Gegijzeld in een gevangenisoproer
OM ONGEVEER drie uur in de middag op zaterdag 30 maart 1996 kwamen Edgardo Torres, Rubén Ceibel en ik aan in de zwaar beveiligde gevangenis van Sierra Chica in de provincie Buenos Aires (Argentinië). In dit overbevolkte bolwerk, ontworpen om zo’n 800 gevangenen te huisvesten, zaten 1052 veroordeelde misdadigers. Hun misdrijven varieerden van beroving tot seriemoorden. Wij waren daar als bezoekers.
Voor Edgardo en Rubén was dit een van de vele zaterdagse tochten naar deze befaamde gevangenis. Als ouderlingen in een plaatselijke gemeente van Jehovah’s Getuigen gingen zij daar geregeld op bezoek om voor een vijftiental gedetineerden wekelijkse bijbelse lezingen te houden. Voor mij als reizende opziener was dit een zeldzame gelegenheid, want ik had nog nooit een vergadering in een gevangenis voorgezeten.
De gevangenis telt twaalf waaiervormig aangelegde cellenblokken. Toen wij het terrein betraden, zagen wij in de verte vier gevangenen enthousiast naar ons zwaaien. Deze gedetineerden waren zover gevorderd met hun bijbelstudie dat zij ongedoopte predikers van het goede nieuws van Gods koninkrijk waren geworden. Snel werden wij naar cellenblok 9 gebracht, waar wij de vergadering zouden houden. Daar was een vertrek opgeschilderd en van gordijnen voorzien, waardoor het een waardig aanzien had gekregen.
Het oproer begint
Maar er klopte iets niet. Er waren slechts twaalf gevangenen aanwezig in plaats van de gebruikelijke vijftien. Wij vroegen ons allemaal af waarom. De vergadering begon zoals gewoonlijk met lied en gebed. Na enkele minuten werden wij opgeschrikt door het lawaai van luide geweerschoten, gevolgd door salvo’s mitrailleurvuur. Daarop hoorden wij geroep en geschreeuw. Er was zojuist een gevangenisoproer uitgebroken!
Verscheidene gevangenen met mutsen over hun gezicht en gewapend met geïmproviseerde messen stormden onze vergaderzaal binnen. Zij waren verbaasd ons daar aan te treffen — drie bezoekers! Haastig werden wij door een met rook gevulde gang gevoerd. Er lagen matrassen te branden, gevangenen holden in verwarring door elkaar en op de vloer lag een gewonde bewaker. De vlammen van een zelfgemaakte bom laaiden op tegen de wachttoren midden op het gevangenisterrein. Wij werden naar buiten gebracht en gedwongen ongeveer vijftig meter van de grote omheining te gaan staan. Als wij recht vooruit keken, konden wij buiten de omheining politieagenten en gevangenbewaarders zien staan met hun geweren op ons gericht. Achter ons stond een stel gevangenen die ons hun messen op de keel hielden. Zij gebruikten ons als menselijke schilden.
Nog meer gijzelaars
Vijf uur later, na zonsondergang, gaven de leiders van het oproer een arts toestemming de gevangenis te betreden om de gewonden te behandelen. Ook de arts werd gegijzeld. Ten slotte werden wij om ongeveer negen uur in de avond naar het ziekenhuis van de gevangenis gebracht. Daar voegden wij ons bij een groep bewakers die ook in gijzeling werden gehouden. Nu dwongen de opstandelingen alle gijzelaars bij toerbeurt als menselijke schilden te dienen.
Na korte tijd kregen een rechter en haar secretaris toestemming een ontmoeting te hebben met de oproerlingen in een poging om de kwestie vreedzaam te beslechten. Maar de crisis escaleerde toen de gevangenen hen beiden brutaalweg als gijzelaars vasthielden.
De hele nacht door werd er af en toe gevochten. Wij probeerden te slapen, maar het leek wel alsof telkens als wij indommelden een luide kreet ons weer uit onze slaap opschrikte. Vervolgens kwamen wij heel vroeg in de ochtend weer aan de beurt om als levende schilden te dienen.
Het geweld escaleert
Op zondag 31 maart, de tweede dag van het oproer, verergerde de situatie. De leiders van het oproer konden het niet eens worden over hun eisen. Dit schiep een sfeer van woede en geweld. Troepjes oproerlingen sloegen aan het vernielen en verbrandden alles wat zij tegenkwamen. Oude geschillen werden met geweld en moord beslecht. Een aantal gevangenen die weigerden zich bij de opstand aan te sluiten, werd doodgeschoten. Enkele lijken werden in de oven van de bakkerij verbrand.
Allerlei geruchten en tegenstrijdige berichten over onze vrijlating deden in de gevangenis de ronde. Voor ons gijzelaars was het een maalstroom van emoties. Soms mochten wij naar het nieuws op de televisie kijken. Met verbazing zagen wij hoe ver bezijden de werkelijkheid de televisieverslagen waren. Het was ontmoedigend.
Hoe sloegen wij ons erdoorheen? Wij concentreerden ons op gebed, bijbellezen en gesprekken met anderen over bijbelse beloften van een gelukkige toekomst. Dat was de sleutel tot onze emotionele kracht gedurende de beproeving.
Op maandag stemden de leiders van het oproer erin toe onderhandelingen met de autoriteiten te openen. Het einde van het oproer leek nabij. De oproerlingen gebruikten Edgardo en verscheidene gevangenbewaarders als schilden, toen er onder een aantal gevangenen een vuurgevecht losbarstte. In de daaropvolgende verwarring vuurde de politie, in de veronderstelling dat er gijzelaars werden neergeschoten, hun wapens af. Edgardo overleefde de kogelregen, maar enkele van de gevangengenomen bewaarders werden doodgeschoten.
De dood leek nabij
Zij brachten ons gijzelaars op een dak om de autoriteiten te laten zien dat wij nog leefden. Maar de politie bleef schieten. Dit maakte de oproerlingen woedend. Iedereen begon tegelijk te schreeuwen. Sommigen brulden: „Maak de gijzelaars af! Maak ze af!” Anderen pleitten: „Nog niet! Laten wij wachten!” De dood leek nabij. Rubén en ik keken elkaar aan als om te zeggen: ’Tot in de nieuwe wereld.’ Toen zonden wij beiden een stil gebed op. Onmiddellijk voelden wij een innerlijke kalmte en vrede van de geest die onder deze omstandigheden alleen maar van Jehovah afkomstig konden zijn. — Filippenzen 4:7.
Plotseling staakte de politie het vuren en een van de leiders van het oproer gelastte onze executie af. De jonge gevangene die mij vasthield, kreeg bevel met mij over het dak heen en weer te lopen als waarschuwing voor de politie. Hij was verschrikkelijk zenuwachtig. Terwijl ik mij in die situatie bevond, was ik in staat een gesprek met hem te beginnen dat ons allebei kalmeerde. Ik legde uit dat menselijk lijden veroorzaakt werd door Satan en zijn demonen en dat Jehovah God weldra een eind aan al zulk lijden zou maken. — Openbaring 12:12.
Toen wij naar het gevangenisziekenhuis werden teruggebracht, troffen wij veel van de gijzelaars in paniek aan. Wij probeerden ons geloof in Jehovah’s beloften met onze medegijzelaars te delen. Wij spraken met hen over onze op de bijbel gebaseerde hoop op een toekomst in het Paradijs op aarde. Sommige van de gijzelaars begonnen Jehovah met name aan te roepen. De arts legde bijzondere belangstelling aan de dag en stelde een aantal specifieke vragen. Dit leidde tot een uitvoerige bijbelse bespreking aan de hand van het boek Kennis die tot eeuwig leven leidt.
De Gedachtenisviering gehouden
Dinsdag, onze vierde dag in gevangenschap, was de gedenkdag van de dood van Jezus Christus. Op die dag zouden miljoenen Jehovah’s Getuigen en geïnteresseerden in de hele wereld bijeenkomen om gehoorzaam aan Jezus’ gebod die gebeurtenis te herdenken (Lukas 22:19). Ook wij troffen regelingen om de Gedachtenisviering te houden.
