Wij maakten India tot ons thuis
ZO ELEGANT mogelijk lieten mijn zus Leona en ik ons op de grond zakken en probeerden een beetje gemakkelijk te zitten. Er werden twee glanzende bananebladeren vóór ons op de grond gelegd, bedekt met dampende rijst en allerlei kerriegerechten, chutneys en zoetigheden. Wij, twee meisjes, waren uitgenodigd voor een trouwreceptie terwijl wij nog geen week in India waren.
Wij keken naar de mensen die uit deze streek kwamen en begonnen, net als de anderen, het voedsel met onze rechterhand op te pakken en het met onze vingers te eten. Het was een hete, vochtige dag, en terwijl wij onder het afdak voor de receptie zaten en de scherpgekruide kerriegerechten aten, stroomde het zweet letterlijk langs ons gezicht. Door het chilipoeder ging onze neus lopen. Wij moeten er beslist interessant hebben uitgezien! Maar het was een voorval dat wij nooit zullen vergeten, dat deel van onze kennismaking met India 38 jaar geleden.
Sindsdien hebben wij India en veel van de inwoners goed leren kennen bij ons streven dit land tot ons thuis te maken. Vanwaar dat streven? Niet omdat wij zo avontuurlijk van aard waren, maar omdat wij een specifiek doel hadden. Laten wij echter eerst eens uitleggen hoe wij in India terechtkwamen en wat ons heeft geholpen om ons aan te passen.
Jeugdjaren in Canada
Wij zijn in Canada geboren, in de kleine agrarische gemeenschap Humboldt (Saskatchewan). Toen in de jaren ’30 de crisis begon, zei Vader dat wij niet langer op school konden blijven en moesten gaan werken om financieel bij te springen. Wij huilden dikke tranen. Wij hadden naar de middelbare school gewild, maar de economische noden wogen zwaarder.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging mijn zus Leona bij de Canadese Luchtmacht, terwijl ik thuis bleef en werkte. Ik ging regelmatig naar de Katholieke Kerk en zong in het koor. Maar toen er op een dag mensen van de Pinkstergemeente langs kwamen, gaven zij mij een bijbel en die nam ik mee naar het koor. Ik las erin als wij niet zongen. Dit werd aan de pastoor verteld, die daarop naar ons huis kwam. Hij zei dat er een slechte invloed van mij uitging en ik niet meer in het koor mocht zingen. In feite zei hij dat ik geëxcommuniceerd zou moeten worden. Daarna ben ik niet meer naar de kerk gegaan.
Ondertussen kregen wij regelmatig bezoek van Jehovah’s Getuigen, die verschillende op de bijbel gebaseerde publikaties bij ons achterlieten. Uiteindelijk ging ik met de Getuigen studeren. Toen Leona met verlof thuiskwam, vertelde ik haar wat ik had geleerd. Als ik studie kreeg, kwam zij erbij zitten, en wat zij leerde beviel haar. Terug in Ottawa zette zij de studie met plaatselijke Getuigen voort, totdat zij in 1945 uit de dienst kwam. Zij en ik behoorden tot de 2602 dopelingen op het in 1946 door Jehovah’s Getuigen gehouden Theocratische Congres der Verheugde Natiën in Cleveland (Ohio).
Ons levensdoel komt vast te staan
In 1949 verhuisden Leona en ik naar Calgary (Alberta), waar wij veel volle-tijdbedienaren, pioniers genoemd, ontmoetten, die ons aanmoedigden om te gaan pionieren. Aanvankelijk aarzelden wij. Wij meenden dat wij eerst moesten zien wat geld op de bank te krijgen. Maar de reizende opziener van Jehovah’s Getuigen in dat gebied moedigde ons aan, zodat wij begonnen te pionieren zonder bankrekening. Wij aanvaardden de uitnodiging om in de provincie Quebec te pionieren, waar de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in die tijd verboden waren.
Wij hadden geen geld voor treinkaartjes, dus liftten Leona en ik, samen met nog twee meisjes, dwars door Canada naar Montreal (Quebec). Korte tijd later waren wij in de gelegenheid om een graduatie van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten bij te wonen. Het was opwindend om zo veel jonge mannen en vrouwen te zien die bereid waren een zendingstoewijzing in een vreemd land te aanvaarden. Onmiddellijk dienden wij onze aanvraag in voor het doorlopen van deze school.
Nooit hadden wij kunnen dromen dat wij een oproep zouden ontvangen, en het was dus een echte verrassing toen wij uitgenodigd werden voor de twintigste klas, die in het najaar van 1952 begon. Ons werd al snel verteld dat India onze toewijzing zou zijn, en van een Indiase klasgenote kregen wij vooraf al wat les in het Malayalam. Ons doel in India zou zijn, zoveel mogelijk oprechte mensen te helpen kennis van de bijbelse waarheid te verkrijgen.
India tot ons thuis gemaakt
Na de graduatie in 1953 vertrokken wij met ons dertienen per schip. Het kostte ons een maand om Bombay te bereiken. Wij waren werkelijk verbaasd bij de aanblik van de mensenmassa’s en bedelaars, maar langzamerhand raakten wij gewend aan deze andere omstandigheden.
Van Bombay gingen wij per trein naar de deelstaat Kerala. Wij werden met ons zevenen aan de stad Trichur toegewezen, waar in die tijd geen gemeente van Jehovah’s Getuigen was. Wij vonden een zendelingenhuis, maar omdat er geen meubilair was, sliepen wij voorlopig op vloermatten. Tot onze dagelijkse taken hoorde het koken van water uit de put zodat het veilig te drinken was en het verwarmen van nog meer water om te baden. Dit werd, samen met het bereiden van onze maaltijden, allemaal op een petroleumstel met één pit gedaan.
Op enige afstand van het huis, en dat in een gebied dat bekendstond om de cobra’s en andere slangen, was het toilet. U kunt u voorstellen hoe wij meisjes dit vonden. Wij werden ook gewaarschuwd voor dunne groene slangen, die soms uit de bomen hingen, klaar om ieder onoplettend slachtoffer dat eronderdoor liep te bijten. Overbodig te zeggen dat wij ons daar ’s nachts zelden buiten waagden. Als wij het wel deden, stampten wij op de grond, zodat wij een heleboel lawaai maakten, en bleven uit de buurt van de bomen. Ja, het was er heel anders. Maar wij hielden ons doel voor ogen en na verloop van tijd raakten wij eraan gewend. Nooit hebben wij overwogen weg te gaan omdat de omstandigheden te moeilijk waren.
De allereerste dag begonnen wij met onze predikingsactiviteit. Onmiddellijk waren wij omringd door massa’s mensen. Hun nieuwsgierigheid bracht ons zo in verwarring, dat wij terugvluchtten naar de veiligheid van het zendelingenhuis. Na een tijdje gingen wij de oprechte belangstelling die de mensen voor anderen hadden echter waarderen.
Nog voordat wij ons bijbelse toespraakje konden houden, werden ons vragen gesteld als: Wie zijn jullie vader en moeder? Waarom zijn jullie hier? Hoe oud zijn jullie? Wie betaalt jullie? Wat voor voedsel eten jullie? Waarom zijn jullie niet getrouwd? Willen jullie geen kinderen? Was hun nieuwsgierigheid eenmaal bevredigd, dan luisterden de mensen gewoonlijk naar onze boodschap. Hoe beter wij de mensen gingen begrijpen, hoe meer wij ons in onze nieuwe omgeving op ons gemak gingen voelen.
Kerala is een prachtige streek, groen en met veel kokos- en andere palmen. Er waren veel open vlakten en het was rustgevend om, op weg naar de huizen, langs de rijstvelden te wandelen. Soms gingen wij met een boot de binnenwateren op om de dorpen te bereiken. De sfeer was heel ontspannen. Ja, de mensen hadden het druk, maar zij namen de tijd om te luisteren.
Er waren ook zendelingen van de christenheid in ons gebied, maar de plaatselijke bevolking begon al snel het verschil te zien tussen ons en hen. Zij hielden zich bezig met allerlei maatschappelijk werk, maar zij gaven werkelijk weinig of geen bijbelonderricht. En in tegenstelling tot hen woonden wij niet in grote bungalows en vluchtten wij niet naar koelere oorden in de heuvels als het erg warm was. Feitelijk bezorgden de zendelingen van de christenheid de christenheid een slechte reputatie.
Wij brachten bijna acht jaar in Kerala door en werden toen overgeplaatst naar Bombay, waar wij nog steeds dienen. De verhuizing naar een grote, overvolle stad vergde natuurlijk ook wat aanpassingen. Maar deze toewijzing heeft ons in contact gebracht met een grote verscheidenheid van Indiase mensen.
Vanaf het begin waren wij in de gelegenheid onze Indiase broeders en zusters goed te leren kennen. Zij waren zeer gastvrij en nodigden ons steeds uit om bij hen te logeren. Hun huizen waren gewoonlijk erg klein, en de privacy waaraan wij gewend waren, ontbrak hier. Wij sliepen soms in de enige slaapkamer — met grootvader in een hoek aan de andere kant en een aantal kinderen op de grond om ons heen. Maar de liefde die ons werd betoond, maakte het ons mogelijk ons aan te passen.
In de loop van de jaren hebben wij geleerd de uitdrukking „thuis” nooit te gebruiken voor de plaats waar wij oorspronkelijk vandaan komen. Ons thuis is veeleer daar waar onze toewijzing is. In plaats van de nadruk te leggen op de verschillen, hebben wij geleerd om in onze smaak en de manier waarop wij dingen doen meer op de mensen om ons heen te gaan lijken.
Onlangs zijn wij van Bombay weer eens naar onze eerste toewijzing in Kerala gegaan. Was het er veranderd? Nu, toen wij de eerste keer in Kerala arriveerden, waren er nog geen 300 Getuigen in de hele deelstaat, maar nu waren er meer dan 4000 aanwezigen op het districtscongres dat wij bijwoonden. Wat een vreugde te zien dat sommigen met wie wij dertig jaar daarvoor de bijbel hadden bestudeerd, Jehovah nog steeds getrouw dienen!
Toen wij onze zendingsdienst in 1953 begonnen, lieten wij veel mensen die ons dierbaar waren in Canada achter. Maar precies zoals Jezus zei, kregen wij snel heel veel vaders en moeders en zusters en broers (Markus 10:28-30). En doordat wij met schapen te vergelijken personen hielpen de waarheid uit Gods Woord te leren kennen, zijn wij ook gezegend met geestelijke kinderen. Dat wij ons doel nooit uit het oog hebben verloren, is beslist rijk beloond. Wij kijken dan ook zonder spijt terug, heel blij dat wij India tot ons thuis hebben gemaakt! — Verteld door Tillie Lachmuth.
[Illustraties op blz. 18]
Een kanaal in Kerala
Rubber maken
[Illustratie van Tillie en Leona Lachmuth]