Voor een medische noodsituatie gesteld
„IK ZAL er geen doekjes om winden; wat u hebt, is een kwaadaardige tumor. Als wij die niet tijdig weghalen, zal hij andere vitale organen aantasten. Daarom raad ik u aan uw been te laten amputeren.”
Bij die woorden van de dokter was het, zoals wij hier in Peru zeggen, of ik een emmer koud water over mij heen kreeg. Ik was nog maar 21. Een maand daarvoor had ik pijn in mijn linkerknie gekregen en was ik behandeld voor reuma. Maar een paar dagen later kon ik niet eens meer staan.
Als getuige van Jehovah diende ik toen als volle-tijdprediker in de Andes in Midden-Peru. Nadat ik naar mijn oorspronkelijke woonplaats Huancayo was teruggekeerd, werd ik door mijn moeder vergezeld naar de stad Lima aan de kust. Daar werd ik op 22 juli 1994 opgenomen in het beste kankerinstituut van het land, waar ik hoorde dat mijn ziekte osteosarcoom heette.
Een gewetenszaak
Al snel kreeg ik te horen dat het ziekenhuis geen operaties verrichtte zonder bloed te gebruiken. Een arts zei zelfs: „Ik heb liever dat u thuis sterft dan dat ik aansprakelijk ben voor uw dood.” Maar het plaatselijke Ziekenhuiscontactcomité (ZCC), een groep Jehovah’s Getuigen die zich inzetten om de samenwerking tussen ziekenhuis en patiënt te bevorderen, bemiddelde ten behoeve van mij. Het gevolg was dat de hoofdchirurg van het ziekenhuis elke willekeurige arts van zijn staf toestemming gaf tot opereren als hij de uitdaging wilde aanvaarden. Eén arts was daartoe bereid en ik werd onmiddellijk klaargemaakt voor de operatie.
Ik kreeg veel bezoek voor de operatie. Er kwam een priester met de bijbel in zijn hand bij mij langs die zei dat mijn ziekte een straf van God was. Hij drong er bij me op aan van elke behandeling gebruik te maken die mij het leven kon redden. Ik vertelde hem dat ik vastbesloten was mij aan het bijbelse gebod te houden ’zich van bloed te onthouden’. — Handelingen 15:19, 20, 28, 29.
Er kwamen ook verpleegkundigen binnen, die dan mompelden: „Wat dom, wat dom!” En er kwamen eveneens groepjes artsen langs. Zij wilden de jonge man zien die geweigerd had een bloedtransfusie te aanvaarden bij een operatie van het type waarvoor zij bloed noodzakelijk achtten. De belangrijkste bezoeken voor mij waren echter die van mijn medechristenen en familie. De verpleegkundigen waren erg onder de indruk van die talrijke aanmoedigende bezoeken.
Succesvolle behandeling zonder bloed
Slechts enkele minuten voordat ik werd weggemaakt, hoorde ik een van de anesthesisten zeggen: „Ik neem de verantwoordelijkheid niet voor wat er gebeurt!” Maar de andere, vrouwelijke, anesthesist, mijn chirurg en de directeuren van het ziekenhuis respecteerden mijn verzoek geen bloed toegediend te krijgen. Het volgende wat ik hoorde, was een anesthesiste die zei: „Samuel, wakker worden. Je operatie is voorbij.”
Hoewel mijn hele been weggenomen was, kreeg ik hevige pijn waar het had gezeten. Ik wilde de pijn verlichten door over mijn dij te wrijven, die er natuurlijk niet meer was. Ik had last van het vreemde verschijnsel dat men fantoompijn noemt. Ik voelde echt pijn, een ondraaglijke pijn, ook al was het been waarvan de pijn afkomstig scheen te zijn, weggenomen.
Vervolgens zou ik chemotherapie krijgen. Een bijwerking van die therapie is een verlies van rode en witte bloedcellen en van bloedplaatjes, die onontbeerlijk zijn voor de bloedstolling. Dit betekende dat een nieuwe groep artsen in kennis gesteld moest worden van mijn weigering bloedtransfusies te aanvaarden. Opnieuw stelde het ZCC zich in verbinding met de verantwoordelijke personen, en de artsen stemden erin toe de behandeling te geven zonder bloed.
Op de chemotherapie volgden de gebruikelijke bijwerkingen — mijn haar viel uit en ik had last van misselijkheid, braken en depressiviteit. Mij was ook gezegd dat er een kans van 35 procent op een hersenbloeding zou bestaan. Ik kon het niet laten aan een van de artsen te vragen waaraan ik zou sterven — de kanker of de chemotherapie.
Daarna zeiden de artsen dat zij de tweede dosis chemotherapie niet konden geven zonder eerst mijn bloedwaarden op te bouwen met een bloedtransfusie. Eén arts zei boos tegen me dat als het aan hem lag, hij me onder narcose zou brengen en mij het bloed zou geven, waarop ik tegen hem zei dat ik dan nog liever helemaal met de chemotherapie zou ophouden. De arts uitte bewondering voor mijn vastberaden standpunt.
Ik stemde toe in het gebruik van erytropoëtine om mijn bloedwaarden op te bouwen. Toen die werd toegediend, stegen mijn bloedwaarden. Daarna kreeg ik in een tijdsbestek van enkele dagen intraveneus chemotherapie. Dan lag ik me af te vragen: ’Zal dit de dosis zijn die me een hersenbloeding bezorgt?’ Gelukkig ben ik alle medicatie doorgekomen zonder rampzalige gevolgen.
Vóór mijn operatie was het gevolgde beleid in het ziekenhuis, mensen die geen bloedtransfusies wilden aanvaarden weg te sturen. Maar dit beleid veranderde. De dag na mijn operatie verrichtte mijn chirurg zelfs weer een operatie zonder bloed te gebruiken, en deze keer was de patiënt niet een van Jehovah’s Getuigen! Nu werken een aantal artsen in dat ziekenhuis nauw samen met het ZCC en zij hebben erin toegestemd patiënten te accepteren die bloedvrije chirurgie wensen.
Aanpassing aan beperkingen
Vanaf mijn kinderjaren was ik in Gods wegen onderwezen. Ik ben er zeker van dat dit mij geholpen heeft in deze medische noodsituatie mijn bijbelse overtuiging trouw te blijven. De laatste tijd heb ik echter in de put gezeten omdat ik niet zo veel in Gods dienst heb kunnen doen als ik wel zou willen. Ik heb over die gevoelens gepraat met een oom, die een christelijke ouderling is. Hij herinnerde mij eraan dat zelfs de apostel Paulus last had van wat hij een ’doorn in zijn vlees’ noemde en dat die hem ervan weerhield God zo ten volle te dienen als hij wilde. Maar Paulus deed wat hij kon (2 Korinthiërs 12:7-10). De opmerkingen van mijn oom hebben mij ontzaglijk geholpen.
Onlangs zijn er voorbereidingen getroffen voor een kunstbeen. Hopelijk zal ik daardoor de mogelijkheid hebben mijn dienst voor onze God, Jehovah, uit te breiden. Ik ben dankbaar dat ik in mijn medische noodsituatie een goed geweten heb behouden. Ik heb het volste vertrouwen dat als ik getrouw blijf, Jehovah mij zal belonen met een gezond lichaam en eeuwig leven op een paradijsaarde, waar geen pijn en lijden meer zullen zijn. — Openbaring 21:3, 4. — Verteld door Samuel Vila Ugarte.