Zendelingen — Welk voorbeeld moet gevolgd worden?
VOORDAT Jezus Christus zijn volgelingen gebood discipelen te maken, hadden andere godsdiensten al een soort zendingsactiviteit ontplooid. Sommige meer dan andere, omdat niet alle godsdiensten een ’universele roeping’ hebben ofte wel een boodschap brengen die geacht wordt in gelijke mate voor alle volken te gelden.
Zo is volgens The Encyclopedia of Religion een dergelijke universele visie minder uitgesproken „in de denkbeelden van de stamgodsdiensten en het sjintô en minder in het oog springend in veel stromingen binnen het confucianisme, judaïsme en zoroastrisme”. Deze godsdiensten zijn meer verbreid „door de migratie van volken of de geleidelijke integratie van naaste buren dan door georganiseerde zendingsactiviteiten”.
„Het hindoeïsme vormt een speciaal en buitengewoon ingewikkeld geval”, vervolgt de encyclopedie. „Hoewel het in veel opzichten overeenkomt met niet-missionerende tradities” en zich verbreid heeft door geleidelijke aanneming door niet-hindoes, heeft het anderzijds „periodes van krachtige zendingsactiviteit gekend”.
„Tot de levende godsdiensten die aanspraak maken op de meest universalistische visies en de meest extensieve zendingsijver buiten de plaats van oorsprong te zien geven”, zegt Max L. Stackhouse van de Andover Newton Theological School, behoren de islam en het boeddhisme. De zendelingen van de islam kunnen de christelijke zendelingen echter niet tot voorbeeld hebben gestrekt, omdat het islamitische tijdperk pas omstreeks 590 jaar na Christus’ gebod om discipelen te maken, begon. Het boeddhisme daarentegen werd ongeveer net zo lang vóór het christendom gesticht als de islam erna.
Een voorbeeld van vrijzinnigheid
De overlevering wil dat de Boeddha tot een zendingsbeweging aanzette door tegen zijn discipelen te zeggen: „Ga, monniken, predik de edele Leer, . . . laten geen twee van u dezelfde richting inslaan!” Niettemin zijn er maar weinig grootschalige zendingsbewegingen geweest, hoewel er reeds in de vierde eeuw v.G.T. boeddhistische zendelingen in Europa waren. In de meeste gevallen werd de godsdienst op individueel niveau verbreid door reizende kooplieden, pelgrims of studenten. Zo bereikte het China en de verschillende delen van Zuidoost-Azië via over zee en over land lopende handelsroutes.
Erik Zürcher van de Rijksuniversiteit van Leiden schrijft de verbreiding van het boeddhisme aan in hoofdzaak drie factoren toe. Een ervan is de boeddhistische „liberale houding tegenover alle godsdiensten”. Dat maakte de vlotte aanvaarding mogelijk van „niet-boeddhistische geloofsovertuigingen als voorbereidende en gedeeltelijke waarheidsopenbaringen” en zelfs de inlijving van „niet-boeddhistische godheden in het boeddhistische pantheon”.
Een tweede factor is dat boeddhistische zendelingen een zogeheten „thuisloze staat” kregen, wat wil zeggen dat zij alle wereldse onderscheidingen verzaakten. Vrij van de beperkingen van het kastenstelsel, waarvan de religieuze betekenis door de Boeddha werd afgewezen, konden zij met buitenlanders omgaan zonder vrees voor rituele verontreiniging.
Een derde factor is dat de heilige geschriften van het boeddhisme niet gebonden waren aan één bepaalde heilige taal. Ze waren gemakkelijk in elke taal te vertalen. „Vooral in China”, merkt Zürcher op, „waren de bekendste buitenlandse zendelingen allemaal actief als vertaler.” In feite vertaalden zij zo veel dat het Chinees een derde belangrijke taal werd voor boeddhistische literatuur, naast het Pali en het Sanskriet.
In het midden van de derde eeuw v.G.T. deed de heerser van het Voorindische rijk, keizer Asjoka, veel om het boeddhisme populair te maken, waarbij hij ook de zendingsaspecten ervan versterkte. In dit voorchristelijke tijdperk bleef het boeddhisme evenwel voornamelijk geconcentreerd in India en op wat nu Sri Lanka is. Feitelijk breidde het boeddhisme zich pas na het begin van het christelijke tijdperk uit naar China, Indonesië, Iran, Japan, Korea, Maleisië, Myanmar, Vietnam en elders.
De zendelingen van het boeddhisme in China zagen er kennelijk niets verkeerds in hun godsdienst zodanig aan te passen dat ze makkelijker te aanvaarden werd. In The Encyclopedia of Religion wordt opgemerkt dat „aan boeddhistische basisteksten een frisse interpretatie werd gegeven; er werden apologetische lectuur en nieuwe gedichten verspreid en nieuwe wetten en voorschriften afgekondigd die aspecten van de boeddhistische boodschap wijzigden en, ja, hervormden, zodat ze zich lieten enten op aspecten van de inheemse volksreligies en van het confucianisme en tauïsme van dat land en ze in sommige opzichten nieuw leven kon inblazen.”
Soms hebben zendelingen van de christenheid, zoals uit toekomstige artikelen in deze reeks zal blijken, het patroon gevolgd van hun boeddhistische voorgangers in de zending. Terwijl zij hun heilige geschriften in andere talen hebben overgezet, hebben zij vaak, zoals de historicus Will Durant het zegt, „de opname van heidense geloofsinhouden en riten” in hun religieuze gebruiken toegelaten of zelfs bevorderd.
Het volgen van „de meesterzendeling”
In Judaism and Christian Beginnings wordt uitgelegd dat het judaïsme de zendingsactiviteit niet in dezelfde zin bevorderde als het christendom maar „zich relatief weinig met het maken van bekeerlingen bezighield”. Toch merkt de auteur van het boek, Samuel Sandmel, op dat „er op zijn minst een steeds terugkerende, op zijn minst sporadische, neiging toe bestond”.
Sandmel legt uit dat „in de rabbijnse literatuur Vader Abraham vaak afgeschilderd wordt als de meesterzendeling”. Hij redeneert dat dit „beeld van Abraham als de zendeling zeker niet ontstaan had kunnen zijn, als er niet in minstens enkele segmenten van het jodendom een zekere neiging aanwezig was geweest gunstig te staan tegenover hetzij een actief zoeken van proselieten hetzij op zijn minst het verwelkomen in het geloof van personen die op eigen initiatief bekering zochten”.a
Kennelijk werd in de twee eeuwen die onmiddellijk aan de gewone tijdrekening voorafgingen, toen heidense godsdiensten hun aantrekkingskracht begonnen te verliezen, de joodse zendingsactiviteit geïntensiveerd, vooral in Griekssprekende landen. Deze activiteit duurde tot ver in de gewone tijdrekening voort, maar werd verboden in de vierde eeuw G.T., toen het Romeinse Rijk een verwaterde vorm van het christendom als officiële godsdienst invoerde.
Het juiste voorbeeld
Het voorbeeld dat joodse zendelingen hadden gegeven, was echter niet het voorbeeld dat christelijke zendelingen gezegd werd te volgen. Jezus zei zelfs over de joodse Farizeeën in zijn tijd: „Gij doorkruist zee en land om een enkele bekeerling te maken, en dan maakt gij hem tweemaal zo rijp voor de vernietiging als gij zelf zijt” (Mattheüs 23:15, Phillips). Ook al bezagen joodse zendelingen Abraham dan als „de meesterzendeling”, zij maakten klaarblijkelijk geen bekeerlingen tot het soort geloof dat Abraham in Jehovah God had.
Voor christelijke zendelingen is het voorbeeld dat gevolgd moet worden het volmaakte voorbeeld dat de voornaamste meesterzendeling, Jezus Christus, heeft gegeven. Lang voordat hij zijn gebod uitvaardigde discipelen te maken, begon hij zijn eerste discipelen op te leiden voor de internationale zendingsactiviteit die daarbij betrokken zou zijn. Daar het een project was dat eeuwen zou duren, was de vraag terecht: Zouden Christus’ volgelingen zich houden aan het voorbeeld dat hij had gegeven?
Toen de eerste eeuw van de gewone tijdrekening ten einde liep, was het antwoord nog niet duidelijk. Nu wel, nu de twintigste eeuw ten einde loopt. Zo’n 1900 jaar zendingsactiviteit verricht door mensen die pretendeerden volgelingen van Christus te zijn, liggen als een open boek voor ons.
Vanuit zijn bakermat in Palestina heeft het christendom zich over de gehele wereld verbreid. Eén stap werd in westelijke richting gezet, naar Macedonië. Daarover kunt u in onze volgende uitgave lezen.
Als voorbeeld van wat de zendelingen van de christenheid hebben gedaan, moge dienen wat zich verscheidene eeuwen lang in Mexico heeft afgespeeld. Vraag u onder het lezen van het volgende verslag eens af: ’Zijn zij bewerkers van licht of bewerkers van duisternis geweest?’
[Voetnoot]
a In A Guide to Jewish Religious Practice wordt gezegd: „Abraham wordt als de vader van alle proselieten beschouwd . . . Het is gebruikelijk dat proselieten de zoon of dochter van onze vader Abraham worden genoemd.”
[Illustratie op blz. 7]
Jezus gaf de aanzet tot het christelijke zendingswerk; hij leidde zijn volgelingen op en gaf het voorbeeld dat zij moesten volgen