Waarom kinderen goede soldaten zijn
HEB JE MENSEN GEDOOD? „Nee.”
HAD JE EEN GEWEER? „Ja.”
RICHTTE JE DAT OP MENSEN? „Ja.”
VUURDE JE HET AF? „Ja.”
WAT GEBEURDE ER DAN? „Ze vielen gewoon neer.” — World Press Review, januari 1996.
DIT huiveringwekkende gesprek tussen een maatschappelijk werker en een kindsoldaat in Afrika onthult de verwarring in een jonge geest die worstelt om met het verleden in het reine te komen.
De laatste jaren hebben in 25 landen kinderen beneden de zestien jaar deelgenomen aan de gevechten. In 1988 alleen al hadden zo’n 200.000 kinderen een actief aandeel aan oorlogen. Omdat kindstrijders gemanipuleerd zijn door volwassenen, zijn zij ook slachtoffers.
Hun waarde als soldaat
Toen legers in het verleden met speren en zwaarden streden, maakte een kind niet veel kans op overleving in een gevecht tegen een volwassene die een zelfde wapen hanteerde. Maar wij leven nu in een tijd van lichtgewicht wapens. Thans is een kind dat met een aanvalsgeweer is uitgerust — een AK-47 van Russische makelij of een Amerikaanse M16 — wel partij voor een volwassene.
Deze wapens zijn niet alleen licht maar ook gemakkelijk in het gebruik en onderhoud. Een AK-47 kan door een kind van tien uit elkaar genomen en weer in elkaar gezet worden. Er zijn er ook volop. Van de AK-47 zijn er ongeveer 55 miljoen verkocht. In één Afrikaans land zijn ze al te koop voor $6. M16-geweren zijn er eveneens in overvloed en ze zijn ook goedkoop.
Niet alleen omdat zij een aanvalsgeweer kunnen hanteren maar ook om andere redenen zijn kinderen gewaardeerde soldaten. Zij eisen geen salaris en zij deserteren zelden. Bovendien hebben kinderen het sterke verlangen ouderen te behagen. Hun besef van goed en kwaad wordt verdrongen door de wens geaccepteerd te worden door ongeacht welk bevrijdingsfront of guerrillaleger dat hun „familie” is geworden.
Velen van hen kennen ook meestal geen angst. Zo legde een militair waarnemer in West-Afrika uit: „Omdat [kinderen] niet hetzelfde begrip van de dood schijnen te hebben als oudere soldaten, zijn zij minder geneigd zich in hopeloze situaties over te geven.” Een Liberiaanse jongen, die de naam Captain Killing Machine droeg, pochte: „Als de grote mannen zich omdraaiden en wegrenden, bleven wij, kleine jongens, doorvechten.”
Ironisch genoeg worden jongens, hoewel zij goede soldaten zijn, meestal beschouwd als degenen die het eerste in aanmerking komen om opgeofferd te worden. Tijdens een oorlog in het Midden-Oosten kregen compagnieën kindsoldaten opdracht om voorop te gaan door mijnenvelden.
Rekrutering en conditionering
Sommige kinderen sluiten zich aan bij het leger of een revolutionaire beweging omdat zij het avontuur zoeken. Wanneer er gevaar dreigt en gezinsleden elkaar kwijtraken, biedt een militaire eenheid ook een gevoel van veiligheid en wordt een surrogaatgezin. Het Kinderfonds van de Verenigde Naties schrijft in dat verband: „Kinderen die omgeven door geweld zijn opgegroeid, zien dat als een blijvende manier van leven. Alleen, zonder ouders, bang, verveeld en gefrustreerd zullen zij vaak uiteindelijk kiezen voor de strijd.”
Andere kinderen voegen zich bij het leger omdat er geen beter alternatief lijkt te bestaan. Wanneer het voedsel schaars is en er gevaar dreigt, kan zich bij een leger aansluiten soms de enige manier schijnen om in leven te blijven.
Kinderen zien zichzelf soms als strijders voor maatschappelijk recht, een godsdienstige overtuiging of een culturele identiteit. In Peru bijvoorbeeld ondergaan kinderen die gedwongen lid zijn geworden van guerrillabewegingen, lange periodes van politieke indoctrinatie. Vaak is dat echter niet nodig. Brian Milne, een cultureel antropoloog die kindsoldaten in Zuidoost-Azië heeft bestudeerd, vertelde: „Kinderen hebben geen doctrine of ideologie. Zij worden gewoon door de ene partij of de andere geabsorbeerd en aan het werk gezet.”
