Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 22/3 blz. 14-16
  • Jehovah’s Getuigen in Griekenland in het gelijk gesteld

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah’s Getuigen in Griekenland in het gelijk gesteld
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vrijheid van godsdienst en de mensenrechten
  • Jehovah’s Getuigen mogen niet belemmerd worden
  • Godsdienstvrijheid hoog gehouden
  • Geen kleinigheid
  • Waarom een internationaal gerechtshof in Europa?
    Ontwaakt! 1996
  • Een overwinning bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Het goede nieuws wettelijk beschermen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Een Europees hof herstelt een onrecht
    Ontwaakt! 1998
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 22/3 blz. 14-16

Jehovah’s Getuigen in Griekenland in het gelijk gesteld

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT

DE ORTHODOXE priester in het Kretenzische dorp Gazi zei in een van zijn preken: „Jehovah’s Getuigen hebben notabene hier in ons dorp een zaal. Ik heb uw steun nodig om van hen af te komen.” Enkele dagen later werden op een avond de ruiten van de Koninkrijkszaal ingegooid en werd de zaal beschoten door onbekenden. Zo kwam de kwestie van de vrijheid van godsdienst weer aan de orde in Griekenland.

Deze gebeurtenissen waren er voor vier van de plaatselijke Getuigen, Kyriakos Baxevanis, Vassilis Hatzakis, Kostas Makridakis en Titos Manoussakis, aanleiding toe, een petitie in te dienen bij de minister van Onderwijs en Religie om een vergunning tot het houden van godsdienstige bijeenkomsten. Zij hoopten dat de verlening van een vergunning hen uiteindelijk zou verzekeren van politiebescherming. Maar zo gemakkelijk zou het niet gaan.

De priester stuurde een brief aan het hoofdkwartier van de veiligheidspolitie in Herákleion, waarin hij de aandacht van de autoriteiten vestigde op de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen in zijn parochie en verzocht om het opleggen van sancties en een verbod op hun bijeenkomsten. Dit leidde tot een onderzoek door de politie en verhoren. Ten slotte stelde de officier van justitie een strafrechtelijke vervolging tegen de Getuigen in en de zaak werd voor het gerecht gebracht.

Op 6 oktober 1987 sprak de strafkamer van Herákleion de vier verdachten vrij met als motivering dat „zij de daad die hun ten laste was gelegd niet hadden begaan, omdat leden van een godsdienst vrij zijn bijeenkomsten te houden . . ., en een vergunning niet nodig is”. Niettemin ging de officier van justitie twee dagen later tegen de uitspraak in beroep en de zaak kwam voor een hoger rechterlijk college. Op 15 februari 1990 veroordeelde dit college de Getuigen tot twee maanden gevangenisstraf en een boete van ongeveer ƒ 175. De verdachten gingen daarop in cassatie bij het Griekse Hooggerechtshof.

Op 19 maart 1991 verwierp het Hooggerechtshof het cassatieberoep en liet het arrest in stand. Toen ruim twee jaar later, op 20 september 1993, de uitspraak van het Hooggerechtshof werd afgekondigd, werd de Koninkrijkszaal door de politie verzegeld. Zoals uit een politiedocument blijkt, zat de Orthodoxe Kerk van Kreta achter dit optreden.

Deze situatie ontstond doordat bepaalde wetten, die in 1938 waren aangenomen met de bedoeling de vrijheid van godsdienst te beknotten, nog steeds van kracht zijn in Griekenland. Ze bepalen dat als iemand een plaats van aanbidding wil instellen, daarvoor een vergunning aangevraagd moet worden bij het Ministerie van Onderwijs en Religie en ook bij de plaatselijke bisschop van de Orthodoxe Kerk. Tientallen jaren lang hebben deze wetten, die totaal uit de tijd zijn, Jehovah’s Getuigen veel moeilijkheden bezorgd.

Vrijheid van godsdienst en de mensenrechten

Toen de vier Getuigen hoorden dat hun veroordeling door het Hooggerechtshof was gehandhaafd, dienden zij op 7 augustus 1991 een verzoekschrift in bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in het Franse Straatsburg. Daarin voerden zij aan dat hun veroordeling in strijd was met artikel 9 van de Europese Conventie, die vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst waarborgt, evenals het recht van het individu om zijn of haar godsdienst alleen of samen met anderen en in het openbaar of in afzondering te belijden.

Op 25 mei 1995 beslisten de 25 leden van de Commissie unaniem dat Griekenland in dit geval artikel 9 van de Europese Conventie had overtreden. Hun uitspraak luidde dat de veroordeling in kwestie niet verenigbaar was met de geest van vrijheid van godsdienst en niet nodig was in een democratische samenleving. In deze beslissing over de ontvankelijkheid van de zaak werd ook vermeld: „De eisers . . . zijn leden van een beweging waarvan de religieuze riten en gebruiken in veel Europese landen alom bekend en toegestaan zijn.” Ten slotte legde de Commissie de zaak voor aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Jehovah’s Getuigen mogen niet belemmerd worden

De behandeling van de zaak werd vastgesteld op 20 mei 1996. Er waren ruim 200 personen in de rechtszaal, onder wie studenten en hoogleraren van de plaatselijke universiteit, journalisten en een aantal Jehovah’s Getuigen uit Griekenland, Duitsland, België en Frankrijk.

Phédon Vegleris, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Athene en raadsman van de Getuigen, voerde aan dat het beleid en de rechterlijke uitspraken van de nationale instanties niet alleen in strijd waren met de Europese Conventie maar ook met de Griekse grondwet. „Het is dus de nationale wet en de uitvoering ervan waarmee het Hof zich gaat bezighouden.”

De advocaat van de Griekse regering was een rechter van de Raad van State, die, in plaats van op de feiten in te gaan, sprak over de positie die de Orthodoxe Kerk in Griekenland inneemt, over haar nauwe banden met de staat en de bevolking, en over de vermeende noodzaak om andere godsdiensten onder controle te houden. Bovendien verklaarde hij dat Jehovah’s Getuigen er vanaf 1960 in waren geslaagd hun aantallen aanzienlijk te vergroten. Met andere woorden, het orthodoxe monopolie was met succes doorbroken!

Godsdienstvrijheid hoog gehouden

Op 26 september zou er uitspraak worden gedaan. De verwachtingen waren hooggespannen, vooral onder Jehovah’s Getuigen. De president van de Kamer, Rudolf Bernhardt, las de uitspraak voor: Het Hof, bestaande uit negen rechters, was eenstemmig van oordeel dat Griekenland artikel 9 van de Europese Conventie had geschonden. Het kende de eisers tevens een bedrag van ongeveer ƒ 30.000 toe als onkostenvergoeding. Het belangrijkste was echter dat de uitspraak veel opmerkelijke argumenten ten gunste van de vrijheid van godsdienst bevatte.

Het Hof merkte op dat de Griekse wet „verstrekkende inmenging door de politieke, bestuurlijke en kerkelijke autoriteiten in de uitoefening van de godsdienstvrijheid” toestaat. Het voegde eraan toe dat de vereiste procedure om een vergunning te krijgen, door de staat werd gebruikt „om strenge, of in feite belemmerende voorwaarden op te leggen aan de beoefening van een godsdienstige overtuiging door bepaalde niet-orthodoxe bewegingen, in het bijzonder Jehovah’s Getuigen”. De extreme tactiek die vele tientallen jaren door de Orthodoxe Kerk was toegepast, werd door dit internationale hof aan de kaak gesteld.

