Hoe hun wereld verloren is gegaan
JARENLANG werd de geschiedenis van de Verenigde Staten samengevat met de uitdrukking „Hoe het Westen werd veroverd”. De films van Hollywood lieten zien hoe blanke kolonisten over de Amerikaanse vlakten en bergen trokken en soldaten van het type John Wayne, cowboys en kolonisten strijd leverden tegen de woeste, barbaarse, met hun tomahawk zwaaiende Indianen. Terwijl de blanke op zoek was naar land en goud, redden sommige priesters en predikanten van de christenheid zogenaamd zieltjes.
Hoe ziet die geschiedenis er uit vanuit het standpunt van de oorspronkelijke bewoners, de inheemse bevolking van Amerika? Met de komst van de Europeanen waren de Indianen „gedwongen de intrede in hun omgeving op te vangen van het inhaligste roofdier waarmee zij ooit te maken hadden gehad: blanke Europese indringers”, verklaart het boek The Native Americans — An Illustrated History.
Harmonie die tot tweedracht leidde
Aanvankelijk werden veel van de Europeanen die pas in het noordoosten van Amerika aangekomen waren, vriendelijk en behulpzaam door de Indianen ontvangen. Eén verslag luidt: „Zonder de hulp van de Powhatan zou de Britse kolonie in Jamestown (Virginia), de eerste permanente Engelse kolonie in de Nieuwe Wereld, haar eerste verschrikkelijke winter van 1607/08 niet doorgekomen zijn. Evenzo zou de Pilgrim-kolonie in Plymouth (Massachusetts) misschien omgekomen zijn ware het niet dat de Wampanoag hun te hulp kwamen.” Sommige Indianen toonden de immigranten hoe de grond te bemesten en gewassen te kweken. En wat had de expeditie van Lewis en Clark in 1804–1806 — om een praktische doorgang te vinden tussen het Louisiana-territorium en wat men Oregon Country noemde — kunnen opleveren zonder de hulp en tussenkomst van de Shoshone-vrouw Sacagawea? Zij was hun „vredeteken” toen zij tegenover Indianen kwamen te staan.
Maar door de manier waarop de Europeanen het land en de beperkte voedselbronnen gebruikten, veroorzaakte de massale immigratie naar Noord-Amerika spanningen tussen de migranten en de inheemse bevolking. De Canadese historicus Ian K. Steele schrijft dat er in de zeventiende eeuw 30.000 Narragansett in Massachusetts waren. Hun opperhoofd Miantonomo, „die gevaar rook, . . . probeerde zijn verbond met de Mohawk te versterken om tot een algemene Indiaanse verzetsbeweging te komen”. Naar verluidt heeft hij in 1642 tegen de Montauk gezegd: „Wij [moeten] één zijn zoals zij [de Engelsen] dat zijn, anders zal het binnenkort met ons allemaal gedaan zijn, want jullie weten dat onze vaderen volop herten en huiden hadden, onze vlakten vol herten waren, net als onze bossen, en vol [kalkoenen], en onze baaien vol vis en gevogelte. Maar deze Engelsen hebben ons land genomen, met zeisen maaien zij het gras en met bijlen vellen zij de bomen; hun koeien en paarden eten het gras en hun varkens bederven onze oesterbanken, en wij zullen allemaal van honger omkomen.” — Warpaths — Invasions of North America.
De pogingen van Miantonomo om een verenigd Indianenfront te vormen mislukten. In 1643 werd hij bij een stammenoorlog gevangengenomen door Chief Uncas van de Mohegan-stam, die hem aan de Engelsen uitleverde als opstandeling. De wet stond de Engelsen niet toe Miantonomo schuldig te verklaren en terecht te stellen. Zij bedachten een handige oplossing. Steele vervolgt: „Niet bij machte [Miantonomo], die buiten de jurisdictie van alle koloniën viel, terecht te stellen, lieten de gevolmachtigden hem terechtstellen door Uncas, met Engelse getuigen als bewijs dat het was gebeurd.”
Dit illustreert niet alleen de voortdurende conflicten tussen de binnenvallende kolonisten en de oorspronkelijke bevolking maar ook de interne wedijver en trouweloosheid onder de stammen, die al had bestaan nog voordat de blanke in Noord-Amerika belandde. De Engelsen hadden bij hun oorlogen tegen de Fransen om de koloniale overheersing van Noord-Amerika enkele stammen aan hun kant, terwijl andere de Fransen steunden. Ongeacht welke kant er verloor, alle betrokken stammen betaalden een zware prijs.
„Eén groot misverstand”
Hier volgt één mening over de Europese invasie: „Wat leiders van Indiaanse volken niet begrepen, vaak totdat het te laat was, was de manier waarop de Europeanen de Indianen bezagen. Zij waren niet blank of christelijk. Volgens velen waren het wilden — woest en dierlijk — een gevaarlijk en gevoelloos artikel voor de slavenmarkten.” Dit gevoel van superioriteit had rampzalige gevolgen voor de stammen.
De Europese zienswijze was voor de Indianen niet te begrijpen. Er heerste, zoals Navaho-adviseur Philmer Bluehouse het in een recent interview met Ontwaakt! noemde, „één groot misverstand”. De Indianen beschouwden hun beschaving niet als inferieur maar veeleer als anders, met geheel verschillende waarden. Om een voorbeeld te noemen: de verkoop van land was de Indianen totaal vreemd. Kon je de lucht, de wind, het water bezitten en verkopen? Waarom het land dan wel? Iedereen mocht er gebruik van maken. Indianen waren dan ook niet gewend land af te rasteren.
De komst van de Engelsen, de Spanjaarden en de Fransen leidde tot wat wel is omschreven als een „catastrofale ontmoeting van twee verschillende culturen”. De inheemse bevolking bestond uit mensen die honderden jaren in harmonie met het land en de natuur hadden geleefd en die wisten hoe in leven te blijven zonder het ecologisch evenwicht te verstoren. Toch ging de blanke de oorspronkelijke bewoners al gauw als lagere, barbaarse creaturen bezien — waarbij hij gemakshalve zijn eigen barbaarsheid bij hun onderwerping vergat! In 1831 vatte de Franse historicus Alexis de Tocqueville de heersende blanke mening over Indianen als volgt samen: „De hemel heeft hen niet gemaakt om beschaafd te worden; zij zullen moeten sterven.”
De dodelijkste moordenaar
Terwijl de nieuwe kolonisten in westelijke richting door Noord-Amerika stroomden, lokte geweld geweld uit. Of nu de Indianen of de Europese indringers het eerst aanvielen, aan beide zijden werden gruwelen bedreven. De Indianen werden gevreesd wegens hun reputatie te scalperen, een gewoonte die zij naar sommigen geloven hadden geleerd van Europeanen die premies voor scalpen uitloofden. De Indianen vochten echter een verloren strijd tegen een sterke overmacht — in aantallen en in wapens. In de meeste gevallen moesten de stammen ten slotte hun voorouderlijk land verlaten of sterven. Vaak was het beide — zij verlieten hun land en werden daarna gedood of stierven door ziekte of honger.
Toch was het niet de dood in de strijd die de oorspronkelijke stammen het sterkst decimeerde. Ian K. Steele schrijft in dat verband: „Het krachtigste wapen bij de inval in Noord-Amerika was niet het geweer, het paard, de bijbel of de Europese ’beschaving’. Het waren besmettelijke ziekten.” Over de gevolgen voor Amerika van ziekten uit de Oude Wereld schreef Patrica Nelson Limerick, hoogleraar geschiedenis: „Toen deze zelfde ziekten [waartegen de Europeanen eeuwenlang een zekere resistentie hadden kunnen opbouwen] — waterpokken, mazelen, influenza, malaria, gele koorts, vlektyfus, tuberculose en, bovenal, pokken — naar de Nieuwe Wereld werden overgebracht, bestond daar weinig weerstand tegen. Het sterftecijfer steeg in dorp na dorp tot wel tachtig of negentig procent.”
Russell Freedman beschrijft een pokkenepidemie die in 1837 toesloeg. „De Mandan waren de eersten die erdoor getroffen werden, snel daarna gevolgd door de Hidatsa, de Assiniboin, de Arikara, de Sioux en de Blackfeet.” De Mandan stierven bijna totaal uit. Van een bevolking van ongeveer 1600 in 1834 waren zij in 1837 geslonken tot 130 zielen.
Wat gebeurde er met de verdragen?
Tot op deze dag kunnen stamoudsten zonder haperen de datums noemen van de verdragen die de Amerikaanse regering in de negentiende eeuw met hun voorvaderen heeft gesloten. Maar wat werd in feite bij die verdragen geregeld? Meestal een ongunstige ruil van goed land tegen een dor reservaat en een minimale uitkering van de overheid.
Een voorbeeld van de minachting waarmee de oorspronkelijke stammen werden behandeld, is het geval van de Irokese volken (van oost naar west de Mohawk, Oneida, Onondaga, Cayuga en Seneca) nadat de Engelsen door de Amerikaanse kolonisten waren verslagen in de onafhankelijkheidsoorlog, die in 1783 eindigde. De Irokezen hadden de kant van de Engelsen gekozen en als schadeloosstelling werden zij volgens Alvin Josephy jr. slechts in de steek gelaten en beledigd. De Engelsen „hadden [de Irokezen] totaal genegeerd en de soevereiniteit over hun land aan de Verenigde Staten afgestaan”. Hij voegt eraan toe dat zelfs de Irokezen die voor de kolonisten en tegen de Engelsen hadden gekozen, „werden belaagd door hebzuchtige onroerend-goedfirma’s en speculanten en door de Amerikaanse regering zelf”.
Toen er in 1784 een verdragsbijeenkomst werd belegd, drong James Duane, een voormalig vertegenwoordiger van de Commissie voor Indianenzaken van het Continentale Congres, er bij de regeringsbemiddelaars op aan „al wat er aan zelfvertrouwen bij de Irokezen over was te ondermijnen door hen weloverwogen als inferieur te behandelen”.
Zijn arrogante adviezen werden opgevolgd. Enkele Irokezen werden gegijzeld en de „onderhandelingen” werden onder bedreiging met de dood gevoerd. Hoewel de Irokezen vonden dat zij niet verslagen waren in de oorlog, moesten zij al hun land ten westen van New York en Pennsylvania opgeven en een reservaat van beperkte afmetingen in de staat New York accepteren.
Een soortgelijke tactiek werd tegen de meeste van de oorspronkelijke stammen gevolgd. Josephy vermeldt ook dat Amerikaanse agenten gebruik maakten van „omkoperij, dreigementen, alcohol en manipulaties van onbevoegde vertegenwoordigers bij hun pogingen land te ontfutselen aan de Delaware, Wyandot, Ottawa, Chippewa [of Ojibwa], Shawnee en andere Ohio-volken”. Geen wonder dat de Indianen de blanke en zijn ijdele beloften snel gingen wantrouwen!
De „Long walk” en de „Trail of tears”
Toen de Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) uitbrak, werden er soldaten weggeroepen uit Navaho-land in het zuidwesten. De Navaho maakten van deze verademing gebruik door Amerikaanse en Mexicaanse nederzettingen aan te vallen in het dal van de Rio Grande in het New Mexico-territorium. De regering stuurde er kolonel Kit Carson en zijn New Mexico Volunteers heen om de Navaho te bedwingen en hen over te brengen naar een reservaat op een dor stuk land dat Bosque Redondo heette. Carson volgde de tactiek van de verschroeide aarde om de Navaho uit te hongeren en hen uit de indrukwekkende Canyon de Chelly in het noordoosten van Arizona te verdrijven. Hij vernietigde zelfs meer dan 5000 perzikbomen.
Carson bracht zo’n 8000 mensen bijeen en dwong hen tot een tocht van ruim 480 kilometer, door de Navaho de „Long walk” genoemd, naar het interneringskamp Bosque Redondo in Fort Sumner (New Mexico). Een rapport vertelt: „Het was bitter koud en veel van de slechtgeklede, ondervoede ballingen stierven onderweg.” De toestanden in het reservaat waren verschrikkelijk. De Navaho moesten holen in de grond graven om wat beschutting te vinden. In 1868 schonk de regering, na haar kolossale blunder ingezien te hebben, de Navaho ruim 1,4 miljoen hectare van hun voorouderlijk land in Arizona en New Mexico. Zij gingen terug, maar wat een prijs hadden zij moeten betalen!
Tussen 1820 en 1845 werden tienduizenden Choctaw, Cherokee, Chickasaw, Creek en Seminole van hun land in het zuidoosten verdreven en gedwongen naar het westen te lopen, voorbij de Mississippi, naar wat nu Oklahoma is, honderden kilometers ver. In de barre winterse omstandigheden stierven er velen. De gedwongen mars naar het westen werd berucht als de „Trail of tears”, het „Pad der tranen”.
Het onrecht dat de Indianen is aangedaan, wordt verder bevestigd door de woorden van de Amerikaanse generaal George Crook, die jacht had gemaakt op de Sioux en Cheyenne in het noorden. Hij zei: „Naar de Indiaanse kant van de zaak wordt zelden geluisterd. . . . Pas wanneer zij [de Indianen] in opstand komen, wordt de openbare aandacht op de Indianen gericht, worden alleen hun misdaden en gruwelen veroordeeld, terwijl de personen die hen met hun onrecht daartoe gedreven hebben, er zonder kleerscheuren afkomen . . . Niemand weet dat beter dan de Indiaan, en daarom is hij te verontschuldigen als hij geen recht verwacht van een regering die alleen hem straft, terwijl ze toelaat dat de blanke hem plundert zoveel het hem behaagt.” — Bury My Heart at Wounded Knee.
Hoe is het thans met de Indianen gesteld na ruim honderd jaar Europese overheersing? Lopen zij gevaar te verdwijnen als gevolg van assimilatie? Welke hoop hebben zij in verband met de toekomst? Deze en andere vragen zullen in het volgende artikel worden beschouwd.
[Kader op blz. 9]
Een zwaar leven voor de vrouwen
Terwijl de mannen in de meeste stammen de jagers en krijgers waren, hadden de vrouwen talloze taken, waaronder het grootbrengen van de kinderen, het planten en oogsten van het graan en het stampen ervan tot meel. Colin Taylor verklaart: „De voornaamste taak van Prairie-vrouwen . . . was het huishouden draaiend houden, kinderen baren en het eten klaarmaken. In de landbouwgemeenschappen verzorgden zij ook de velden, . . . terwijl in het geval van de westelijke nomadenstammen die op bizons jaagden, zij hielpen bij het slachten van het dier, het vlees naar het kamp droegen en vervolgens het vlees en de huiden bereidden voor toekomstig gebruik.” — The Plains Indians.
Een andere bron vermeldt over het Apache-volk: „De landbouw was vrouwenwerk en daar was niets minderwaardigs of mins aan. Mannen hielpen een handje, maar vrouwen vatten de landbouw serieuzer op dan mannen. . . . Vrouwen wisten altijd hoe zich aan het landbouwritueel te houden. . . . De meeste vrouwen baden onder het begieten van het land.” — The Native Americans — An Illustrated History.
Vrouwen maakten ook de tijdelijke behuizingen die tipi’s heetten, die gewoonlijk een jaar of twee meegingen. Zij zetten ze op en haalden ze neer wanneer de stam verder moest. De vrouwen hadden zonder twijfel een zwaar leven. Maar hetzelfde gold voor de mannen als hoeders van de stam. De vrouwen werden gerespecteerd en hadden veel rechten. In sommige stammen, zoals de Hopi, bezitten ook nu de vrouwen nog onroerend goed.
[Kader/Illustratie op blz. 10]
Een dier dat hun wereld veranderde
De Europeanen hebben één dier in Noord-Amerika ingevoerd dat de manier van leven van veel stammen heeft veranderd — het paard. In de zeventiende eeuw waren de Spanjaarden de eersten die paarden meenamen naar het werelddeel. De Indianen gingen uitmunten in het rijden zonder zadel, zoals de binnentrekkende Europeanen snel ontdekten. Met paarden konden de Indianen veel makkelijker jacht maken op de bizons. En de nomadenstammen konden de naburige stammen die in vaste dorpen woonden beter overvallen en zo goederen, vrouwen en slaven buitmaken.
[Kaart/Illustratie op blz. 7]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Het woongebied van enkele van de stammen in Noord-Amerika in de 17de eeuw
Kutenai
Spokane
Nez Percé
Shoshone
Klamath
Noordelijke Paiute
Miwok
Yokuts
Serrano
Mohave
Papago
Blackfoot
Flathead
Crow
Ute
Hopi
Navaho
Jicarilla
Apache
Mescalero
Lipan
Prairie-Cree
Assiniboin
Hidatsa
Mandan
Arikara
Teton
Cheyenne
Sioux
Yankton
Pawnee
Arapaho
Oto
Kansa
Kiowa
Comanche
Wichita
Tonkawa
Atakapa
Yanktonai
Santee
Iowa
Missouri
Osage
Quapaw
Caddo
Choctaw
Ojibwa
Sauk
Fox
Kickapoo
Miami
Illinois
Chickasaw
Alabama
Ottawa
Potawatomi
Erie
Shawnee
Cherokee
Catawba
Creek
Timucua
Algonkin
Huron
Irokezen
Susquehanna
Delaware
Powhatan
Tuscarora
Micmac
Malecite
Abnaki
Sokoki
Massachuset
Wampanoag
Narragansett
Mohegan
Montauk
[Verantwoording]
Indiaan: Tekening gebaseerd op foto gemaakt door Edward S. Curtis; Noord-Amerika: Mountain High Maps® Copyright © 1995 Digital Wisdom, Inc.
[Illustraties op blz. 8]
Kunstzinnige weefprodukten en sieraden van de Navaho
[Illustratie op blz. 11]
Canyon de Chelly, waar de „Long walk” begon