Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g93 22/2 blz. 13-17
  • Een zinvol leven ondanks mijn isolement

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een zinvol leven ondanks mijn isolement
  • Ontwaakt! 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik leer Jehovah kennen
  • Naar Thailand via Spanje
  • Naar Australië
  • Naar Bougainville
  • Naar Afrika
  • In Zuid-Amerika
  • Naar Papoea Nieuw-Guinea
  • Met een gemeente samenwerken
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Ik koos een carrière in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2013
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1990
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1990
Meer weergeven
Ontwaakt! 1993
g93 22/2 blz. 13-17

Een zinvol leven ondanks mijn isolement

IK BEN in januari 1927 in Málaga (Spanje) geboren als zesde kind in een arm katholiek gezin met zeven kinderen. Van 1936 tot 1939 werd ons land geteisterd door de Spaanse Burgeroorlog en wij moesten schuilen voor bommen en leefden op gerantsoeneerd voedsel. Toch was ik een opgewekt kind dat graag zong en onder de mensen was.

Er was echter één ding dat mij angst aanjoeg — het vooruitzicht in het hellevuur te branden. Om iets van die angst kwijt te raken, ging ik op mijn twaalfde in een klooster. Daar boende ik bijna drie jaar de marmeren trap, bad, en boende weer, maar ik had nog steeds het gevoel dat er iets ontbrak. In 1941 was ik blij dat ik het klooster kon verlaten.

Na enkele jaren raakte ik bevriend met een zangeres die dacht dat er met mijn stem geld te verdienen was en zij moedigde mij aan zang- en pianolessen te nemen. Toen in 1945 de Tweede Wereldoorlog eindigde, ging ik naar Marokko, waar ik begon op te treden in nachtclubs in Casablanca en Tanger. Dat was een opwindend leven voor een tiener. Maar na elke show ging ik naar de kerk om de Maagd Maria om vergeving te smeken, in de hoop aan een brandende hel te ontkomen.

Na negen jaar in nachtclubs gewerkt te hebben, ontmoette ik een Amerikaan die Jack Abernathy heette. Hij werkte destijds in Marokko voor een Amerikaanse bouwonderneming. Wij trouwden dat jaar en ik trad niet meer op. Kort daarna verhuisden wij naar Sevilla (Spanje), waar wij tot 1960 bleven wonen. Toen verhuisden wij naar Lodi in Californië, een verhuizing die tot nog een verandering in mijn leven leidde.

Ik leer Jehovah kennen

In 1961 kwamen er twee getuigen van Jehovah bij ons aan de deur en lieten De Wachttoren en Ontwaakt! achter. Later boden zij aan de bijbel met mij te bestuderen en ik nam hun aanbod aan. Zo leerde ik de ware God, Jehovah, kennen, die onze liefdevolle hemelse Vader is (Psalm 83:18). Wat een opluchting was het ook te leren dat er geen brandende hel bestaat maar dat wij in plaats daarvan het vooruitzicht hebben eeuwig in een paradijs op aarde te leven! — Psalm 37:9-11, 29; Openbaring 21:3, 4.

Mijn zus Paquita, die dicht bij ons woonde, begon ook te studeren. Voorheen rookte ik en hield ik van fuiven. En wat was ik opvliegend! Maar ik bracht veranderingen aan en op 17 oktober 1962 werden Paquita en ik in Sacramento (Californië) gedoopt als symbool van onze opdracht aan Jehovah.

Naar Thailand via Spanje

Kort daarna plaatste de bouwonderneming waarvoor mijn man werkte hem over naar Thailand en ik ging met hem mee. Ik onderbrak mijn reis voor een bezoek aan Spanje en kon mijn overtuiging met andere familieleden delen. Mijn schoonzus Pura had een horend oor en werd Getuige.

In die tijd was het werk van Jehovah’s Getuigen in Spanje verboden. Toch woonden wij een geheime bijeenkomst bij in een kleine kamer zonder stoelen met niets dan een tafel. Wij stonden alle twintig. Wat een verschil met onze vergaderingen in Californië! Toen ik zag hoe mijn landgenoten hun vrijheid riskeerden om bijeen te komen, overtuigde dat mij van het belang van christelijke vergaderingen, een les die op het juiste moment kwam zo kort voordat ik in Bangkok (Thailand) arriveerde.

„Als ik ooit merk dat je predikt, ga ik bij je weg”, zei Jack op de dag dat wij in Bangkok aankwamen tegen me. De dag daarop vertrok hij om leiding te geven bij een bouwproject op het platteland, en dus was ik helemaal aan mijn lot overgelaten in het drukke Bangkok met een dienstmeisje met wie ik geen gesprek kon voeren. Ik bleef bezig door steeds weer mijn bijbelse lectuur te bestuderen.

Toen ik op een dag in september 1963 thuiskwam, viel mij een onbekend paar schoenen op mijn stoep op. Er zat een dame met krullend blond haar op me te wachten. „Wat kan ik voor u doen?”, vroeg ik.

„Ik ben een vertegenwoordigster van het Wachttorengenootschap”, zei ze.

Ik danste van opwinding en omhelsde en kuste haar. Eva Hiebert was een zendelinge uit Canada. Vanaf die dag kwam Eva geregeld met de bus naar me toe, waarvoor zij twee of drie keer moest overstappen. Ik was bang om de bus te nemen, omdat de mensen als haringen in een ton opeengepakt stonden, maar het was de enige manier om ergens te komen. Eva zei: „Je zult Jehovah nooit kunnen dienen als je niet in zo’n bus stapt.” En dus repeteerden we welke bussen ik moest nemen om de vergaderingen bij te wonen.

Ik aarzelde te prediken omdat ik de taal niet kende. Ik klampte me vast aan Eva’s hand, haar mand en haar jurk. „Op die manier kun je Jehovah niet dienen”, zei ze.

„Maar ik ken de taal niet”, jammerde ik.

Eva gaf me tien tijdschriften en verdween; ze liet me midden op de markt staan. Verlegen stapte ik op een Chinese vrouw af, liet haar de tijdschriften zien en zij nam ze!

„Eva, ik heb alle tien de tijdschriften verspreid”, kon ik later stralend zeggen. Ze zei: „Jehovah houdt van mensen zoals jij. Ga zo door.” Dat deed ik en ik leerde groeten in het Thais en, naar plaatselijk gebruik, op de grond zitten. Ik leerde ook hoe ergens te komen. En de reactie van mijn man? Toen Jack, die nu welwillender tegenover mijn geloof stond, op een dag bezoekers had, zei hij tegen hen: „Voor een tochtje door de stad moet je met Pepita meegaan. Zij weet de weg, want zij predikt.”

Naar Australië

Dank zij Eva’s liefdevolle maar ferme opleiding was ik erop voorbereid actief te blijven in Jehovah’s dienst tijdens de volgende werktoewijzing van mijn man in Noordwest-Australië. Wij arriveerden daar halverwege 1965 en ik kwam te wonen in een werkkamp midden in de woestijn, waar Jacks firma een spoorlijn aanlegde. Het voedsel werd per vliegtuig aangevoerd en het was er heet — boven de 43 °C. Er woonden 21 Noordamerikaanse gezinnen in het kamp en dus begon ik hen te benaderen met de Koninkrijksboodschap. Naarmate het werk aan de spoorweg vorderde, verhuisden wij dieper de woestijn in, waar het isolement nog groter was.

Al eerder had ik naar het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Australië geschreven, en wat was ik blij een brief te ontvangen waarin stond: „Veel liefde en hartelijke groeten . . . Onze gedachten en gebeden zullen met je zijn in de komende maanden”! In de jaren dat ik met mijn man meereisde op zijn werktoewijzingen in afgelegen streken van de aarde, werd ik aangemoedigd door zulke brieven van Jehovah’s organisatie. Het lezen ervan hielp mij door periodes van eenzaamheid heen en moedigde mij aan te gaan prediken, ook al was ik vaak geïsoleerd van andere Getuigen.

Het bijkantoor in Australië trof regelingen dat Getuigen, een echtpaar, mij een bezoek van een week brachten in het kamp. Tijdens onze bediening legden wij contact met een ver weg wonende geïnteresseerde vrouw en dus liep ik tweemaal per week door een van slangen en hagedissen vergeven gebied om haar te bezoeken. Al lopend barstte ik dan los in een Koninkrijkslied: „Kies Jehovah’s zijde/ Blijf hem toegewijd/ Hij is steeds nabij u/ Ga waar hij u leidt.” Wij studeerden elf maanden.

Vervolgens, na een verblijf van ongeveer een jaar in Melbourne, verhuisde ik met mijn man naar een kamp bij de mijnstad Port Hedland, ook in Noordwest-Australië. Vijf dagen later waren er bezoekers. Het bijkantoor had de Getuigen laten weten waar ik woonde. Nadat zij vertrokken waren, ging ik op eigen houtje met de vergaderingen door; ik leidde de gemeenteboekstudie, de theocratische bedieningsschool, de dienstvergadering en de Wachttoren-studie. Na een lied gezongen en de vergadering met gebed geopend te hebben, beantwoordde ik de vragen en besloot met lied en gebed. Het tellen van de aanwezigen was nooit een probleem — altijd één. Toch heeft dit wekelijkse vergaderschema mij geschraagd in die vele jaren dat ik Jehovah geïsoleerd diende.

Naar Bougainville

Na vier jaar zwoegen in het hete Australië werd mijn man in 1969 aangesteld als voorman bij een wegenbouwproject naar een kopermijn in de vochtige bergen van het eiland Bougainville. Op een avond klopte er iemand bij ons aan. Jack deed open. „Het is een Getuige met vrouw en vier kinderen”, zei hij. Zij woonden aan de kust. Eenmaal per week bezocht ik hen en woonde de Wachttoren-studie bij, die in de openbare school werd gehouden.

Bij een andere gelegenheid kreeg ik bezoek van drie Getuigen uit Papoea Nieuw-Guinea. Mijn man vertelde zijn collega’s trots: „Waar mijn vrouw ook heen gaat, haar Getuigen-vrienden wachten haar op.”

Naar Afrika

In 1972 arriveerden wij in de woestijn in het Noordafrikaanse Algerije, waar Jacks firma een irrigatiesysteem aanlegde. Dit zou een project van vier jaar worden. Ik schreef naar het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Frankrijk over de prediking, en zij schreven terug: ’Wees voorzichtig. Ons werk is daar verboden.’ Het Genootschap hielp mij contact op te nemen met twee inactieve Getuigen, zusters, en wij vormden een studiegroepje.

Toen werd Cecilia, een van mijn buren in het werkkamp, ziek. Ik bezocht haar elke dag in het ziekenhuis, bracht haar soep en maakte haar bed op. Toen zij thuiskwam, bleef ik boodschappen voor haar doen en ook deelde ik de Koninkrijkshoop met haar. Dat leidde tot een bijbelstudie, en na acht maanden zei Cecilia: „Ik wil gedoopt worden.” Maar waar en door wie?

Het bijkantoor in Frankrijk schreef ons dat een Getuige die François heette voor een korte vakantie naar Algerije kwam. Als wij hem naar ons dorp in de woestijn konden halen en ervoor zorgden dat hij op tijd op het vliegveld terug was, zou hij de doop verrichten. Maar hij zou niet langer dan 24 uur kunnen blijven.

Zodra François arriveerde, werd hij snel per auto de woestijn in gereden. Die avond, bij Cecilia thuis, haalde hij een minuscuul velletje postpapier uit zijn overhemdzakje en hield een prachtige lezing. In de vroege ochtend van 18 mei 1974 doopte hij Cecilia in mijn badkuip en vertrok weer.

Eind 1975 brak er oorlog uit in Algerije en moesten Jack en ik abrupt vertrekken. Ik bezocht mijn familie in Spanje. In 1976 begon ik te pakken voor Jacks volgende toewijzing — een werkkamp in het regenwoud van Suriname.

In Zuid-Amerika

Het kamp in het zuidwesten van Suriname was omgeven door weelderige plantengroei. Luidruchtige papegaaien en nieuwsgierige apen keken uit de bomen omlaag naar de vijftien pas gearriveerde gezinnen, waarvan ik de meeste kende van vroegere projecten. Zes maanden later arriveerden er meer arbeiders met hun gezin, onder wie de in Algerije gedoopte Cecilia — een partner!

Toen 23 maart 1978 naderde, vroegen wij ons af hoe wij de Gedachtenis van Christus’ dood moesten vieren. Omdat wij geen vervoer naar de hoofdstad, Paramaribo, hadden, maakten wij plannen om de viering bij mij thuis te houden. Het hoofd van het kamp gaf ons toestemming om fotokopieën te maken van de laatste pagina van een Wachttoren waarin de Gedachtenisviering werd aangekondigd en die verspreidden we van huis tot huis in het kamp. Er waren 21 aanwezigen! Cecilia hield de lezing en ik las de schriftplaatsen voor. Die avond voelden wij ons ondanks ons isolement verenigd met Jehovah’s wereldwijde organisatie.