Het Hof beklemtoonde dat „het bij de Conventie gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst elke bevoegdheid van de zijde van de staat uitsluit om te bepalen of een godsdienstige overtuiging of de middelen gebruikt om die overtuiging te belijden, wettig zijn”. Verder werd verklaard dat „Jehovah’s Getuigen voldoen aan de definitie ’bekende godsdienst’ die de Griekse wet stipuleert . . . Dit werd bovendien door de regering erkend.”

Geen kleinigheid

De daaropvolgende dagen besteedden de meeste grote Griekse kranten aandacht aan deze zaak. Op 29 september 1996 werd in de zondagseditie van Kathimerini opgemerkt: „Hoe de Griekse staat ook probeert het af te doen als ’een kleinigheid’, de ’klap in het gezicht’ die ze heeft gekregen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg is een voldongen feit, een feit dat terecht op internationaal niveau is vastgelegd. Het Hof herinnerde Griekenland aan artikel 9 van de Conventie voor de Rechten van de Mens en veroordeelde de Griekse wetgeving unaniem.”

Het Atheense dagblad Ethnos schreef op 28 september 1996 dat het Europese Hof „Griekenland had veroordeeld en het had opgedragen de proceskosten te vergoeden aan zijn burgers die toevallig de pech hebben Jehovah’s Getuigen te zijn”.

Een van de advocaten van de eisers, Panos Bitsaxis, zei in een interview voor de radio: „Wij leven in het jaar 1996, op de drempel van de 21ste eeuw, en het spreekt vanzelf dat er geen sprake kan zijn van discriminatie, intimidatie of inmenging van regeringswege in verband met de uitoefening van het fundamentele recht op godsdienstvrijheid. . . . Dit is een geschikte gelegenheid voor de regering om haar beleid te heroverwegen en een eind te maken aan deze zinloze discriminatie, die in onze huidige tijd geen enkel doel dient.”

De uitspraak in de zaak Manoussakis en anderen contra Griekenland wekt de hoop dat de Griekse staat haar wetgeving in overeenstemming zal brengen met de uitspraak van het Europese Hof, zodat Jehovah’s Getuigen in Griekenland zich kunnen verheugen in vrijheid van godsdienst zonder inmenging van overheid, politie of kerk. Trouwens, dit is de tweede keer dat het Europese Hof zich op het punt van de godsdienstvrijheid tegen het Griekse rechtswezen heeft uitgesproken.a

Het is algemeen bekend dat Jehovah’s Getuigen de ’superieure regeringsautoriteiten’ gehoorzamen in alle aangelegenheden die niet in strijd zijn met Gods Woord (Romeinen 13:1, 7). Zij vormen in geen enkel opzicht een bedreiging voor de openbare orde. Integendeel, in hun publikaties en openbare bediening wordt iedereen aangemoedigd zich aan de wet te houden en een vreedzaam leven te leiden. Zij vormen een rechtschapen en gevestigde godsdienst en hun leden hebben veel bijgedragen tot het welzijn van hun buurt. Hun onwrikbaarheid in het hoog houden van de verheven morele maatstaven van de bijbel en hun naastenliefde, die vooral tot uiting komt in het bijbelonderricht dat zij geven, hebben een heilzame uitwerking gehad in de ruim 200 landen waar zij bestaan.

Hopelijk zullen de uitspraken van het Europese Hof ertoe leiden dat Jehovah’s Getuigen en alle andere religieuze minderheden in Griekenland grotere vrijheid van godsdienst wordt verleend.

[Voetnoten]

a De eerste uitspraak, in 1993 gedaan, was die in de zaak Kokkinakis contra Griekenland. — Zie De Wachttoren van 1 september 1993, blz. 27.

[Illustratie op blz. 15]

De oorspronkelijke Koninkrijkszaal, op 20 september 1993 door de politie verzegeld

[Illustratie op blz. 15]

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, Straatsburg

[Illustratie op blz. 16]

De betrokken Getuigen: T. Manoussakis, V. Hatzakis, K. Makridakis en K. Baxevanis

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen