De catacomben — Wat waren het?
DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN ITALIË
In sombere gangen, verborgen in de ingewanden van het oude Rome, liggen de catacomben. Wat zijn het precies? Waarom werden ze aangelegd?
IN WEZEN zijn de catacomben tunnels die in de rotsen uitgehakt werden om als begraafplaatsen te dienen. Verondersteld wordt dat het woord „catacombe”, waarvan de betekenis onzeker is (mogelijk „bij de glooiingen”), een benaming was voor een bepaalde begraafplaats aan de Via Appia dicht bij Rome. Na verloop van tijd ging de benaming op alle ondergrondse begraafplaatsen over. Hoewel in veel delen van het Middellandse-Zeebekken catacomben voorkomen, zijn die in Rome het bekendst en ook het grootst — hun totale lengte wordt op honderden kilometers geschat. Er zijn er wel zestig geïdentificeerd, allemaal enkele kilometers buiten het historische stadscentrum langs de consulaire hoofdwegen die Rome met zijn provincies verbonden.
Blijkbaar bezaten de Romeinse christenen in de eerste eeuw geen eigen begraafplaatsen maar begroeven zij hun doden naast heidenen. Halverwege de tweede eeuw, toen zogenaamde christenen reeds beïnvloed begonnen te worden door het heidense denken, stelden rijke bekeerlingen grondbezit beschikbaar voor „christelijke” begraafplaatsen. Om het ruimteprobleem op te lossen zonder te ver van de stad te gaan, werd met graven begonnen.
De geschiedenis van de catacomben
De eerste uitgravingen vonden waarschijnlijk in de flanken van heuvels of in verlaten steengroeven plaats. „Vervolgens”, zo leggen Ludwig Hertling en Engelbert Kirschbaum uit in hun boek over de catacomben, „begon men te werken aan een gang die niet veel hoger was dan een man. Naar rechts en links werden zijtunnels gegraven, die later aan de uiteinden verbonden konden worden door een andere gang die parallel liep aan de eerste. Zo werd een eenvoudig en daarna geleidelijk groter en ingewikkelder netwerk gevormd.”
De grootste ontwikkeling vond plaats in de derde en vierde eeuw; tegen die tijd was dat wat voor het christelijke geloof doorging, grondig bedorven door heidense leerstellingen en gebruiken. Met de zogeheten bekering van Constantijn in 313 G.T. werden de catacomben eigendom van de Kerk van Rome en sommige ervan kregen uiteindelijk formidabele afmetingen. De Romeinse catacomben kunnen met elkaar honderdduizenden, zo niet miljoenen, graven bevat hebben.
In die periode werden de begraafplaatsen versierd en vergroot en werden nieuwe trappen uitgehouwen om de toegang te vergemakkelijken voor een groeiende stroom bezoekers. De faam van de zogenaamde graven van de pausen en martelaren had zich dermate verbreid (vooral in Noord-Europa), dat de catacomben het doel van massale pelgrimstochten werden. Met de val van Rome en de eerste invallen van de barbaren aan het begin van de vijfde eeuw werd het hele gebied uiterst gevaarlijk en de catacomben werden niet langer als begraafplaatsen gebruikt.
In de achtste eeuw werden de graven ernstig beschadigd doordat ze werden leeggehaald en geplunderd, niet alleen door binnenvallende legers maar ook, aldus Hertling en Kirschbaum, door „hulpvaardige Romeinse tussenpersonen”, die grote hoeveelheden heilige overblijfselen gaven aan „Duitse en Frankische abten die steeds begeriger werden naar relikwieën” om het prestige van hun kathedralen en kloosters te vergroten. Niet in staat de catacomben te herstellen of te verdedigen, bracht paus Paulus I het grootste deel van de resterende beenderen in veiligheid binnen de stadspoorten, waar later grote basilieken over de veronderstelde overblijfselen van de „heilige martelaren werden gebouwd”. De catacomben zelf raakten in verval en werden vergeten.
Oude reisgidsen uit de vijfde tot de negende eeuw, geschreven om bezoekers naar de beroemde graven te leiden, verschaften waardevolle aanwijzingen aan geleerden die in de zeventiende en vervolgens in de negentiende eeuw begonnen te zoeken naar de door instorting en plantengroei verscholen begraafplaatsen, om ze te identificeren en te verkennen. Sindsdien is er veel onderzocht en gerestaureerd en het is nu mogelijk verscheidene van deze onopvallende plaatsen te bezoeken.
Een bezoek aan een catacombe
Wij bevinden ons op de Via Appia, de weg die de apostel Paulus volgde toen hij als gevangene naar Rome werd gevoerd (Handelingen 28:13-16). Hoewel de oude stadsmuren slechts drie kilometer achter ons liggen, bevinden wij ons al helemaal buiten, omgeven door indrukwekkende pijnbomen en cipressen die tussen de monumenten en ruïnes van deze eens drukke hoofdweg groeien.
Na ons toegangsbewijs gekocht te hebben, gaan wij een steile trap af naar een diepte van ongeveer twaalf meter. De gids vertelt dat deze catacombe zich over vijf verschillende verdiepingen uitstrekt, tot op een diepte van zo’n dertig meter, waaronder men op water stuitte. Rome is in feite omgeven door uitgestrekte lagen tufsteen, een zacht en poreus vulkanisch gesteente, gemakkelijk uit te graven maar tegelijkertijd sterk en solide.
Wij lopen door een smalle gang, een meter breed en zo’n twee en een halve meter hoog. De donkerbruine wanden zijn ruw en vochtig en dragen nog duidelijk de merktekens van de pikhouwelen van de fossores, de arbeiders die deze nauwe tunnels hebben uitgehakt. De graven aan weerszijden zijn al lang geleden geopend en geplunderd, maar sommige bevatten nog kleine stukjes bot. Als wij in het donker verder gaan, realiseren wij ons dat wij omgeven zijn door duizenden graven.
De meest economische en praktische manier om de doden te begraven, was rechthoekige nissen in de muren uit te hakken, boven elkaar. Deze loculi bevatten gewoonlijk één lichaam maar soms twee of drie. Ze werden afgesloten met bakstenen, marmeren platen of terracottategels, verzegeld met kalk. Veel ervan dragen geen inscriptie. Ze waren te herkennen aan kleine voorwerpen die op de buitenkant werden aangebracht — een munt of een schelp die in de verse kalk werd gedrukt of, zoals in de Catacombe van Priscilla, een van bot gemaakt popje, vermoedelijk achtergelaten door verdrietige ouders, die om het voortijdige verlies van hun dochtertje rouwden. Veel graven zijn heel klein, slechts groot genoeg voor pasgeboren baby’s.
„Hoe weet men hoe oud de catacomben zijn?”, vragen wij. „Daar hoeft niet naar gegist te worden”, antwoordt onze gids. „Ziet u dit merkteken?” Wij bukken ons om een teken te bekijken dat in een grote terracottategel is gestempeld die gebruikt is om een van de loculi af te sluiten. „Dit stempel werd erin gedrukt toen de tegel werd gemaakt. De fabrieken, die veelal keizerlijk bezit waren, stempelden informatie in de bakstenen en tegels die zij vervaardigden om de groeve aan te geven waaruit de klei afkomstig was, de naam van de werkplaats, de voorman, de consuls (hoge magistraten) die dat jaar aan het bewind waren, enzovoort. Dit is een uiterst nuttig element bij het vaststellen van een exacte datum voor de graven. De oudste gaan terug tot het midden van de tweede eeuw G.T. en de meest recente tot omstreeks 400 G.T.”
Een mengeling van denkbeelden
Sommige van de gebruikers van deze plaatsen bezaten blijkbaar een zekere kennis van de Heilige Schrift, daar een aantal graven versierd zijn met bijbelse taferelen. Er is echter geen teken van Mariaverering of van andere thema’s die in latere „sacrale” kunst zo veel voorkomen, zoals de zogenoemde kruisiging.
Wij zien ook afbeeldingen die niets met de bijbel te maken hebben. „Dat is waar”, geeft de gids toe. „Veel taferelen in deze en andere catacomben zijn ontleend aan heidense kunst. U kunt de Grieks-Romeinse halfgod en held Orpheus aantreffen; Cupido en Psyche, die het lot van de ziel in dit leven en het toekomende voorstellen; de wijnrank en de druivenoogst, een bekend dionysisch symbool van vervoering in het hiernamaals. Geheel ontleend aan afgodische kunst, volgens een jezuïtisch geleerde, Antonio Ferrua, zijn de personificaties van abstracte wezens: de vier seizoenen voorgesteld door putti; ingewikkelder taferelen die de vier jaargetijden uitbeelden, de Zomer gekroond met maïskolven en lelies; enzovoort.”
Steeds terugkerende thema’s zijn: de pauw als symbool van de onsterfelijkheid, omdat zijn vlees als onbederfelijk werd beschouwd; de mythologische feniks, ook de onsterfelijkheid symboliserend, omdat daarvan gezegd werd dat hij in de vlammen omkwam en daarna uit zijn as verrees; zielen van de doden, omgeven door vogels, bloemen en vruchten, aan een feestmaal in het hiernamaals. Een ware mengeling van heidense en bijbelse denkbeelden!
Sommige inscripties zijn ontroerende uitingen van geloof, die de overtuiging schijnen weer te geven dat de doden slapen, in afwachting van de opstanding: „Aquilina slaapt in vrede” (Johannes 11:11, 14). In tegenstelling tot schriftuurlijke leerstellingen weerspiegelen andere inscripties het denkbeeld dat de doden de levenden kunnen helpen of in contact met hen kunnen treden: „Gedenk je man en kinderen”; „Bid voor ons”; „Ik bid voor jou”; „Ik geniet vrede”.
Maar waarom deze mengeling van schriftuurlijk en heidens denken? De historicus J. Stevenson zegt: „Het christendom van sommige christenen was doortrokken van denkbeelden die uit hun heidense verleden stamden.” Het is duidelijk dat de „gelovigen” in Rome niet langer in harmonie handelden met de kennis die door Jezus’ ware discipelen was overgedragen. — Romeinen 15:14.
Naarmate wij ons bezoek vervolgen, wordt de invloed van onschriftuurlijke devotie aan de doden steeds duidelijker. Velen wilden dicht bij het graf begraven worden van iemand die als een martelaar werd beschouwd, waaraan de gedachte ten grondslag lag dat de martelaar vanuit zijn positie in hemelse gelukzaligheid kon bemiddelen en de mindere kon helpen dezelfde beloning te ontvangen.
Velen veronderstellen dat de catacomben pal onder de stad liggen, maar dat is niet zo. Ze liggen allemaal enkele kilometers buiten het stadscentrum. De Romeinse wet verbood zelfs dat mensen binnen de stadsmuren begraven werden. De Twaalftafelenwet, ingevoerd in de vijfde eeuw v.G.T., verordende: Hominem mortuum in urbe ne sepelito neve urito (De doden mogen niet in de stad begraven of gecremeerd worden).
De gids merkt op: „Deze begraafplaatsen waren welbekend bij de autoriteiten, zo bekend dat tijdens de vervolging door keizer Valerianus, toen het christenen werd verboden de catacomben binnen te gaan, paus Sixtus II werd terechtgesteld toen hij hier aangetroffen werd (258 G.T.).”
Wanneer wij weer een hoek in de doolhof omslaan, zien wij het bleke daglicht het verre uiteinde van de gang verlichten en wij realiseren ons dat ons bezoek ten einde is. Wij zeggen onze gids gedag, bedanken hem voor de interessante inlichtingen, en als wij nog een steile trap beklimmen om naar de oppervlakte terug te keren, moeten wij gewoon even nadenken over wat wij hebben gezien.
Kunnen dit de overblijfselen zijn van het ware christendom? Beslist niet. De Schrift voorzei dat zich kort na de dood van de apostelen een afval van de door Jezus en zijn discipelen onderwezen zuivere leerstellingen zou aandienen (2 Thessalonicenzen 2:3, 7). Ja, de bewijzen die wij hebben gezien voor de verering van de doden en de martelaren en voor het denkbeeld van een onsterfelijke ziel, getuigen niet van een geloof gebaseerd op Jezus’ leer, maar getuigen veeleer sprekend van de sterke heidense invloed die in de tweede tot de vierde eeuw van onze gewone tijdrekening al aanwezig was onder de afvallige Romeinse christenen.
[Inzet op blz. 18]
De zogenaamde graven van de pausen werden het doel van massale pelgrimstochten
[Inzet op blz. 19]
Eén catacombe telt vijf verdiepingen, tot op een diepte van zo’n dertig meter
[Inzet op blz. 20]
De catacomben getuigen van de invloed van de voorzegde afval van de bijbelse waarheid
[Illustraties op blz. 17]
Rechts: Bepaalde vogels werden als onsterfelijkheidssymbolen gebruikt
[Verantwoording]
Archivio PCAS
Uiterst rechts: Labyrintachtige plattegrond van enkele Romeinse catacomben
Rechts onder: Stempel, nuttig voor het dateren van de graven
[Verantwoording]
Soprintendenza Archeologica di Roma
Onder: Crypte van de pausen