Eén hoek van het vertrek werd uitgekozen om althans enige privacy te hebben. Er was geen ongezuurd brood of rode wijn om als symbolen te gebruiken. Maar wij drieën vonden het fijn lofzangen voor Jehovah te zingen, te bidden en het bijbelverslag over Jezus’ laatste nacht en andere gebeurtenissen rondom zijn dood door te nemen. Wij voelden ons heel dicht bij onze gezinnen en onze geestelijke broeders en zusters, die toen overal in het land gelijktijdig de Gedachtenisviering hielden.
Er komt een eind aan de beproeving
De volgende vier dagen hing er een sfeer van spanning, angst en onzekerheid. Toch werden wij vertroost door talrijke brieven van verwanten en vrienden, die wij van de gevangenen mochten ontvangen. Bij één gelegenheid mochten wij zelfs telefonisch contact hebben met onze gezinnen. Hoe verkwikkend was het hun stemmen te horen en hun uitingen van liefde en bezorgdheid te lezen!
Op zaterdag, onze achtste dag in gevangenschap, kwamen de oproerlingen met de autoriteiten tot overeenstemming. Wij kregen te horen dat wij de volgende dag vrijgelaten zouden worden. Op zondag 7 april, om half drie ’s middags, kregen wij het nieuws: „Maak je klaar om te vertrekken!” De gevangenen organiseerden een ’erewacht’ om ons uitgeleide te doen naar de vrijheid! Toen wij uit het ziekenhuis vertrokken, sprak de woordvoerder van de leiders van het oproer Edgardo aan en zei: „Broeder, wat ben ik onder de indruk van je gedrag. Ik beloof dat ik van nu af aan je zaterdagse vergaderingen in de gevangenis zal bijwonen. Je gaat toch door met die vergaderingen hè, zelfs na wat hier gebeurd is?” Edgardo glimlachte en antwoordde: „Natuurlijk!”
Buiten wachtte ons een verrassing. Zodra wij het gebouw verlieten, barstte de hele bevolking van de gevangenis uit in een applaus ter ere van ons. Dat was hun manier om te tonen dat zij spijt hadden over het gebeurde. Het was een emotioneel moment. Ongetwijfeld waren zij allen onder de indruk geraakt van ons christelijke gedrag tijdens de afgelopen negen dagen, tot eer van Jehovah.
Buiten de omheining van de gevangenis werden wij opgewacht door onze gezinnen en ongeveer 200 van onze geestelijke broeders en zusters. Wij omhelsden elkaar met een enorm gevoel van opluchting. Wij hadden het overleefd! Een van de gijzelaars sprak mijn vrouw aan en zei tegen haar: „Ik geloof dat Jehovah mijn hart bereikt heeft en wil dat ik hem ga dienen.”
Edgardo, Rubén en ik hebben op een heel bijzondere manier geleerd dat Jehovah zijn dienstknechten kan schragen, zelfs onder de verschrikkelijkste tegenspoed. Wij ondervonden hoe geweldig het is tot Jehovah te bidden en door hem verhoord te worden. Wij kunnen net als de psalmist zeggen: „Ik zal u verhogen, o Jehovah, want gij hebt mij omhooggetrokken en gij hebt niet toegelaten dat mijn vijanden zich over mij verheugen. O Jehovah, mijn God, ik schreeuwde tot u om hulp, en gij hebt mij toen genezen. O Jehovah, gij hebt mijn ziel uit Sjeool zelf doen opkomen; gij hebt mij in het leven gehouden, opdat ik niet in de kuil zou afdalen” (Psalm 30:1-3). — Zoals verteld door Darío Martín.
[Inzet op blz. 19]
Verscheidene gevangenen met mutsen over hun gezicht en gewapend met geïmproviseerde messen stormden onze vergaderzaal binnen
[Inzet op blz. 20]
De oproerlingen gebruikten Edgardo en verscheidene gevangenbewaarders als schilden
[Inzet op blz. 21]
De gevangenen organiseerden een ’erewacht’ om ons uitgeleide te doen naar de vrijheid!
[Illustratie op blz. 18]
De drie bezoekende bedienaren (v.l.n.r.): Edgardo Torres, Rubén Ceibel en Darío Martín