Weer andere kinderen worden gedwongen in het leger te gaan. In sommige Afrikaanse oorlogen plegen strijdgroepen overvallen op dorpen om kinderen gevangen te nemen, die dan moeten toekijken hoe hun eigen familie wordt gemarteld en geëxecuteerd of daaraan mee moeten doen. Soms worden zij gedwongen hun ouders neer te schieten of hun de keel af te snijden. Eenmaal geterroriseerd, worden de jongens ertoe gebracht anderen te terroriseren. Zulke ontmenselijkte jongeren begaan vaak wreedheden waarvoor zelfs geharde volwassen soldaten zouden terugschrikken.
De terugkeer tot een normaal leven
Het is voor zulke kinderen niet gemakkelijk aan een leven zonder geweld te wennen. De directeur van een kindertehuis in een Westafrikaans land vertelde: „De kinderen die wij behandeld hebben, zijn allemaal in uiteenlopende mate getraumatiseerd. Zij hebben verkracht, gedood en gemarteld. De meesten van hen kregen alcohol of drugs, meestal marihuana, maar soms heroïne. . . . U kunt u voorstellen wat een verschrikkelijke uitwerking zulke dingen op de geest van kinderen hebben, van wie sommigen nog maar acht of negen jaar zijn.”
De situatie is al niet anders in het aangrenzende Liberia, waar tienduizenden kinderen hun jeugd doorgebracht hebben met het terroriseren van het platteland. Het valt voor tienermajoors en -generaals niet mee afstand te doen van de status en macht die een AK-47 hun verleent. Een inwoner van Somalië zei: „Als je een geweer hebt, heb je leven. Geen geweer, geen leven.”
Vaak kunnen kindstrijders niet naar huis terug wegens represailles of verstoting door hun familie. Zo vertelde een kinderadviseur in Liberia: „Moeders zeggen tegen ons: ’Houd hem. Wij willen dit monster niet in ons huis.’”
Hoewel veel kinderen eraan gewend zijn geraakt een vreedzaam leven te leiden, vergt dat veel liefde, steun en begrip van de mensen om hen heen. Het valt noch voor de kinderen noch voor hun familie mee. Een maatschappelijk werker in Mozambique legt uit: „Vergelijk een leven waarin je kunt pakken wat je maar wilt en anderen kunt commanderen, eens met je leven wanneer je in het dorp terugkomt. Vooral als je zeventien jaar bent en je niet kunt lezen en geen vak hebt geleerd. Je wordt veroordeeld tot een leven van verveling. Het valt echt niet mee terug te moeten naar de situatie dat anderen je vertellen wat je moet doen en je weer naar de eerste klas moet.”
[Kader/Illustratie op blz. 5]
De dertienjarige Anwar woont in Afghanistan. Hij had al aan zes gevechten meegedaan toen hij tijdens het zevende voor de eerste keer mensen doodde. Hij schoot twee soldaten van dichtbij dood en porde toen met de kolf van zijn geweer in de lichamen om er zeker van te zijn dat zij dood waren. Toen Anwar gevraagd werd hoe hij over het incident dacht, scheen de vraag hem te verbazen. „Ik was blij omdat ik hen gedood had”, zei hij.
Bij hetzelfde gevecht namen Anwars medesoldaten vier vijandelijke soldaten gevangen, die vervolgens werden gebonden, geblinddoekt en doodgeschoten. Wat vond Anwar daarvan? De jonge strijder trok zijn wenkbrauwen op en antwoordde langzaam en weloverwogen, alsof hij het tegen een sufferd had. „Ik was blij.”
[Kader/Illustratie op blz. 6]
Een gevangene in West-Afrika die weldra vrijgelaten zou worden, had handboeien om, maar de militaire bevelhebber was de sleutels kwijtgeraakt. De bevelhebber loste het probleem op door een kindsoldaat opdracht te geven de gevangene de handen af te hakken. „In mijn dromen hoor ik nog steeds het geschreeuw van die man”, zegt de jongen. „Iedere keer dat ik aan hem denk, heb ik er spijt van.”