Cocoseiland en de verhalen over begraven schatten
Door Ontwaakt!-correspondent in Costa Rica
OP ZO’N 480 kilometer voor de zuidwestkust van Costa Rica ligt een eiland dat bekend is om zijn verhalen over begraven schatten. Sommigen geloven dat Robert Louis Stevenson zijn beroemde boek Schateiland baseerde op geruchten over daar door zeerovers begraven schatten.
Cartografen en zeelieden hebben het eiland sinds de ontdekking ervan in de zestiende eeuw verschillende namen gegeven. De Spaanssprekende inheemse bevolking noemt het eiland thans Isla del Coco (Eiland van de Kokosnoot). De Nederlandse naam luidt Cocoseiland.
Tussen Costa Rica en de Galápagoseilanden ligt een onderzeese landrug die de Cocos Ridge heet. Door vulkanische activiteit op deze rug is er één eiland op ontstaan. Dit woeste stukje land is het enige eiland van betekenis in het oosten van de tropische Grote Oceaan met voldoende regenval voor het voortbestaan van een tropisch regenwoud. Jaarlijks valt er op het eiland zo’n 7000 millimeter regen!
De achttiende-eeuwse Engelse dichter Coleridge beschreef de benarde situatie van de oude zeeman die ’overal water, water had, maar geen druppel om te drinken’. In de zeventiende en achttiende eeuw diende het zoete water van Cocoseiland echter als een oceaanoase voor zeelieden die erin slaagden het eiland te vinden.
Een legende over verborgen schatten
In een tijdperk waarin de internationale verbindingen en handel afhankelijk waren van de zeevaart, vormden gewapende roofovervallen op volle zee ofte wel piraterij een bedreiging voor de samenleving. Zeerovers vormden ook voor elkaar een bedreiging.
Nadat een kleine kustplaats of een schip was geplunderd, werden de gestolen goederen onder de bemanning verdeeld. Zo stond elke piraat voor het dilemma hoe zijn deel van de onrechtmatig verkregen buit tegen diefstal door zijn makkers te beschermen. De voorkeursmethode was, de schat te verbergen op een geheime plek, in de hoop hem later op te halen. De kaart waarop de schat stond aangegeven, gekenmerkt door cryptische aanwijzingen die alleen de maker ervan begreep, werd de sleutel tot het vinden van verborgen schatten.
Een van de legenden van Cocoseiland wil dat één zeeroversbende door geslaagde overvallen op schepen en steden langs de Grote-Oceaankust van Midden-Amerika, overladen was met goud en juwelen. Omdat er een overvloed aan zoet water op het eiland was en een flinke vleesvoorraad (varkens werden er aan het eind van de achttiende eeuw geïntroduceerd), vatte de kapitein van het schip het plan op, Cocoseiland als zijn uitvalsbasis te gebruiken.
Volgens één versie van het verhaal vergde het verdelen van de buit een hele dag. Het goud werd bij potten vol afgemeten. Gedreven door de angst hun rijkdommen kwijt te raken aan hun hebzuchtige kameraden, kozen alle piraten ervoor hun deel van de schat ergens op het eiland te begraven. Met behulp van touwen voor het beklimmen van de steile rotsen die de kustlijn van het eiland domineren, verdween iedere piraat in het tropische woud. Terwijl sommigen zich op hun geheugen verlieten, kwamen anderen terug met kaarten die alleen zij konden ontcijferen, kaarten die hen terug zouden voeren naar hun schat. Al die uitputtende inspanningen waren echter voor niets geweest. De legende vertelt verder dat nadat de piraten hun goederen hadden verborgen, zij met hun galjoen wegvoeren op zoek naar grotere buit. Toen zij hun volgende haven hadden bereikt, lichtte de kapitein, die muiterij vreesde, het anker na de vermoedelijke rebellen aan land gestuurd te hebben. Zijn hoop dat zij als zeerovers geïdentificeerd en opgehangen zouden worden, werd bijna verwezenlijkt. Wat hij niet had voorzien, was dat zijn twee hoogste bemanningsleden erin slaagden het op een akkoordje te gooien met autoriteiten die de kapitein gevangen wilden nemen. De Britse marine liet een schip de achtervolging van het galjoen inzetten, wat leidde tot de gevangenneming en de dood van de kapitein en zijn bemanning.
In de loop van de vorige eeuw heeft deze legende de hoop van schatzoekers aangewakkerd. Maar zoals door het volgende verslag wordt geïllustreerd, moeten mensen die aspiraties in die richting hebben, zich nog eens bezinnen alvorens een expeditie naar Cocoseiland te ondernemen om er te gaan graven. In een artikel in The New York Times van 14 augustus 1892 werd geschreven over de speurtocht die kapitein August Gisler ondernam naar een uit goud, zilver en juwelen bestaande schat ter waarde van $60.000.000. Het schatzoeken van Gisler betekende voor hem een totale afzondering van de beschaving en blootstelling aan de zwaarste ontberingen op dit onbewoonde jungle-eiland. Hij besteedde minstens $50.000 van zijn eigen geld en ruim negentien jaar van zijn leven aan het zoeken naar de schat. In 1908 verliet Gisler Cocoseiland, failliet en gebroken van geest, zonder schat als beloning voor al zijn moeite.
Het feit dat Gisler geen schat op het eiland heeft gevonden, heeft niet iedereen ontmoedigd. Er zijn meer dan 500 georganiseerde expedities naar het eiland ondernomen. Volgens de beschikbare informatie is geen daarvan erin geslaagd de rijkdommen uit de verhalen te vinden.
Natuurlijke schatten op Cocoseiland
De laatste tijd laat zich een ander soort schatzoeker naar Cocoseiland lokken. Niet alleen ecotoeristen maar ook biologen en andere wetenschappers worden getrokken door de flora en fauna van het eiland en de rijkdom aan leven in de omringende wateren.
Het eiland is bedekt met een weelderige tropische plantengroei. Er zijn zo’n 450 soorten insekten en geleedpotigen geïdentificeerd, hoewel men het aantal soorten op het eiland op ruim 800 raamt. Er stromen 28 rivieren, die zich rond rotsachtig terrein kronkelen en zich als schitterende watervallen over indrukwekkende rotsen omlaagstorten.
Een van de 97 vogelsoorten op het eiland is de witte stern. Ze heeft de amusante gewoonte om vlak boven het hoofd van mensen te blijven zweven, schijnbaar niet bang voor menselijke bezoekers van het eiland. Deze kostelijke neiging heeft de vogel de Spaanse bijnaam espíritu santo ofte wel heilige geest bezorgd, omdat het doet denken aan het bijbelse verslag van Jezus’ doop. — Zie Mattheüs 3:16.
Diep onder de wateren rond Cocoseiland ligt een wereld die wemelt van natuurlijke schatten. Onder de ecotoeristen die het eiland bezoeken, bevinden zich sportduikers, die versteld staan van de hoge concentratie hamerhaaien. De hamerhaai en de gladde hondshaai komen veelvuldig in deze wateren voor en men heeft ze in scholen van tussen de veertig en vijftig exemplaren zien trekken. Duikers zijn ook onder de indruk van de opmerkelijke helderheid van het water. Zij zijn verbijsterd over het vertoon van kleuren als tropische vissen van de algen en het plankton eten.
De staat Costa Rica houdt zijn biologische schatten traditiegetrouw in ere. Momenteel wordt achttien procent van het landoppervlak beschermd als nationaal park en reservaat. In 1978 werd ook Cocoseiland tot nationaal park verklaard en het land telt nu 56 beschermde gebieden. In 1991 werd het beschermde gebied uitgebreid met een 24 kilometer brede bufferzone rond het eiland. Het patrouilleren om het zeegebied tegen commerciële visserij te beschermen, is een hele uitdaging. Natuurbeschermers vrezen dat onbeperkte bevissing schadelijk zou kunnen zijn voor de delicate ecosystemen in de onderzeewereld rond het eiland.
Tot op de dag van vandaag staat Cocoseiland bekend om zijn verhalen over brutale en avontuurlijke zeerovers en hun begraven schatten. Het intrigeert en trekt nog steeds schatzoekers van over de hele wereld. Maar de grootste rijkdom van het eiland schuilt in zijn natuurlijke schatten.
[Illustraties op blz. 26]
De gladde hondshaai (1) en de hamerhaai (2, 3) trekken door de wateren rond Cocoseiland in scholen van tussen de 40 en 50 exemplaren
[Illustratieverantwoording op blz. 25]
Foto’s op blz. 25 en 26: met toestemming van José Pastora, Okeanos