Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Hoewel hij jong was, gaven zijn woorden tot Job en diens metgezellen blijk van wijsheid (Job 32:1-10)
4. Nimrod was er een, een geweldig . . . (Genesis 10:9)
7. Astrologen (wijzen) vonden Jezus in een . . ., niet een kribbe (Mattheüs 2:7-12)
8. Assyrische titel (2 Koningen 18:17–19:7)
10. Eerste maand van de joodse godsdienstige kalender (Esther 3:7)
12. Ook van deze regen, de . . ., is de boer afhankelijk (Jakobus 5:7)
13. Leider van een groep terugkerende ballingen (Ezra 7:11–8:32)
14. Evenzeer een deel van het lichaam (1 Korinthiërs 12:16)
15. Om te laten zien dat de hogepriester in Jehovah’s weg zou wandelen, deed men bloed op de grote . . . van zijn rechtervoet (Leviticus 8:22-24)
18. Jehu bestreed de aanbidding van . . . (2 Koningen 10:18-28)
20. Dit . . . bestaat uit drie zessen (Openbaring 13:18)
21. De maand van het poerimfeest (Esther 9:1)
22. ’Ken God en . . . hem met een onverdeeld hart’ (1 Kronieken 28:9)
23. Het opgaan ervan bracht verzengende hitte (Jakobus 1:11)
25. Uitnodiging aan een ieder die wil: hij . . . het water des levens om niet (Openbaring 22:17)
26. Vlakte waar een beeld werd opgericht (Daniël 3:1)
28. Rond dit uur is de dag reeds vergevorderd (Mattheüs 20:6)
31. Deel van het Beloofde Land (Deuteronomium 1:7)
34. Wat Jehovah toekomt (Psalm 92:1)
35. Dienstmeisje (Handelingen 12:13)
36. Stad waar vrij veel discipelen werden gemaakt (Handelingen 14:20, 21)
Verticaal
1. Voorvader van Jezus (Lukas 3:25)
2. Een van de door de Assyriërs ingenomen steden (2 Koningen 18:34)
3. Tijdeenheid om de dag mee in te delen (Mattheüs 20:5)
4. Jehovah’s knecht, ’onberispelijk en oprecht als niemand op aarde’ (Job 2:3)
5. Zo komt het licht weer te voorschijn als de wind de wolken heeft weggeveegd (Job 37:21)
6. Klein maar effectief onderdeel van schip (Jakobus 3:4)
7. Naam van zowel een persoon als een stad (Genesis 11:26-31)
9. Talmen (Deuteronomium 7:10)
10. In een bepaalde periode gedurende de scheppings-„dagen” werd hierdoor de aardbodem gedrenkt (Genesis 2:5, 6)
11. Verwant van Saul (1 Samuël 14:50)
14. Engelen treden als zodanig op (Mattheüs 13:39)
16. Nakomeling van koning David (Lukas 3:27)
17. Zoon van Boaz, die uit Ruth werd geboren (Lukas 3:32)
19. Azarja (Daniël 1:7)
21. Eigendom van Jehovah (Psalm 24:1)
23. Beeld voor de van God vervreemde mensenmassa’s (Jesaja 57:20)
24. Onbebouwd (Exodus 23:11)
27. Voorvader van Jezus’ adoptiefvader Jozef (Mattheüs 1:13)
29. Geheel van onderwijzingen (2 Timotheüs 4:3)
30. Levenloze (Mattheüs 24:28)
32. U toebehorende (Hosea 1:9)
33. Periode (Openbaring 12:14)
Oplossing op blz. 25
Oplossing horizontaal
1. ELIHU
4. JAGER
7. HUIS
8. RABSAKE
10. NISAN
12. LATE
13. EZRA
14. OOR
15. TEEN
18. BAÄL
20. GETAL
21. ADAR
22. DIEN
23. ZON
25. NEME
26. DURA
28. ELFDE
31. ZEEKUST
34. DANK
35. RHODE
36. DERBE
Oplossing verticaal
1. ESLI
2. IVVA
3. UUR
4. JOB
5. GLANZEND
6. ROER
7. HARAN
9. AARZELEN
10. NEVEL
11. NER
14. OOGSTERS
16. NERI
17. OBED
19. ABEDNEGO
21. AARDE
23. ZEE
24. BRAAK
27. AZOR
29. LEER
30. DODE
32. UWE
33. TIJD