Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 22/8 blz. 19-24
  • Wanneer het leven niet makkelijk is

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wanneer het leven niet makkelijk is
  • Ontwaakt! 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Toen ik negen jaar was
  • Beperkingen door mijn ziekte
  • Een terugval
  • Eindelijk weer naar school
  • Nieuwsgierig naar een godsdienst
  • Weer een terugval
  • Het was niet makkelijk op school
  • Standpunt inzake bloed niet makkelijk
  • Diploma-uitreiking, daarna de doop
  • Opnieuw voor de bloedkwestie gesteld
  • Opnieuw een terugval
  • Het leven is nog steeds niet makkelijk
  • Voor een medische noodsituatie gesteld
    Ontwaakt! 1996
  • Tovenaars noch goden
    Ontwaakt! 1994
  • Als een kind kanker krijgt
    Ontwaakt! 2011
  • De beslissing die haar leven redde
    Ontwaakt! 1979
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 22/8 blz. 19-24

Wanneer het leven niet makkelijk is

IK WAS nog erg jong toen ik de harde realiteit van het leven onder de ogen moest zien. Misschien bent u het met me eens dat het leven in de huidige wereld echt onrechtvaardig is. Dat is het voor ons allemaal — uiteindelijk. Wij worden allemaal ziek. Natuurlijk zal een enkeling oud worden zonder ernstig ziek geweest te zijn, maar dan staan wij allemaal voor de dood.

Waarschijnlijk denk ik meer aan doodgaan dan goed voor me is. Maar laat me eens uitleggen hoe dat komt en ook hoe ik in zekere zin voordeel heb gehad van wat mij is overkomen.

Toen ik negen jaar was

Ik ben in september 1968 in Brooklyn (New York) geboren, als jongste van vijf kinderen. Vader was invalide en Moeder werkte als caissière om de kost te verdienen. Omstreeks de tijd dat ik negen werd, viel het Moeder op dat mijn buik aan één kant een dikte vertoonde. Zij ging met me naar het plaatselijk medisch centrum. De arts voelde een grote weefselmassa en enkele dagen later werd ik opgenomen in het Kings County Hospital.

Toen Mama weg was, huilde ik omdat ik bang was. De dag daarop reden twee in het lichtblauw geklede mannen mij naar de operatiekamer. Ik herinner mij dat het laatste wat ik zag voordat ik wakker werd in de uitslaapkamer, een verblindend licht boven mij was en dat er iets over mijn mond werd gedaan. De artsen verwijderden met succes een zogenoemde Wilms-tumor (een vorm van kanker), een van mijn nieren en een stuk van mijn lever.

Ik bracht vijf weken op de intensive care-​afdeling door. Elke dag verwisselden de artsen het verband. Ik schreeuwde het uit als zij de hechtpleisters lostrokken. Om mij minder pijn te laten voelen, lieten de artsen iemand komen die probeerde mij af te leiden. Ik herinner me dat de persoon in kwestie veel met me over kikkers praatte.

Nadat ik van de intensive care was, moest ik nog vier weken in het ziekenhuis blijven. In die periode werd er een begin gemaakt met de bestralingstherapie. Die was pijnlijk, niet vanwege de bestraling, maar omdat ik op mijn buik moest liggen, die nog pijn deed door de operatie. Van maandag tot en met vrijdag werd ik dagelijks bestraald.

Toen ik tegen eind november 1977 uit het ziekenhuis werd ontslagen, werd ik verder bestraald als poliklinisch patiënt. Na beëindiging van die behandeling kreeg ik chemotherapie. Van maandag tot en met vrijdag moest ik elke dag ’s ochtends vroeg op om naar het ziekenhuis te gaan voor mijn injecties met krachtige geneesmiddelen. De arts bracht een naald in een ader en diende het middel rechtstreeks toe. Ik was bang voor naalden en huilde, maar Mama vertelde me dat ik erdoorheen moest om beter te worden.

De chemotherapie had afschuwelijke bijwerkingen. Ik werd er misselijk van en moest vaak overgeven. Mijn bloedwaarden daalden en al mijn haar viel uit.

Beperkingen door mijn ziekte

In het daaropvolgende voorjaar maakten wij ons op Paaszondag klaar voor de kerk toen ik een bloedneus kreeg door mijn lage bloedwaarden. Mijn ouders probeerden van alles, maar de bloeding hield aan. Artsen stelpten het bloeden door mijn neus vol verbandgaas te proppen, maar toen begon het bloed uit mijn mond te komen. Ik werd erg zwak door het bloedverlies en werd in het ziekenhuis opgenomen. Om te voorkomen dat bezoekers mij besmetten, moesten zij handschoenen en een masker dragen en een schort over hun kleren aantrekken. In een week waren mijn bloedwaarden dermate gestegen dat ik uit het ziekenhuis ontslagen kon worden.

De chemotherapie werd onmiddellijk hervat. Ik kon niet naar school, en dat miste ik erg. Ik miste mijn vriendinnetjes en het buiten spelen met hen. Ik kreeg privé-les thuis omdat mijn artsen vonden dat ik niet naar school kon terwijl ik chemotherapie kreeg of er niet te snel nadat ze was stopgezet heen kon.

Die zomer wilde ik zoals gewoonlijk op bezoek bij mijn grootouders in Georgia, maar daar kreeg ik geen toestemming voor. Het ziekenhuis organiseerde echter een uitstapje voor kankerpatiëntjes naar een pretpark in New Jersey. Hoewel ik na afloop uitgeput was, had ik ervan genoten.

Eind 1978 werd de chemotherapie gestopt maar ik kreeg nog steeds privé-les thuis — in totaal meer dan drie jaar. Toen ik in januari 1981 naar school terugging, viel het niet mee om te wennen nadat ik zo lang thuis onderwezen was. Soms verdwaalde ik als ik probeerde mijn klas te vinden. Toch ging ik heel graag naar school. Ik hield vooral van de muziek-, type- en gymnastieklessen. Sommige van de kinderen waren vriendelijk, maar andere lachten me uit.

Een terugval

„Ben je in verwachting?”, begonnen kinderen me te vragen. Dat kwam doordat mijn buik gezwollen was. De dokter zei me dat ik me geen zorgen moest maken en dat het kwam doordat mijn lever weer aangroeide. Maar toen ik in maart voor controle moest, liet de dokter me in het ziekenhuis opnemen. Ik begon te huilen — ik had maar twee en een halve maand naar school kunnen gaan.

Er werd een biopsie verricht waarbij er weefsel uit een tumor in mijn lever werd genomen. Toen ik na die procedure bijkwam, was de eerste die ik zag Mama. Zij huilde. Zij vertelde me dat ik weer kanker had en dat de tumor te groot was voor verwijdering en dat ik chemotherapie zou moeten krijgen om hem te verkleinen. Ik was toen nog maar twaalf.

De chemotherapie werd gegeven in het ziekenhuis, wat betekende dat ik om de paar weken voor twee of drie dagen opgenomen werd. Zoals gewoonlijk had ik last van misselijkheid en braken. Het eten smaakte me niet en al mijn haar viel uit. Dat hele jaar kreeg ik chemotherapie. Ondertussen, in april, waren de privé-lessen hervat.

Toen ik begin 1982 voor operatie in het ziekenhuis werd opgenomen, was ik zo verzwakt dat de verpleegkundigen mij de weegschaal op en af moesten helpen. Door de chemotherapie was de tumor verkleind, zodat de chirurgen in staat waren hem te verwijderen, samen met weer een stuk van mijn lever. Opnieuw was ik een maand of twee in het ziekenhuis. Tegen het midden van 1982 werd de chemotherapie hervat, die voortduurde tot begin 1983.

In die tijd was ik verdrietig omdat ik niet naar school kon. Maar toen kwam mijn haar terug en ik begon me weer goed te voelen. Ik was blij dat ik leefde.

Eindelijk weer naar school

Mijn privé-lerares zorgde ervoor dat ik mijn diploma van de ’junior high school’ haalde met de klas waar ik in 1981 korte tijd in gezeten had. Daar was ik heel enthousiast over; het was fijn mijn vriendinnen te zien en nieuwe te maken. Toen in juni 1984 de dag van de diploma-uitreiking daar was, maakte ik foto’s van vriendinnen en leraren, en mijn familie nam foto’s van mij om deze bijzondere gebeurtenis vast te leggen.

Die zomer ging ik bij mijn grootouders in Georgia logeren en ik bleef er het grootste deel van de zomer. Toen ik eind augustus terugkwam, was het tijd om mij op school voor te bereiden. Ja, eindelijk ging ik weer naar school. Wat was ik opgewonden!

Nieuwsgierig naar een godsdienst

Dawn en Craig waren anders dan de andere leerlingen en ik voelde me tot hen aangetrokken. Maar toen ik hun kerstcadeautjes gaf, zeiden ze dat zij die feestdag niet vierden. „Zijn jullie joods?”, vroeg ik. Craig legde uit dat zij Jehovah’s Getuigen waren en dat Kerstmis niet echt christelijk was. Hij gaf mij een paar uitgaven van De Wachttoren en Ontwaakt! over het onderwerp te lezen.

Ik werd nieuwsgierig naar hun godsdienst, die zo anders leek. Als ik naar de kerk ging, hoorde ik steeds weer hetzelfde: ’Geloof in Jezus Christus, laat u dopen en u zult naar de hemel gaan.’ Maar dat leek te gemakkelijk. Ik was gaan geloven dat als dingen al te gemakkelijk zijn, je óf een genie bent óf er iets mis is. Ik wist dat ik geen genie was, dus concludeerde ik dat er iets mis moest zijn met wat de kerk leerde.

Uiteindelijk ging Craig de bijbel met me bestuderen tijdens onze lunchpauzes. Op een dag nodigde hij me uit voor een grote vergadering van Jehovah’s Getuigen en ik ging erheen. Ik vond Craig en ging bij hem en zijn familie zitten. Ik was onder de indruk van wat ik zag — mensen van verschillende rassen in eenheid samen aanbiddend — en ik was ook onder de indruk van wat ik hoorde.

Toen Craig en ik een nieuw lesrooster kregen, konden wij niet meer samen de bijbel bestuderen omdat wij niet gelijktijdig lunchpauze hadden. Craigs moeder belde mijn moeder op om te vragen of zij met mij mocht studeren, maar Mama zei nee. Later gaf zij mij toestemming om naar christelijke bijeenkomsten te gaan. Dus belde ik naar een Koninkrijkszaal die in het telefoonboek vermeld stond en hoorde dat de vergadering ’s zondags om 9.00 uur ’s ochtends begon. De dag ervoor liep ik ongeveer dertig blokken naar de Koninkrijkszaal om er zeker van te zijn dat ik de weg wist.

Toen ik de volgende ochtend arriveerde, vroeg een man me of ik uit een andere Koninkrijkszaal op bezoek was. Ik vertelde hem dat dit mijn eerste bezoek was maar dat ik een tijdje had gestudeerd. Hij nodigde me vriendelijk uit bij hem en zijn vrouw te komen zitten. De bijeenkomsten waren zo anders dan de kerkdiensten. Ik stond er versteld van hoe graag velen commentaar gaven tijdens het vraag-en-antwoordprogramma. Zelfs kleine kinderen gaven commentaar. Ik stak mijn hand op en beantwoordde ook een vraag. Vanaf die tijd bleef ik vergaderingen bezoeken en begon ik vorderingen te maken in het begrijpen van bijbelse waarheden.

Weer een terugval

In december 1986, tijdens mijn laatste jaar op de middelbare school, ging ik op routinecontrole. Wat de dokter in mijn rechterlong zag, maakte hem argwanend en dus moest ik terugkomen voor verdere röntgenfoto’s. Toen ik hoorde dat daarop te zien was dat er beslist iets mis was, begon ik te huilen.

Er werd een biopsie verricht; met behulp van een naald haalde de arts een stukje van de tumor uit mijn long. Het gezwel bleek kwaadaardig te zijn. In feite zaten er drie tumoren, waaronder een grote bij mijn hartslagaders. Na een gesprek met de arts werd besloten dat ik twee experimentele chemotherapeutische middelen toegediend zou krijgen om de tumoren vóór de operatie te verkleinen. De bijwerkingen zouden zoals gewoonlijk zijn — totale haaruitval, misselijkheid, braken en lage bloedwaarden.

Eerst was ik terneergeslagen, maar toen begon ik veel tot Jehovah te bidden en dat gaf mij kracht. De diploma-uitreiking zou binnen zes maanden plaatsvinden. Mijn leraren waren vol begrip en vriendelijk; zij vroegen alleen of ik een verklaring van de dokter wilde meebrengen en wilde proberen mijn huiswerk bij te houden.

Het was niet makkelijk op school

Naast de uitdaging de lessen te moeten volgen terwijl ik zo ziek was, begon mijn haar uit te vallen. Toen ik een pruik kocht, zeiden klasgenoten dat mijn haar geweldig zat — zij beseften niet dat het een pruik was. Maar één jongen wel. Iedere keer dat ik de klas binnenkwam, schreef hij het woord „pruik” op het bord, en hij en zijn vrienden lachten dan en hadden lol. Van al dat geplaag werd ik neerslachtig.

Toen griste op een dag in de drukke hal iemand van achteren de pruik van mijn hoofd. Ik draaide me snel om en raapte de pruik op. Maar tientallen jongeren zagen mijn kale hoofd en ik voelde me zo gekwetst. Ik ging naar een trap en huilde. De volgende dag kon ik aan het gezicht van sommige leerlingen zien dat zij het gebeurde erg vonden. Klasgenoten vertelden me dat een meisje een jongen geld had gegeven om mijn pruik af te trekken.

Standpunt inzake bloed niet makkelijk

Door de chemotherapie daalden mijn bloedwaarden enorm. Wat de zaak nog erger maakte, was dat ik neusbloedingen kreeg, soms twee of drie op een dag. Ik was niet gedoopt, maar ik nam een vastberaden standpunt in en zei dat ik als een van Jehovah’s Getuigen geen bloed wilde aanvaarden (Handelingen 15:28, 29). Mijn oudste zus moedigde een van mijn kleine nichtjes aan tegen me te zeggen dat zij niet wilde dat ik doodging. Vader was van streek en eiste dat ik bloed nam, en Mama zei steeds weer dat God het me zou vergeven als ik een transfusie nam.

Tegelijkertijd waarschuwden artsen me dat ik met zulke lage bloedwaarden een hartaanval of hersenbloeding kon krijgen. Daar ik vastbesloten was voet bij stuk te houden, lieten zij me een ontheffingsformulier tekenen waarin stond dat als ik stierf, zij daar niet aansprakelijk voor zouden zijn. Al gauw was ik voldoende hersteld om naar huis terug te mogen en weer naar school te gaan. Vanwege mijn lage bloedwaarden besloten de artsen echter mij nu in plaats van chemotherapie bestralingen te geven. Van eind april tot begin juni 1987 kreeg ik deze bestralingen elke dag na schooltijd.

Diploma-uitreiking, daarna de doop

De diploma-uitreiking was een bijzondere gebeurtenis. Mijn zus had me geholpen bij het kopen van een jurk en ik had ook een nieuwe pruik gekocht. Mama en mijn twee zussen waren erbij en daarna gingen wij met elkaar ergens eten — een maaltijd om nooit te vergeten!

In die periode kreeg ik geen chemotherapie of bestraling. Maar enkele weken later belde de dokter op om te zeggen dat ik naar het ziekenhuis moest komen voor een volgende chemotherapiekuur. Ik wilde er niet heen omdat ik binnen een week het districtscongres van Jehovah’s Getuigen in het Yankee Stadion in New York zou bijwonen. Maar Mama zei dat ik het moest doen; de behandelingen konden maar achter de rug zijn. Dus ging ik erheen.

Ik was erg opgewonden tijdens het congres, want op zaterdag 25 juli 1987 zou ik gedoopt worden. Wij hadden politiegeleide naar Orchard Beach, de plaats van de doop. Na gedoopt te zijn, keerde ik naar het stadion terug voor de rest van het programma van die dag. Ik voelde me die avond erg moe, maar op zondagochtend maakte ik me klaar en woonde de laatste dag van het congres bij.

Opnieuw voor de bloedkwestie gesteld

De middag daarop werd ik in het ziekenhuis opgenomen met 39 °C koorts, een nierinfectie en extreem lage bloedwaarden. De dokter dreigde dat als ik het formulier niet tekende om toestemming voor een transfusie te geven, hij om een gerechtelijk bevel zou vragen en mij onder dwang bloed zou toedienen. Ik was erg bang. Mijn familie zette me onder druk; mijn zus bood zelfs aan wat van haar eigen bloed af te staan, maar ik wees dat aanbod af.

Ik bad veel tot Jehovah of hij mij wilde helpen pal te staan. Gelukkig begonnen mijn bloedwaarden te stijgen, en de druk om bloed te nemen hield op. Hoewel ik met de chemotherapie moest doorgaan, had ik geen geschikte aders meer over. Dus maakte een chirurg een kleine opening onder mijn sleutelbeen om een apparaatje in te brengen waardoorheen medicijnen toegediend konden worden.

Tijdens het gesprek over het verwijderen van de tumoren in mijn long zei de chirurg dat hij geen bloed zou gebruiken, behalve in een noodsituatie. Mama zei me dat ik daarmee moest instemmen en dat deed ik. Maar later voelde ik me ellendig omdat ik daarmee in feite had toegestemd in een transfusie. Onmiddellijk ging ik op zoek naar een chirurg die wilde garanderen dat hij geen bloed zou gebruiken. De speurtocht scheen hopeloos maar eindelijk vond ik er een en de operatie werd gepland voor januari 1988.

De arts gaf geen garantie dat ik het zou halen. De avond voor de operatie kwam hij zelfs naar mijn kamer en zei: „Ik zal proberen de operatie te verrichten.” Ik was bang; ik was nog maar negentien en ik wilde niet sterven. De drie tumoren werden echter voorspoedig weggenomen, evenals twee derde van mijn long. Het opmerkelijke was dat ik maar een week in het ziekenhuis heb gelegen. Na een herstelperiode thuis van ongeveer twee en een halve maand begon ik weer met chemotherapie, met de gebruikelijke bijwerkingen.

Omstreeks die tijd kreeg ook mijn vader kanker en enkele maanden later vond Mama hem op een avond dood in de slaapkamer. Na zijn dood ging ik aan een vakschool een opleiding voor secretaresse volgen. Het studeren verliep naar wens en ook lichamelijk en geestelijk ging het goed met me; ik stond zelfs in de hulppioniersdienst (tijdelijke volle-tijdprediking).

Opnieuw een terugval

In april 1990 woonde ik de huwelijksreceptie van mijn oudste broer bij in Augusta (Georgia). Terwijl ik daar was, zei mijn broer: „Wat is je been dik.”

„Wat denk je dat het is?”, vroeg ik.

„Ik weet het niet”, antwoordde hij.

„Het is waarschijnlijk een tumor”, zei ik.

Eenmaal terug in New York ging ik naar de dokter. Een onder plaatselijke verdoving verrichte biopsie bracht een Wilms-tumor in mijn linkerkuit aan het licht. Na onderzoek bleek dat het bot niet aangetast was, maar de tumor was te groot om weggenomen te worden. Dus volgde de gebruikelijke chemotherapie.

Na een poosje kon ik niet meer met braken ophouden; ik had een darmobstructie. Die werd verholpen door een spoedoperatie. Maar toen kreeg ik een kronkel in mijn darmen en er was nog een operatie nodig. Mijn hemoglobinegehalte daalde tot tegen de vier en de dokter zei steeds weer: „Je moet bloed nemen. Je gaat dood. Je zult de nacht waarschijnlijk niet doorkomen.” Ik kreeg nachtmerries over begraafplaatsen en doodgaan.

Tegen oktober was ik voldoende hersteld om de tumor te laten verwijderen. Er werd ook ongeveer zeventig procent van mijn kuit weggenomen. Het was maar de vraag of ik weer zou kunnen lopen. Maar ik moest lopen wilde ik in New York ergens komen, dus begon ik met behulp van therapie en met vastberadenheid te lopen — eerst met een looprek, toen op krukken, vervolgens met een stok en ten slotte met een beugel, waardoor ik mijn handen vrij had om mijn bijbel in de van-huis-tot-huisbediening te gebruiken. Tijdens de chemotherapie was mijn gewicht gedaald tot 27 kilo; ik ben 1,55 meter lang en weeg normaal zo’n 54 kilo. Naarmate ik aankwam en mijn been dikker werd, stelden de artsen de beugel steeds weer bij. Ten slotte, toen ik bijna op mijn normale gewicht was, maakten zij een nieuwe voor me.

Het leven is nog steeds niet makkelijk

In de zomer van 1992 leek ik helemaal de oude te zijn en zag ik ernaar uit mogelijk zelfs in de hulppioniersdienst te gaan. In november ontving ik een brief die mij heel gelukkig maakte. Er stond in dat mijn belevenissen een aanmoediging voor anderen konden zijn en ik werd uitgenodigd ze te vertellen voor publikatie in Ontwaakt! De week daarop sloeg mijn opgetogenheid om in wanhoop.

Een routineröntgenfoto van mijn borst onthulde tumoren in mijn ene goede long. Ik huilde, en huilde opnieuw. Ik had het gered met het verlies van een nier, een deel van mijn lever, het grootste deel van mijn linkerlong en een deel van een been, maar niemand kan in leven blijven als hij beide longen verliest. Opnieuw stonden mijn familie en vrienden voor mij klaar en ik nam het vaste besluit nogmaals de strijd met de ziekte aan te binden.

Er werd met chemotherapie begonnen om de gezwellen te verkleinen. Een arts dacht dat ze verwijderd konden worden en dat de long behouden zou kunnen blijven. In maart 1993 ging ik de operatiekamer in. Later hoorde ik dat zij gekeken hadden en me gewoon hadden dichtgenaaid. De tumoren waren niet te verwijderen zonder de long weg te nemen. Sindsdien krijg ik sterke chemotherapie in een poging de tumoren te doden.

Begrijpt u nu waarom ik vaak aan doodgaan denk? Zou ik zo diep hebben nagedacht over de reden waarom wij sterven en mij zo ernstig hebben afgevraagd welke hoop er is voor de toekomst als mijn leven makkelijk was geweest? Daar ben ik niet zeker van. Ik weet echter wel zeker dat wat werkelijk telt niet is of wij nu leven of sterven, maar of wij de zegen verwerven van Jehovah God, Degene die ons eeuwig leven kan geven. Stilstaan bij de hoop op leven in zijn nieuwe wereld, mijn lasten op hem werpen en nauw contact houden met vrienden die mijn hoop delen — dat heeft mij geholpen staande te blijven. — Psalm 55:22; Openbaring 21:3, 4.

Ik ben blij dat andere jongeren gezond zijn. Ik hoop dat wat ik heb verteld, velen ertoe mag bewegen hun gezondheid niet te gebruiken voor ijdele activiteiten maar er een verstandig gebruik van te maken, in Jehovah’s dienst. Wat geweldig zal het zijn eeuwig een goede gezondheid te genieten in Gods nieuwe wereld! Dan zal er geen behoefte zijn aan artsen, ziekenhuizen, injectienaalden en infuzen — nee, niets zal ons herinneren aan deze zieke en stervende oude wereld. — Verteld door Kathy Roberson.

[Illustratie op blz. 21]

Bij de diploma-uitreiking van de ’junior high school’

[Illustratie op blz. 23]

Helpend bij de voedseldienst op een kringvergadering in New York

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen