Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 22/6 blz. 19-23
  • Op zoek naar rechtvaardigheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Op zoek naar rechtvaardigheid
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Problemen met de kerken
  • Leger en huwelijk
  • Mijn koppige tegenstand
  • Mijn rechtvaardigheidsgevoel bevredigd
  • Eindelijk werd mijn hart bereikt
  • In de volle-tijddienst
  • Wanneer het met alle onrecht gedaan zal zijn
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Zij brengen het geleerde in praktijk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 22/6 blz. 19-23

Op zoek naar rechtvaardigheid

VERTELD DOOR ANTONIO VILLA

In 1836 werden alle Texaanse verdedigers van The Alamo — nog geen 200 in getal — gedood door een Mexicaans leger van zo’n 4000 man. Daarna werd de oorlogskreet „Denk aan The Alamo” gebruikt om de strijd aan te wakkeren voor de onafhankelijkheid, die later dat jaar werd verworven. In 1845 werd wat eens deel uitmaakte van Mexico door de Verenigde Staten ingelijfd, en Mexicanen bevonden zich nu in vijandelijk gebied. Nog steeds is men zich van de etnische verschillen bewust.

IK BEN geboren in 1937, niet ver van San Antonio in Texas, waar The Alamo ligt. In die tijd stond op toiletten, drinkfonteinen en andere openbare voorzieningen „Alleen blanken” en „Anderen”. Ik leerde al vlug dat tot die „Anderen” degenen van ons behoorden die van Mexicaanse afkomst waren.

Als Mexicanen en negers naar een film in de bioscoop gingen, mochten zij alleen op het balkon zitten, niet in de grote zaal. Veel restaurants en zaken wilden geen Mexicanen bedienen. Toen Velia, mijn vrouw, en haar zus eens een schoonheidssalon binnenstapten, hadden de eigenaars niet eens het fatsoen om te zeggen: „Mexicanen zijn hier niet welkom.” Zij lachten hen gewoon in hun gezicht uit totdat Velia en haar zus beschaamd weggingen.

Soms gingen blanke mannen — meestal als zij dronken waren — op zoek naar Mexicaanse vrouwen, die door velen als van nature immoreel werden beschouwd. Ik dacht: ’Een toilet of een drinkfontein willen ze niet met ons delen, maar een bed met Mexicaanse vrouwen delen, dat willen ze wel.’ Zulke onrechtvaardigheden maakten me aanvankelijk onzeker en later opstandig.

Problemen met de kerken

De huichelarij van de godsdienst verbitterde me nog meer. Blanken, negers en Mexicanen hadden allemaal aparte kerken. Toen ik mij voorbereidde op mijn eerste communie als katholiek, overhandigde de priester me enkele enveloppen waarop een datum stond om die aan mijn vader te geven. Het was de bedoeling dat wij elke week een enveloppe teruggaven met daarin een bijdrage. Kort daarna vertelde de priester me: „Zeg maar tegen je vader dat ik nog geen enveloppe gezien heb.” De boze woorden van mijn vader zijn me altijd bijgebleven: „Dat is het enige wat ze interesseert — geld!”

Vaak waren er schandalen als geestelijken ervandoor gingen met vrouwen uit hun parochie. Dergelijke ervaringen ontlokten mij herhaaldelijk de uitspraak: „De godsdienst heeft maar twee oogmerken — je je geld of je vrouw af te pakken.” Als Jehovah’s Getuigen bij ons aan de deur kwamen, stuurde ik hen dan ook weg met de woorden: „Als ik een godsdienst wil, zoek ik er zelf wel een.”

Leger en huwelijk

In 1955 ging ik bij de Amerikaanse luchtmacht, in de hoop dat ik daar, door in mijn werk uit te blinken, het respect kon krijgen dat mij als Mexicaan ontzegd was. Door mij op mijn werk toe te leggen, verwierf ik erkenning en werd ik ten slotte hoofd van de kwaliteitscontrole. Daarvoor moest ik andere afdelingen van de strijdkrachten beoordelen.

In 1959 trouwde ik met Velia. Velia was altijd godsdienstig geweest. Maar de verschillende kerken waar zij heen ging, stelden haar teleur. Toen zij zich op een dag in 1960 erg terneergeslagen voelde, bad zij: „Alstublieft God, als u bestaat, laat het me dan weten. Ik wil u leren kennen.” Diezelfde dag belde een van Jehovah’s Getuigen bij ons aan in Petaluma (Californië).

Kort daarna verloor Velia echter het contact met de Getuigen doordat ik ergens anders gestationeerd werd. Pas in 1966, toen ik in Vietnam was, hervatte zij haar bijbelstudie met hen in Seminole (Texas). Bij mijn thuiskomst uit Vietnam in het begin van het jaar daarop was ik niet blij toen zij met de Getuigen de bijbel bleek te bestuderen.

Mijn koppige tegenstand

Ik was ervan overtuigd dat Velia misleid en teleurgesteld zou worden door religie. Daarom was ik bij de studie aanwezig, mijn oren gespitst op een gelegenheid om het kleinste spoortje van huichelarij aan de kaak te stellen. Toen de vrouw zei dat de Getuigen politiek neutraal zijn, viel ik haar in de rede met de vraag: „Wat doet uw man voor werk?”

„Hij verbouwt katoen”, antwoordde zij.

„Aha!”, repliceerde ik arrogant. „Militaire uniformen worden van katoen gemaakt. Dus u draagt wel degelijk uw steentje tot de oorlog bij!” Ik begon te schreeuwen en werd onredelijk.

Hoewel een nieuwe militaire overplaatsing ons in juni 1967 ver weg voerde, naar Minot in North Dakota, zochten de Getuigen daar contact met Velia en zetten de bijbelstudie voort. Ik begon op kinderachtige manieren mijn ongenoegen te laten blijken. Ik kwam opzettelijk thuis als de studie aan de gang was en smeet met de deuren, ging stampend de trap op, gooide mijn laarzen met veel lawaai op de grond en trok verscheidene malen het toilet door.

Velia was een lieve en onderdanige echtgenote die nooit iets zonder mijn toestemming had gedaan. Hoewel ik er met tegenzin in toestemde dat zij bijbelstudie kreeg, wist zij dat het bijwonen van de vergaderingen van de Getuigen een groter probleem zou zijn. Als zij daartoe werd aangemoedigd, antwoordde zij altijd: „Dat kan ik beter niet doen. Ik wil Tony niet irriteren.”

Maar op een dag las Velia in de bijbel: ’Bedroeft Gods heilige geest niet’ (Efeziërs 4:30). „Wat betekent dat?”, informeerde zij. De Getuige die de studie leidde, legde uit: „Nu, het schrijven van de bijbel is door Gods heilige geest geïnspireerd. Als wij geen gehoor geven aan wat de bijbel zegt, bedroeven wij dus Gods heilige geest. Sommigen gaan bijvoorbeeld niet naar de vergaderingen, terwijl zij weten dat Gods Woord dat voorschrijft” (Hebreeën 10:24, 25). Dat was voldoende voor Velia’s nederige hart. Van toen af ging zij ondanks mijn tegenstand naar elke vergadering.

Dan snauwde ik bijvoorbeeld: „Hoe kun je nu het huis uitgaan als mijn avondeten niet op tafel staat?” Velia leerde vlug altijd mijn avondeten warm en klaar te hebben. Dus gebruikte ik andere protesten: „Je houdt niet van mij en de kinderen. Je laat ons aan ons lot over voor die vergaderingen.” Of als ik de opvattingen van de Getuigen aanviel en Velia die zachtaardig probeerde te verdedigen, wist ik niets beters te doen dan haar voor bocona — „grote mond” — uit te maken, voor een oneerbiedige, rebelse bocona.

Toch ging Velia naar de vergaderingen, al was zij door mijn gescheld vaak in tranen als zij de deur uitging. Ik hield me echter aan een paar principes. Nooit heb ik mijn vrouw geslagen of ook maar overwogen haar in de steek te laten om haar nieuwe geloof. Maar ik vroeg me wel bezorgd af of er op die vergaderingen soms een knappe vent was die belangstelling voor haar had. Nog steeds dacht ik dat het bij religie ging om ’Je geld of je vrouw’. Vaak klaagde ik als Velia zich voor de vergaderingen kleedde: „Je maakt je mooi voor iemand anders, maar nooit voor mij.” Toen ik voor het eerst besloot een vergadering bij te wonen, zei ik dan ook: „Ik ga mee — maar alleen om een oogje op je te houden!”

Mijn ware beweegreden was echter iets tegen de Getuigen te vinden. Op een van de eerste vergaderingen die ik bijwoonde, werd een lezing gehouden over „alleen in de Heer” trouwen (1 Korinthiërs 7:39). Toen wij thuiskwamen, klaagde ik smalend: „Zie je nu wel! Ze zijn net als al die anderen — bevooroordeeld tegen iedereen die niet van hun geloof is.” Velia merkte zachtmoedig op: „Maar dat zeggen zíj niet, dat zegt de bijbel.” Daarop reageerde ik onmiddellijk door met mijn vuist tegen de wand te slaan en te roepen: „Daar heb je de bocona weer!” In werkelijkheid was ik gefrustreerd omdat ik wist dat zij gelijk had.

Ik bleef naar de vergaderingen gaan en de lectuur van de Getuigen lezen, hoewel het mij er alleen maar om te doen was iets te vinden wat niet deugde. Ik begon zelfs antwoord te geven op de vergaderingen — maar alleen om de mensen te laten zien dat ik geen „domme Mexicaan” was.

Mijn rechtvaardigheidsgevoel bevredigd

Tegen 1971 had mijn militaire loopbaan ons naar Arkansas gevoerd. Ik bleef Velia, die in december 1969 was gedoopt als symbool van haar opdracht aan Jehovah, naar de vergaderingen vergezellen. Ik maakte het haar niet langer moeilijk, maar ik liet ook niemand de bijbel met me bestuderen. Mijn kennis door het lezen van bijbelse lectuur was enorm toegenomen. Het was echter allemaal feitenkennis — het resultaat van mijn wens om de beste te zijn in alles wat ik deed. Maar geleidelijk begon de omgang met Jehovah’s Getuigen mijn hart te raken.

Ik merkte bijvoorbeeld op dat ook negers op gemeentevergaderingen onderwezen. Maar in het begin zei ik bij mezelf: ’Ach, dat doen ze alleen hier achter gesloten deuren.’ Toen wij een congres bijwoonden in een groot honkbalstadion, was het voor mij echter een schok te zien dat negers ook daar programmaonderdelen behartigden. Ik moest toegeven dat er geen discriminatie onder de Getuigen is. Bij hen gaat het echt rechtvaardig toe.

Ik ging ook begrijpen dat Jehovah’s Getuigen oprechte liefde voor elkaar hebben (Johannes 13:34, 35). En toen ik met hen samenwerkte aan de bouw van hun Koninkrijkszaal, merkte ik dat het maar gewone mensen zijn. Ik zag hen moe worden, fouten maken, en hoorde zelfs wat boze woorden als er iets misging. In plaats dat deze onvolmaaktheden me afschrikten, ging ik me zekerder onder hen voelen. Misschien zag ik in dat er ondanks al mijn tekortkomingen hoop voor me was.

Eindelijk werd mijn hart bereikt

Ik realiseerde me voor het eerst dat ik een band met Jehovah kreeg toen De Wachttoren in 1973 uitlegde dat roken een ’verontreiniging van het vlees’ is en een reden tot uitsluiting (2 Korinthiërs 7:1). Ik rookte destijds één tot twee pakjes sigaretten per dag. Ik had al heel wat keren geprobeerd te stoppen, maar zonder succes. Nu zond ik echter iedere keer dat ik de drang tot roken voelde, in stilte een gebed om Jehovah’s hulp op om met de smerige gewoonte te stoppen. Tot ieders verwondering heb ik nooit meer gerookt.

Op 1 juli 1975 zou ik met militair pensioen gaan. Ik besefte dat als ik wilde doen wat de bijbel leert, ik mijn leven aan Jehovah zou moeten opdragen. Een persoonlijke bijbelstudie had ik nooit gehad, dus het was een hele schok voor de gemeenteouderlingen toen ik hun in juni 1975 vertelde dat ik gedoopt wilde worden zodra ik mijn militaire loopbaan beëindigd had. Zij legden uit dat ik eerst zou moeten voldoen aan Jezus’ gebod om aan de prediking deel te nemen (Mattheüs 28:19, 20). Dat deed ik op de eerste zaterdag in juli. Diezelfde dag had ik een afspraak met een ouderling om de vereiste bijbelse vragen voor doopkandidaten te beantwoorden. Drie weken later werd ik gedoopt.

Nadat onze drie kinderen — Vito, Venelda en Veronica — mij gedoopt hadden zien worden, begonnen zij snelle geestelijke vorderingen te maken. Binnen de daaropvolgende twee jaar werden de twee oudsten gedoopt, vier jaar later gevolgd door ons jongste kind. Als ik met mannen praat die de bijbelse waarheid kennen maar er niets aan doen, wijs ik hen vaak op de gevolgen van hun nalatigheid. Ik vertel hun dat ook al zeggen hun kinderen het misschien niet, zij denken: ’Als de waarheid niet belangrijk genoeg is voor Pa, dan is ze niet belangrijk genoeg voor mij.’

In de volle-tijddienst

Ons hele gezin ging in Marshall (Arkansas) in de volle-tijddienst als pioniers. Velia en ik begonnen in 1979 en toen de kinderen in de jaren daarop een voor een de middelbare school doorlopen hadden, sloten zij zich bij ons aan in het werk.

In het begin van de jaren ’80 hoorden wij berichten over de dorst naar bijbelkennis onder de bevolking van Ecuador in Zuid-Amerika en wij stelden ons ten doel daarheen te verhuizen. In 1989 waren onze kinderen volwassen en in staat op eigen benen te staan. Dus brachten wij in dat jaar een kort bezoek aan Ecuador om ’het land te verspieden’. — Vergelijk Numeri 13:1, 2.

In april 1990 arriveerden wij in Ecuador, ons nieuwe thuis. Daar onze financiën beperkt waren — wij leefden van mijn militaire pensioen — moesten wij voorzichtig met ons geld omspringen. Maar de vreugden van de volle-tijddienst in dit geestelijk vruchtbare gebied hebben alle financiële offers ruimschoots vergoed. Eerst werkten wij in de havenstad Manta, waar wij allebei tussen de tien tot twaalf wekelijkse bijbelstudies leidden. In 1992 begon ik als reizend bedienaar van het evangelie te dienen, vergezeld door mijn vrouw. Wij bezoeken elke week een andere gemeente.

Wanneer het met alle onrecht gedaan zal zijn

Velia en ik merken dat, alles welbeschouwd, het onrecht dat wij hebben ondervonden toen wij opgroeiden, ons nu helpt in onze bediening. Wij zorgen er vooral voor nooit neer te zien op iemand die misschien armer of minder ontwikkeld is dan wij of die een etnische achtergrond heeft die van de onze verschilt. Wij zien ook dat veel van onze christelijke broeders en zusters groter sociaal onrecht ondervinden dan wij hebben meegemaakt. Toch klagen zij niet. Zij houden hun ogen vast op Gods komende koninkrijk gericht, en dat hebben ook wij leren doen. Wij hebben al lang onze pogingen gestaakt om rechtvaardigheid te vinden in dit samenstel van dingen. In plaats daarvan gebruiken wij ons leven om mensen op de enige ware oplossing voor onrecht te wijzen, Gods koninkrijk. — Mattheüs 24:14.

Wij hebben ook geleerd dat degenen onder ons die zich al het onrecht erg hebben aangetrokken, moeten oppassen geen volmaakte rechtvaardigheid onder Gods volk te verwachten, omdat wij allemaal onvolmaakt zijn en geneigd tot het slechte (Romeinen 7:18-20). Toch kunnen wij naar waarheid zeggen dat wij een liefdevolle, multinationale gemeenschap hebben gevonden van broeders die er naar hun beste vermogen naar streven het goede te doen. Het is onze hoop samen met Gods wereldwijde volk Gods nieuwe wereld binnen te gaan, waar rechtvaardigheid zal wonen. — 2 Petrus 3:13.

[Inzet op blz. 20]

Ik reageerde onmiddellijk door met mijn vuist tegen de wand te slaan

[Illustratie op blz. 21]

Met Velia, toen ik bij de luchtmacht ging

[Illustratie op blz. 23]

Met Velia, in 1996

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen