkswerk daar. In Solnetsjnoje, een dorp op zo’n veertig kilometer buiten Sint-Petersburg, werd toen een kantoor opgezet ten behoeve van de prediking in heel Rusland en de meeste andere republieken van de voormalige Sovjet-Unie. Toen wij er arriveerden, was reeds begonnen met de bouw van woongebouwen en een groot kantoor- en opslagcomplex.

Onze vreugde kende geen grenzen bij de inwijding van onze nieuwe bijkantoorfaciliteiten op 21 juni 1997. In totaal 1492 personen uit 42 landen kwamen in Solnetsjnoje bijeen voor het speciale programma. De dag daarop verzamelde zich een menigte van ruim 8400 personen in het Petrovskystadion in Sint-Petersburg voor een overzicht van het inwijdingsprogramma en aanmoedigende verslagen van bezoekers uit andere landen.

Wat een geweldige toename hebben wij in de vijftien republieken van de voormalige Sovjet-Unie gezien! In 1946 predikten er zo’n 4800 Koninkrijksverkondigers in dit gebied. Bijna veertig jaar later, in 1985, was hun aantal gestegen tot 26.905. Thans zijn er ruim 125.000 Koninkrijksverkondigers in de tien republieken van de voormalige Sovjet-Unie die door ons bijkantoor hier in Solnetsjnoje worden verzorgd en prediken er ruim 100.000 in de vijf andere voormalige sovjetrepublieken! Wat enthousiast waren wij te horen dat in de vijftien vroegere sovjetrepublieken ruim 600.000 personen in april vorig jaar de Gedachtenisviering van Christus’ dood hebben bijgewoond!

Ik ben diep onder de indruk als ik zie hoe schitterend Jehovah God het bijeenbrengen en organiseren van zijn volk in deze „laatste dagen” heeft geleid (2 Timotheüs 3:1). Zoals de bijbelpsalmist zegt, schenkt Jehovah zijn dienaren inzicht, onderricht hij hen in de weg die zij moeten gaan en geeft hij raad met zijn oog op hen (Psalm 32:8). Ik beschouw het als een voorrecht tot Jehovah’s internationale organisatie van mensen te mogen behoren!

[Illustratie op blz. 13]

Met mijn twee zusjes, in 1943

[Illustratie op blz. 14]

Vader werd onthoofd

[Illustratie op blz. 14]

Moeder hielp me mijn geestelijk evenwicht te herwinnen

[Illustratie op blz. 15]

Met Hanna, mijn vrouw

[Illustratie op blz. 16]

Tijdens de inwijdingstoespraak in de Koninkrijkszaal van het Russische bijkantoor

[Illustraties op blz. 17]

Tuin en ramen van de eetzaal van ons nieuwe bijkantoor in Rusland

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen