Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Zoon van een stamhoofd (Genesis 36:27)
6. Plaats die genoemd wordt in de vroegste beschrijving van de grens van Kanaän (Genesis 10:19)
10. Hieraan ziet men dat dat ’u’ meervoud is (Exodus 4:15)
11. Zoon van Peleg; schakel in de afstammingslijn tussen Sem en Abraham (1 Kronieken 1:24-27)
13. Wat dieven doen om te stelen (Mattheüs 6:19)
16. Kant van de wildernis waar de Horeb was, de „berg van de ware God” (Exodus 3:1)
18. Delen van een trap waaraan een opmerkelijke verplaatsing van de schaduw werd afgemeten (Jesaja 38:7, 8)
21. Rivier, beek; Sisera’s gesneuvelden spoelde deze Kison weg (Rechters 5:21)
24. Het derde woord dat er van de eerste mens opgetekend staat (Genesis 2:23)
26. Jozef . . . zijn broers dadelijk, maar maakte zich onherkenbaar voor hen (Genesis 42:7)
30. Hierdoor wordt de plantengroei bevochtigd; in de bijbel vaak geassocieerd met zegen en vruchtbaarheid en overvloed (Genesis 27:28)
35. Wat zij nog niet hadden mogen aanraken, hadden zij beiden . . . (Genesis 3:11-13)
36. Onbeweeglijk, vaak vanwege ontzetting; hier gezegd van ogen die door ouderdom blind zijn geworden (1 Koningen 14:4)
37. Een . . ., gestreept hemdachtig kleed was een van de blijken van de liefde van zijn vader voor hem (Genesis 37:3)
Verticaal
2. ’Voorstad’ van Nineve, deel van wat in zijn totaal „de grote stad” genoemd werd (Genesis 10:9-12)
3. Kenschets van een zeer belangrijke doorgang (Mattheüs 7:14)
4. Voor sommigen: hun god! (Filippenzen 3:19)
5. Farao’s dochter ging ervoor naar de Nijl (Exodus 2:5)
6. Degene aan wie het geld beschikbaar werd gesteld (Jesaja 24:2)
7. Weerzinwekkende reuk (Genesis 34:30)
8. Muggen, hagel, ook de dood van de eerstgeborenen — Jehovah’s plagen troffen mens en . . . (Exodus 12:12)
9. Zo zag Farao dat in zijn droom: koeien . . . koeien (Genesis 41:4)
12. Schoonvader van Esau (Genesis 36:2)
13. Vertrouwelijke (Genesis 49:6)
14. Gezegd van een slang (Genesis 49:17), maar ook van drank (Spreuken 23:32)
15. Laat mij nog deze . . . keer spreken (Genesis 18:32)
16. Dit moest de aan te stellen beheerder zijn (Genesis 41:33)
17. Geografische aanduiding (plaats?, gebied?), „tegenover Egypte” (Genesis 25:18)
19. Het . . . tegenover Beth-Peor: in het laatste jaar van hun tocht door de wildernis hadden de Israëlieten er hun kamp gehad, en Mozes is er begraven (Deuteronomium 3:29; 34:6)
20. Lichaamsdeel waarmee een toestand van overwonnen zijn geïllustreerd wordt (Genesis 49:8; Jozua 10:24)
22. Eveneens (Mattheüs 2:8)
23. Bezittelijk voornaamwoord (Mattheüs 2:6)
25. Vangtuig waarmee vissen gevangen worden (Prediker 9:12)
26. Hieruit sproten zeven korenaren voort (Genesis 41:5)
27. Wie een mens het leven ontneemt, is rekenschap verschuldigd aan de Levengever: Jehovah zegt Kaïn dat Abels bloed om wraak . . . (Genesis 4:10)
28. Kwalijker (Jeremia 7:26)
29. ’Toon ons hoe onze . . . zo te tellen’ dat wij ze verstandig gebruiken (Psalm 90:12)
31. Niemand uitgezonderd (Lukas 13:5)
32. Dier waarmee Jakob Benjamin vergeleek, zinspelend op het krijgstalent van die stam (Genesis 49:27)
33. Een deel zaaigoed voor een volgende oogst („zaad voor de zaaier”), de rest voedsel („brood voor de . . .”) (Jesaja 55:10)
34. Het tempo waarmee de bejaarde Abraham liep — op het heetst van de dag — geeft ons waardering voor zijn gastvrijheid (Genesis 18:7)
Oplossing op blz. 26
Oplossing horizontaal
1. AKAN
6. LASA
10. ULIEDEN
11. REHU
13. INBREKEN
16. WESTKANT
18. TREDEN
21. STROOM
24. EINDELIJK
26. HERKENDE
30. DAUW
35. GEGETEN
36. STAR
37. LANG
Oplossing verticaal
2. KALAH
3. NAUW
4. BUIK
5. BADEN
6. LENER
7. STANK
8. DIER
9. ATEN
12. ANA
13. INTIEME
14. BIJT
15. ENE
16. WIJS
17. SUR
19. DAL
20. NEK
22. OOK
23. MIJN
25. NET
26. HALM
27. ROEPT
28. ERGER
29. DAGEN
31. ALLEN
32. WOLF
33. ETER
34. SNEL