Hoe oorlog kinderen kapotmaakt
HET gevecht, een van de vele in de burgeroorlog in Sierra Leone, vond begin 1995 plaats. Toen de geweren zwegen, bleek de vierjarige Tenneh, wier ouders al in de oorlog gestorven waren, gewond te zijn. Er was een kogel in haar hoofd blijven steken, achter haar rechteroog, en het gevaar bestond dat de kogel een infectie zou veroorzaken die zich naar haar hersenen zou uitbreiden en haar noodlottig zou worden.
Zestien maanden later slaagde een Brits echtpaar erin Tenneh voor een operatie naar Engeland te laten overvliegen. Een team van chirurgen verwijderde de kogel en men was blij dat de operatie geslaagd was, dat een jong leven gered was. De vreugde werd echter getemperd door de wetenschap dat Tenneh een wees bleef en helemaal niet neergeschoten had mogen worden.
Wapens, honger en ziekte
Hoewel Tenneh getroffen was door een verdwaalde kogel, zijn kinderen in toenemende mate geen toevallige slachtoffers maar het doelwit. Wanneer er etnische onlusten uitbreken, is het doden van volwassenen niet voldoende; de kinderen van de vijand worden als toekomstige vijanden gezien. Een politiek commentator in Rwanda zei in 1994 in een radiouitzending: „Om de grote ratten te doden, moet je de kleine ratten doden.”
De meeste kinderen die in oorlogen omkomen, zijn echter niet het slachtoffer van bommen of kogels maar veeleer van honger en ziekte. Bij Afrikaanse oorlogen bijvoorbeeld zijn door gebrek aan voedsel en medische voorzieningen ongeveer twintigmaal zoveel mensen gestorven als door de feitelijke gevechten. Het stopzetten van onontbeerlijke voorzieningen is een oorlogstactiek die in moderne tijden meedogenloos wordt toegepast. Legers hebben grote gebieden die voor voedselproduktie werden gebruikt, bezaaid met landmijnen; ze hebben graanvoorraden en drinkwatervoorzieningen vernietigd en beslag gelegd op reliefgoederen. Ook hebben ze gezondheidscentra gesloopt en het medisch personeel verdreven.
Zulke tactieken treffen kinderen het zwaarst. Tussen 1980 en 1988 bijvoorbeeld bedroeg het aantal kinderen dat gestorven was door met de oorlog samenhangende oorzaken in Angola 330.000 en in Mozambique 490.000.
Geen huis, geen familie
De oorlog creëert wezen door het doden van ouders, maar ook door het uiteenrukken van gezinnen. Wereldwijd zijn ongeveer 53 miljoen mensen hun huis ontvlucht omdat er geweld dreigde. Dat is circa 1 op elke 115 mensen op aarde! Minstens de helft daarvan wordt gevormd door kinderen. In de paniek van de vlucht raken kinderen vaak van hun ouders gescheiden.
Als gevolg van het conflict in Rwanda waren tegen eind 1994 114.000 kinderen van hun ouders gescheiden geraakt. Volgens een in 1995 ingesteld onderzoek had één kind op de vijf in Angola iets dergelijks meegemaakt. Voor veel kinderen, vooral de hele kleintjes, is het trauma niet bij hun ouders te zijn, beangstigender dan de beroering van de oorlog zelf.
Omgekomen door landmijnen
Wereldwijd zijn honderdduizenden kinderen gaan spelen, dieren gaan hoeden, brandhout gaan sprokkelen of gewassen gaan planten en daarbij door landmijnen uiteengereten. Landmijnen worden maandelijks 800 mensen noodlottig. In 64 landen liggen in totaal zo’n 110 miljoen landmijnen in de grond verborgen. Kambodja alleen al is bezaaid met ongeveer zeven miljoen van zulke mijnen, twee per kind.
Ruim 40 landen fabriceren zo’n 340 soorten mijnen in een grote verscheidenheid aan vormen en kleuren. Sommige zien er uit als stenen, andere als ananassen, weer andere als kleine groene vlinders die rustig, zonder te exploderen, vanuit helikopters omlaagzweven. Rapporten doen vermoeden dat sommige landmijnen, zo ontworpen dat ze op speelgoed lijken, bij scholen en speelplaatsen zijn gedeponeerd, waar ze door vrouwen en kinderen gevonden worden.
Het fabriceren van een antipersoneelmijn kost slechts ongeveer $3, maar het opsporen en uit de grond halen van een mijn kost tussen de $300 en $1000. In 1993 werden zo’n 100.000 landmijnen opgeruimd, maar werden twee miljoen nieuwe gelegd. Het zijn allemaal geduldige moordenaars die nooit slapen, geen onderscheid maken tussen een soldaat en een kind, geen vredesverdrag erkennen en wel vijftig jaar actief blijven.
In mei 1996, na twee jaar praten in het Zwitserse Genève, slaagden internationale onderhandelaars er niet in een wereldomvattend verbod op landmijnen tot stand te brengen. Hoewel enkele soorten mijnen wel verboden werden en het gebruik van andere onder restricties kwam te staan, zal een totaal verbod op landmijnen pas weer aan de orde komen op een vervolgconferentie, die voor het jaar 2001 is gepland. Tussen nu en dan zullen landmijnen nog 50.000 mensen van het leven beroven en 80.000 mensen verminken. Velen van hen zullen kinderen zijn.
Marteling en verkrachting
In recente oorlogen zijn kinderen gemarteld, hetzij om hun ouders te straffen of om informatie over hun ouders los te krijgen. Soms is er in de barbaarse wereld van het conflict geen reden nodig en worden kinderen louter bij wijze van vermaak gemarteld.
Seksueel geweld, verkrachting inbegrepen, is in de oorlog gebruikelijk. Bij de gevechten op de Balkan werden tienermeisjes stelselmatig verkracht en zo gedwongen het kind van de vijand te dragen. Evenzo gebruikten soldaten in Rwanda verkrachting als wapen om familiebanden te verwoesten. Bij sommige overvallen werd bijna elk tienermeisje dat een aanval van de militie overleefde verkracht. Veel meisjes die zwanger raakten, werden door hun familie en leefgemeenschap verstoten. Sommige meisjes lieten hun baby aan zijn lot over; andere pleegden zelfmoord.
Emotioneel trauma
Kinderen maken in de oorlog vaak dingen mee waarbij de ergste nachtmerries van veel volwassenen verbleken. In Sarajevo bijvoorbeeld bleek bij een enquête onder 1505 kinderen dat zij nagenoeg allemaal artilleriebeschietingen hadden meegemaakt. Op ruim de helft van hen was geschoten en twee derde had in situaties verkeerd die zij niet hadden verwacht te zullen overleven.
Bij een enquête onder 3000 Rwandese kinderen bleek dat 95 procent getuige was geweest van gewelddaden en moord tijdens de genocide en dat bijna 80 procent familieleden had verloren. Nagenoeg een derde was getuige geweest van verkrachting of aanranding en ruim een derde had andere kinderen deel zien nemen aan moordpartijen of afranselingen. Zulke ervaringen zijn verwoestend voor een jonge geest en een jong hart. In een rapport over getraumatiseerde kinderen uit het voormalige Joegoslavië stond: „Herinneringen aan de gebeurtenis blijven hun bij . . . veroorzaken afschuwelijke nachtmerries, dagelijkse indringende flash-backs van de traumatische gebeurtenissen, angst, onzekerheid en verbittering.” Na de genocide in Rwanda berichtte een psycholoog van het National Trauma Recovery Centre: „Tot de symptomen die kinderen vertonen, behoren nachtmerries, concentratiemoeilijkheden, depressiviteit en een gevoel van uitzichtloosheid ten aanzien van de toekomst.”
Hoe zijn kinderen te helpen?
Veel onderzoekers geloven dat het trauma niet verdwijnt wanneer kinderen hun gevoelens en herinneringen oppotten. De genezing begint vaak wanneer een kind de confrontatie met verschrikkelijke herinneringen aangaat door met een meelevende en geïnformeerde volwassene over het gebeurde te praten. „De strijd is al half gewonnen wanneer je echte probleemkinderen zover krijgt dat zij hun hart luchten en vrijuit praten”, zei een maatschappelijk werkster in West-Afrika.
Nog een belangrijke hulp bij het genezen van emotionele pijn is een sterke verbondenheid en steun van de familie en de leefgemeenschap. Net als alle andere kinderen hebben oorlogsslachtoffers liefde, begrip en empathie nodig. Maar is er echt reden om te geloven dat er voor alle kinderen hoop is op een rooskleurige toekomst?
[Kader op blz. 9]
Slechts een van de duizenden
Toen de strijd in haar deel van Angola begon, werd Maria, een twaalfjarige wees, verkracht en raakte zij zwanger. De gevechten werden heviger en Maria vluchtte. Zij liep 300 kilometer naar een veilig gebied, waar zij in een centrum voor ontheemde kinderen werd opgenomen. Omdat zij nog zo jong was, begonnen haar weeën te vroeg. Het werd een zware bevalling van een premature baby, die maar twee weken heeft geleefd. Maria stierf een week later. Maria is slechts een van de duizenden kinderen die in recente oorlogen gemarteld en verkracht zijn.
[Kader/Illustratie op blz. 8]
Het leek op een bal
In Laos waren een meisje en haar broer op weg om karbouwen te hoeden. Het meisje zag in een greppel iets liggen wat op een bal leek. Zij raapte het op en gooide het naar haar broer. Het viel op de grond en explodeerde; hij was op slag dood.
[Kader/Illustratie op blz. 9]
Naar geest en hart kapot
Wat geweld vaak met kinderen doet, wordt goed geïllustreerd door de achtjarige Shabana uit India. Zij zag hoe een menigte haar vader doodsloeg en vervolgens haar moeder onthoofde. Haar geest en hart zijn nog steeds verdoofd, maskeren de afschuw en het verlies. „Ik mis mijn ouders niet”, zegt zij op een vlakke, emotieloze toon. „Ik denk niet aan ze.”