De waarheid heeft mij vrijgemaakt
MIJN vader stierf toen ik zeven was en mijn arme moeder moest alleen zes kinderen grootbrengen. Wij groeiden op in de stad Johannesburg (Zuid-Afrika). In mijn jeugd genoot ik geen omgang met anderen. Ik was namelijk beschroomd om te praten omdat ik zo stotterde.
Maar deze handicap hielp mij om andere bekwaamheden te ontwikkelen. Op school was ik met het schrijven van opstellen vaak de beste van de klas. Soms lazen de onderwijzers mijn opstellen zelfs aan andere klassen voor. Ook leed mijn vermogen om te zingen niet onder het stotteren. Thuis bracht ik het grootste deel van mijn vrije tijd op mijn slaapkamer door met gitaarspelen en zingen.
Ten slotte werd de muziek mijn enige echte interesse. Ik wilde heel graag in een rockband spelen en daar leed mijn schoolwerk onder. Ja, ik ging van school af zonder mijn basisopleiding af te maken. Ik vormde een band en wij speelden haast elk weekend op verschillende plaatsen in en om Johannesburg. Al gauw had ik lang haar en ik begon mij aan alcohol te buiten te gaan.
Ik herinner mij dat wij enkele weken achtereen in een nachtclub in Johannesburg speelden. Een van de medewerkers, zo te zien een mooie vrouw, kreeg een oogje op mij en trakteerde mij op drankjes. Wat walgde ik toen ik ontdekte dat het een man was die zich als vrouw kleedde! Ja, het was een nachtclub voor homoseksuelen. De enige manier waarop wij de werktijden bij deze nachtclub, van negen uur ’s avonds tot vijf uur in de ochtend, zes avonden per week, vol konden houden, was door hallucinogene middelen te gebruiken.
Toen ik vijf jaar in een band had gespeeld, gebeurde er iets waardoor ik serieus over religie begon na te denken. Een katholieke priester nodigde onze band uit om in zijn kerkgebouw voor een jongerenorganisatie te spelen. Er waren ruim 500 tieners aanwezig en de katholieke priester was de kassier. Wij speelden nogal heftige muziek en veel van de jongeren waren onder invloed van alcohol. Maar mijn aandacht werd getrokken door een andere groep jongeren. Zij zaten in kringen op de dansvloer en de drugs gingen van hand tot hand. Ik ging mij afvragen of God werkelijk bestond.
Bestaat er een God?
Op mijn speurtocht ging ik naar de zevendedagadventisten, methodisten, katholieken en andere kerken. Maar ik vond dat ze niets te bieden hadden en bleef er al gauw weg. Mijn gevoel van desillusie werd versterkt door wat er op een zondagavond in een disco gebeurde. De lichten waren gedimd en de muziek stond hard en ik kreeg de barkeeper, die de plaatselijke katholieke priester was, in het oog. Hij droeg een spijkerbroek, een vest zonder overhemd en een groot crucifix om zijn nek. Wij vonden dat hij niets beter was dan wij en noemden hem de hippypriester.
Ik kreeg belangstelling voor het boeddhisme en kocht een klein boeddhabeeld, dat ik op mijn kamer naast mijn bed zette. Elke dag knielde ik ervoor neer en zei: „O Boeddha, help me alstublieft.” Ik geloofde ook dat mensen een astrale ziel hebben die door een zilveren koord met het lichaam verbonden is en waarmee iemand door het universum zou kunnen reizen waarheen hij maar wilde.
Dit onjuiste geloof in de onsterfelijkheid van de ziel beïnvloedde onze muziek. (Vergelijk Prediker 9:5, 10 en Ezechiël 18:4.) Onder invloed van drugs begon ik liedjes te schrijven. De band leerde mijn muziek spelen en wij lieten er een professionele opname van maken. De opname duurde twee uur en de liedjes waren opgebouwd rond het thema ’het leven van een astrale reiziger’. Een van de liedjes ging over Satan; het propageerde de lasterlijke gedachte dat de Duivel machtiger is dan God.
Mijn bezetenheid van het occulte en de afhankelijkheid van hallucinogene middelen berokkenden mij werkelijk schade. Ik werd ’s nachts wakker en zag dan duistere figuren door mijn kamer spoken. Op een nacht werd ik zo bang dat mijn armen krachteloos werden en ik mij nauwelijks kon bewegen toen een angstaanjagend voorwerp mijn kant op kwam. Bij een andere gelegenheid lag ik op bed toen er plotseling vreemde voorwerpen in de kamer verschenen. Ik ging wensen dat ik mij van deze slavernij los kon maken.
Een dag die mijn leven veranderde
Inmiddels waren mijn broer Charles en zijn vrouw Lorraine Jehovah’s Getuigen geworden. Het gebeurde op zaterdagmorgen vaak dat ik met een kater wakker werd en een papiertje naast mijn bed vond. Daarop had Charles een paar bijbelteksten geschreven die betrekking hadden op mijn eigenzinnige levensstijl.
Toen nodigden Charles en Lorraine mij op een zondag uit om met hen te gaan kijken naar een bijbels drama dat door Jehovah’s Getuigen op hun jaarlijkse districtscongres in Pretoria werd opgevoerd. Ik was nieuwsgierig naar het drama en besloot mee te gaan. Wat was ik aangenaam verrast zo’n grote menigte reine mensen te zien! Ik genoot van de dag, hoewel negentig procent van wat ik hoorde langs mij heen ging. Toen Charles mij aan zijn vrienden voorstelde, was ik onder de indruk van de hartelijke manier waarop zij mij begroetten, terwijl ik toch lang haar had en geen gepaste kleding voor die gelegenheid droeg. Er werden regelingen getroffen dat een Getuige met mij de bijbel zou bestuderen.
De week daarop ging ik, in plaats van met de band te repeteren, naar de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen in hun Koninkrijkszaal. Aan het eind van de week had ik besloten de band te verlaten en mijn muziekuitrusting te verkopen. Nadat de band uit elkaar was, kwamen wij overeen dat ik de moederband van onze opnamen zou houden omdat ik alle teksten had geschreven en ook de muziek had gecomponeerd. Ik kon de verleiding niet weerstaan om hem te houden. Ik hield ook mijn akoestische gitaar en bleef de occulte muziek spelen die ik onder invloed van drugs had gecomponeerd.
Naarmate ik de bijbel verder bestudeerde en christelijke vergaderingen bezocht, nam mijn begrip van Gods vereisten geleidelijk aan toe. Ik besefte al gauw dat ik, om God te behagen, als een van Jehovah’s Getuigen zou moeten deelnemen aan de christelijke vergaderingen en aan de verbreiding van huis tot huis van het goede nieuws (Handelingen 5:42; Romeinen 10:10). De gedachte hieraan deed mij huiveren. Ik stotterde zo erg dat ik introvert was geworden en het gewoonlijk aan anderen overliet om voor mij te spreken.
Stotteren weerhield mij niet
Wanneer ik op de vergaderingen was, zei ik bij mijzelf: ’Als ik toch eens net als de anderen antwoord kon geven.’ Uiteindelijk deed ik dat, maar wat kostte het mij een moeite om die paar woorden eruit te krijgen! Toen de vergadering was afgelopen, kwamen velen naar mij toe en prezen mij. Daardoor voelde ik mij net een voetballer die zojuist een doelpunt heeft gemaakt. Ik begon de oprechte liefde te voelen die het kenmerk is van het ware christendom. — Johannes 13:35.
Mijn volgende hindernis kwam toen ik mij liet inschrijven op de theocratische bedieningsschool en voor een klein publiek een gedeelte uit de bijbel moest voorlezen. Ik stotterde zo erg dat het mij niet lukte het toegewezen materiaal binnen de toegestane tijd uit te lezen. Na de vergadering gaf de schoolopziener mij vriendelijk praktische raad. Hij deed de suggestie dat ik zou oefenen door voor mijzelf hardop te lezen. Dat deed ik, en elke dag besteedde ik tijd aan het hardop lezen van mijn bijbel en het tijdschrift De Wachttoren. Het zelfvertrouwen dat ik door de theocratische bedieningsschool kreeg, hielp mij de uitdaging te aanvaarden om in de van-huis-tot-huisbediening bij vreemden aan te bellen. In oktober 1973 werd ik als symbool van mijn opdracht aan Jehovah God gedoopt.
Definitief gekapt
Ik was echter nog een nieuwe, onrijpe christen. Zo had ik de gewoonte om als ik op een koude zondag aan de van-huis-tot-huisprediking had deelgenomen, in mijn auto te stappen en de ramen te sluiten. Terwijl ik mij koesterde in de warmte van de zon luisterde ik dan naar een van de moederband gemaakte cassetteopname van mijn muziek. In die periode kreeg ik ook verkering met een fijne jonge vrouw, Debbie, die op volle-tijdbasis aan het getuigeniswerk deelnam. Op een keer kwam Debbie naar de auto toe terwijl ik naar die cassetteband zat te luisteren, en vlug zette ik de band af. Diep in mijn hart besefte ik dat deze muziek niet geschikt was voor een christen.
Kort nadat Debbie en ik trouwden, begonnen wij problemen te krijgen. Vaak werd ik midden in de nacht zwetend en trillend wakker. Ik had angstaanjagende nachtmerries waarin ik door rivieren van bloed waadde terwijl ik door demonen achternagezeten werd. Mijn arme vrouw maakte door deze demonenaanvallen maandenlang een moeilijke tijd door. Hoewel Debbie niet volledig op de hoogte was van de inhoud van mijn muziek, vermoedde zij wel dat die een slechte invloed op mij had en maakte zij die mening kenbaar. Maar ik hield koppig vol: „Die band zal ik altijd bewaren als aandenken.”
Wij kibbelden ook over een heleboel andere dingen, wat er dikwijls op uit liep dat ik tegen haar ging schreeuwen. Omdat wij zo vaak ruzie hadden, benaderde Debbie wijselijk de gemeenteouderlingen voor hulp. Af en toe bezocht een ouderling ons om te proberen ons te helpen, maar zodra de ouderling was vertrokken, werd ik weer boos op Debbie. Te trots om toe te geven dat wij hulp nodig hadden, zei ik dan: „Je hebt het recht niet om naar de ouderlingen te gaan en met hen te praten. Dat is mijn verantwoordelijkheid. Ik ben het hoofd van het gezin.” Ja, ik had een onevenwichtige kijk op het gezagsbeginsel. Daarna begon ik te mokken en sprak dagenlang niet met haar. Nu besef ik dat zij slechts probeerde haar man en haar huwelijk te redden.
Op een avond sprak Debbie met een van de ouderlingen over mijn gitaarspel en het soort muziek waarnaar ik luisterde. Naar aanleiding daarvan kwam er een ouderling langs, die een lang gesprek met mij had. Ik weet nog dat hij mij vroeg: „Heb je iets in huis dat misschien de oorzaak van je problemen zou kunnen zijn?” Eindelijk kwam ik los en vertelde hem over de bandopname, en ik gaf toe dat mijn geweten erdoor werd gekweld. — 1 Timotheüs 1:5, 19.
Diezelfde avond, nadat de ouderling was vertrokken, besloot ik de band weg te doen. Debbie en ik namen hem mee naar de achtertuin en probeerden hem te verbranden, maar hij wilde geen vlam vatten. Daarom begroeven wij hem in een gat in de grond. Ik verkocht ook mijn gitaar. Ik dacht bij mijzelf: ’Als ik met ontaarde muziek ga kappen, dan moet ik dat volledig doen.’ En het wonderlijke was dat ik geen nachtmerries meer had. Sindsdien ging het met ons huwelijk geleidelijk aan beter.
De uitdaging van het spreken in het openbaar
Hoewel ik door de theocratische bedieningsschool meer zelfvertrouwen had gekregen, stotterde ik nog steeds erg. Ik verlangde ernaar op de vergadering een lezing te kunnen houden zonder te stotteren. Debbie deed mij zachtaardig het idee aan de hand naar een logopedist te gaan. Ik stemde daarin toe en zo’n vier maanden lang kreeg ik eens per week professionele hulp. Door het toepassen van de therapie en van de goede raad van Jehovah’s organisatie is het mij gelukt vorderingen te maken in het spreken in het openbaar.
In 1976 had ik het voorrecht in onze gemeente aangesteld te worden als ouderling. Twee maanden later hield ik mijn eerste openbare lezing van 45 minuten. Een paar jaar later had ik het voorrecht voor het eerst een lezing op een kringvergadering te houden. Mettertijd kreeg ik voor bijna elke kringvergadering een lezing toegewezen. In december 1990 bereikte ik het hoogtepunt in mijn ervaringen als openbare spreker. Ik had het voorrecht tijdens het Engelse programma van het „Zuivere taal”-districtscongres van Jehovah’s Getuigen in Johannesburg voor een publiek van meer dan vierduizend personen een lezing van 20 minuten over het christelijke gezinsleven te houden.
Ik moet aan mijn stotterprobleem blijven werken. Als ik dat niet doe, kan het terugkomen, en als ik eenmaal weer begin te stotteren, valt het me moeilijk het onder controle te krijgen. Soms heb ik er nog wel problemen mee, maar me op Jehovah verlaten helpt werkelijk. Iedere keer dat ik naar het podium loop om een lezing te houden, bid ik of Jehovah mij wil helpen kalm te zijn en de inlichtingen goed te brengen. Ik kan echter ook zeggen dat ik nog nooit heb vergeten Jehovah na een lezing nederig te danken, want met zijn hulp ben ik ertoe in staat geweest.
Debbie en ik zijn ook gezegend met twee lieve kinderen, Pendray, die vijftien is, en Kyle van elf. Als gezin putten wij veel vreugde uit de van-huis-tot-huisbediening. Het enthousiasme dat Pendray en Kyle voor dit werk tonen, is een ware aanmoediging voor Debbie en mij.
Wanneer ik op mijn leven terugkijk, voel ik zowel vreugde als spijt. Spijt wegens de slechte invloed die mijn muziek op anderen heeft gehad, maar vreugde omdat ik de waarheid heb gevonden, gestopt ben met het spelen van ontaardende muziek en erin geslaagd ben mijn stotterprobleem te overwinnen. Vaak denk ik aan Jezus’ woorden tot zijn discipelen: „Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (Johannes 8:32). Door Jehovah’s onverdiende goedheid heb ook ik dat geluk mogen smaken. — Verteld door William Jordaan.
[Illustraties op blz. 26]
Debbie en William Jordaan nu
Ik moet hard aan mijn stotterprobleem blijven werken