Ondertussen stuurde het Surinaamse bijkantoor van Jehovah’s Getuigen ondersteuning — een jong zendelingenechtpaar in een oude landrover. Vóór hun komst was ik me wat nutteloos gaan voelen in dat kamp, maar de zendelingen verzekerden mij: „Pepita, je bent hier met een bedoeling.” Op dat moment was ik daar niet van overtuigd, maar ik zou het al gauw begrijpen.

Tijdens het bezoek van de zendelingen verkenden wij op een dag een pas aangelegde onverharde weg en ontdekten tot onze opwinding een paar indianendorpen op zo’n 50 kilometer van ons kamp. Enkele dagen prediken onder die vriendelijke Arawak-Indianen leverde tientallen bijbelstudies op. Dus toen de zendelingen vertrokken, begonnen Cecilia en ik die dorpelingen tweemaal per week te bezoeken.

Wij stonden om vier uur ’s ochtends op en begonnen tegen zevenen met onze eerste bijbelstudie. Omstreeks vijf uur ’s middags waren wij weer thuis. Twee jaar lang leidden wij elke week dertig studies. Het duurde niet lang of de kinderen in het dorp noemden me Tante Bijbel! Velen werden uiteindelijk gedoopt en jaren later woonden 182 personen een kringvergadering in dat dorp bij. Ja, zoals mijn lieve zendelingenvrienden hadden gezegd, wij waren in de jungle met een bedoeling!

Naar Papoea Nieuw-Guinea

Wij verlieten Suriname in 1980 en het jaar daarop werden wij naar Papoea Nieuw-Guinea gestuurd. Na zes prettige maanden met de Getuigen in de hoofdstad, Port Moresby, bracht een helikopter me naar mijn volgende verblijf — een kamp hoog in de bergen waar Jacks firma een goudmijn aan het ontginnen was. Er waren geen wegen. Mensen, uitrusting en voedsel werden door de lucht aangevoerd. Dit was de meest geïsoleerde plek waar ik ooit had gewoond. Opnieuw vroeg ik me af: Waar vind ik mensen met wie ik kan praten?

De mensen in ons kamp kenden mij van vorige projecten en niemand wilde luisteren. Maar omstreeks die tijd opende de firma een kruidenierswinkel. Vrouwen uit afgelegen plaatsen kwamen er boodschappen doen. Al gauw werd ik een zeer vaste klant. Werkte dat?

Op een dag knoopte ik een gesprek aan met een Papoeavrouw. Zij vertelde me dat zij onderwijzeres was. „O, ik ben ook onderwijzeres”, zei ik.

„Echt waar?”, vroeg zij.

„Ja, ik geef bijbellessen.” Zij ging onmiddellijk in op mijn aanbod om de bijbel met haar te bestuderen. Later stemden meer klanten van de kruidenierswinkel erin toe hetzelfde te doen. Die kolonie bij de goudmijn leverde zeven bijbelstudies op — beslist een geestelijke goudmijn!

Nadat wij drie jaar op dit eiland in de Grote Oceaan hadden doorgebracht, deed een nieuwe baan ons op het Caribische eiland Grenada belanden. Maar na anderhalf jaar moest mijn man om gezondheidsredenen naar de Verenigde Staten terug en zo vestigden wij ons in 1986 in Boise (Idaho).

Met een gemeente samenwerken

Na al die jaren geïsoleerd van mijn christelijke broeders en zusters geleefd te hebben, moest ik nu leren met anderen samen te werken. De christelijke ouderlingen en anderen hebben mij echter geduldig geholpen. Nu vind ik het heerlijk in dit deel van de wereld vergaderingen bij te wonen en bijbelstudies te leiden.

Soms echter, als ik in een stil hoekje zit uit te rusten en mezelf weer achter Eva aan zie hollen in het drukke Bangkok, of mezelf onder het lopen op die woestijnweg in Australië het Koninkrijkslied uit volle borst zie zingen, of mezelf zie prediken onder die nederige Indianen in het regenwoud van Suriname, dan glimlach ik en vullen mijn ogen zich met tranen van dankbaarheid voor de zorg die ik ervaren heb in de vele jaren dat ik Jehovah in mijn isolement heb gediend. — Verteld door Josefa ’Pepita’ Abernathy.

[Illustratie op blz. 15]

Zingend met mijn Spaanse bijbelstudies in Melbourne

[Illustraties op blz. 16]

In Papoea Nieuw-Guinea heb ik velen geholpen Jehovah te leren kennen

Gods Woord onderwijzend in Suriname

[Illustratie op blz. 17]

Ik ben nu verbonden met een gemeente in Idaho

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen