Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Dit is niet de wijsheid van boven: . . ., dierlijk, demonisch (Jakobus 3:15)
6. Aan hem zou Jehovah Sisera, Jabins legeroverste, overleveren (Rechters 4:6, 7)
9. Als een . . . maagd moest de gemeente aan de Christus aangeboden kunnen worden (2 Korinthiërs 11:2)
10. Aangesteld tot eerste minister in het Perzische Rijk zocht hij alle joden in het rijk te verdelgen (Esther 3:6)
11. Grote fraaie watervogel, genoemd in de lijst van onreine vliegende schepselen (Leviticus 11:18)
12. Drank (Numeri 6:3)
13. Stad op de grens van het gebied van Efraïm (Jozua 16:7)
16. De tabernakel moest een voorafbeelding zijn: „Zie toe dat gij alle dingen . . . naar hun model, dat u op de berg werd getoond” (Hebreeën 8:5)
19. Hij moet dit niet met tegenzin, of onder dwang, zijn (2 Korinthiërs 9:7)
20. Met zo’n hand werkend komt er weinig binnen (Spreuken 10:4)
21. Meubelstuk (Amos 3:12)
22. Veel bijen bijeen (Rechters 14:8)
24. Een overste van de stam Simeon (1 Kronieken 4:36)
25. Deze aansporing tot geestelijke waakzaamheid moet voortdurend nageleefd worden (Mattheüs 24:42)
26. Eiland waarvan de bewoners zelfkritiek oefenden (Titus 1:5, 12)
28. Dit wapen haalt weinig uit tegen de leviathan (Job 41:29)
31. Geeft uiting aan vreugde: . . . in de handen (Psalm 47:1)
34. In de woestijnvlakte hiertegenover sprak Mozes aan het eind van de 40-jarige omzwerving tot het volk (Deuteronomium 1:1)
35. De zonde wordt aangeduid als de . . . die de dood veroorzaakt (1 Korinthiërs 15:56)
36. Op deze documenten werd de koop van een veld vastgelegd (Jeremia 32:14)
37. Een bij deze plaats gelegen grot werd door David als wijkplaats gebruikt toen hij voor Saul vluchtte (2 Samuël 23:13)
38. Metgezel van Paulus — hij was een Griek (Galaten 2:3)
39. Open ruimte achter de stadspoort (2 Kronieken 32:6)
Verticaal
1. Hij was uit de stam Juda, uit de Zarhieten, uit Zabdi (Jozua 7:18)
2. Een Israëliet, een van „de zonen van Paros” die hun buitenlandse vrouwen wegzonden (Ezra 10:25)
3. Het zou de naam van een plaats kunnen zijn, en niet die van een persoon (Ezra 2:35)
4. Mét het blauwe snoer vormde dit het karakteristieke kenmerk van Israëlitische kleding (Numeri 15:38)
5. Gajus, in wiens huis blijkbaar de vergaderingen van de gemeente in Korinthe gehouden werden, was ook Paulus’ . . . (Romeinen 16:23)
6. Op zoek naar die drachme heeft ze een lamp aangestoken, een . . . gepakt en haar huis geveegd (Jesaja 14:23; Lukas 15:8)
7. Zoon van Sobal, nakomeling van Juda (1 Kronieken 4:2)
8. Hij moest de gemeente vermanen met alle . . . van onderwijzen (2 Timotheüs 4:2)
14. De Hebreeuwse naam van de engel van de afgrond (Openbaring 9:11)
15. Wat de gemeente heeft voor hen die de leiding hebben (1 Thessalonicenzen 5:12)
17. Een vrouw die het getuigenis had ’een goed doorzicht te hebben en schoon van gestalte te zijn’ (1 Samuël 25:3)
18. Scheldwoord dat tegen een profeet werd gebruikt (2 Koningen 2:23)
23. Het produkt dat hij aan het maken was (Jeremia 18:3)
27. Geldwisselaars installeerden zich hiermee op het tempelterrein (Mattheüs 21:12)
28. Jozua liet het land doorkruisen om het in . . . te brengen (Jozua 18:8)
29. Zo noemde Jezus het besluit van een samenstel van dingen (Mattheüs 13:39)
30. Metgezel van Paulus op diens tweede zendingsreis (Handelingen 15:40)
31. Aan dit lijden van Saul beweerde een Amalekiet een eind gemaakt te hebben (2 Samuël 1:9)
32. In Silo besloten zij hiertoe (Jozua 22:12)
33. Muziekklanken (1 Korinthiërs 14:7)
Oplossing op blz. 21
Oplossing horizontaal
1. AARDS
6. BARAK
9. EERBARE
10. HAMAN
11. ZWAAN
12. NAT
13. NAÄRA
16. MAAKT
19. GEVER
20. LAKSE
21. DIVAN
22. ZWERM
24. ADIËL
25. WAAKT
26. KRETA
28. KNOTS
31. KLAPT
34. SUF
35. ANGEL
36. AKTEN
37. ADULLAM
38. TITUS
39. PLEIN
Oplossing verticaal
1. ACHAN
2. RAMJA
3. SENAÄ
4. FRANJE
5. GASTHEER
6. BEZEM
7. REAJA
8. KUNST
14. ABADDON
15. RESPECT
17. ABIGAÏL
18. KAALKOP
23. WERKSTUK
27. TAFELS
28. KAART
29. OOGST
30. SILAS
31. KRAMP
32. ACTIE
33. TONEN