Menselijk bestuur op de weegschaal
Deel 4: „Wij, het volk”
Democratie: Regering van het volk, hetzij rechtstreeks of via gekozen vertegenwoordigers uitgeoefend.
„WIJ, HET VOLK van de Verenigde Staten . . . voeren deze constitutie in en bekrachtigen ze.” Deze openingswoorden van de inleiding tot de Amerikaanse constitutie zijn passend, daar de grondleggers van de Verenigde Staten een democratie voor ogen stond. „Democratie” is een woord van Griekse origine en betekent „heerschappij van het volk” of, zoals Abraham Lincoln, de 16de president van de Verenigde Staten, het definieerde: „een regering van het volk, door het volk, voor het volk.”
Het oude Griekenland, vaak de bakermat of de wieg van de democratie genoemd, beroemt zich erop dat in de Griekse stadstaten, en met name in Athene, reeds in de vijfde eeuw v.G.T. de democratie gold. De democratie was toen echter niet wat ze nu is. Eén punt is dat de Griekse burgers meer rechtstreeks bij het regeerproces betrokken waren. Elke mannelijke burger was lid van een vergadering die het hele jaar bijeenkwam om lopende problemen te bespreken. Bij eenvoudige meerderheid van stemmen bepaalde de vergadering het beleid van de stadstaat of polis.
Vrouwen, slaven en inwonende vreemdelingen waren echter uitgesloten van politieke rechten. De Atheense democratie was dan ook een aristocratische vorm van democratie voor slechts de bevoorrechte weinigen. De helft tot vier vijfde van de bevolking had waarschijnlijk helemaal geen stem in politieke aangelegenheden.
Niettemin was deze regeling wel bevorderlijk voor de vrijheid van meningsuiting, daar stemgerechtigde burgers het recht werd verleend hun mening te uiten voordat er beslissingen werden genomen. Een politiek ambt stond open voor elke mannelijke burger en was niet beperkt tot een elite. Er was een controlesysteem uitgedacht om misbruik van politieke macht door personen of groepen te voorkomen.
„De Atheners zelf waren trots op hun democratie”, zegt de historicus D. B. Heater. „Zij geloofden dat het een stap dichter bij het volle en volmaakte leven was dan de alternatieven monarchie of aristocratie.” De democratie had kennelijk een veelbelovende start gemaakt.
De democratie is haar wieg ontgroeid
Met uitzondering van wat op kleine schaal op de gemeentelijke vergaderingen in het Amerikaanse New England en in beperkte mate in enkele van de kantons van Zwitserland gebeurt, bestaat de rechtstreekse of zuivere democratie niet meer. Gezien de grootte alleen al van de moderne staten en hun miljoenen burgers zou het technisch onmogelijk zijn op die manier te regeren. Trouwens, hoeveel burgers in de drukke wereld van vandaag de dag zouden over de noodzakelijke tijd beschikken om zich aan urenlange politieke debatten te wijden?
De democratie heeft zich ontwikkeld tot een nogal omstreden volwassene — een met verschillende gezichten. Het blad Time legt uit: „Het is onmogelijk de wereld in uitgesproken democratische en niet-democratische blokken te verdelen. Binnen wat men democratieën noemt, bestaan gradaties van persoonlijke vrijheid, pluralisme en mensenrechten, net zoals er binnen dictaturen uiteenlopende maten van onderdrukking bestaan.” Toch verwachten de meeste mensen onder democratische regeringen bepaalde fundamentele dingen aan te treffen, dingen als persoonlijke vrijheid, gelijkheid, respect voor de mensenrechten, en rechtspraak conform de wet.
De rechtstreekse democratie van gisteren is de vertegenwoordigende democratie van vandaag geworden. Wetgevende lichamen, met één of met twee kamers, worden samengesteld uit personen die door het volk zijn gekozen — of anderszins aangewezen — om hen te vertegenwoordigen en wetten op te stellen, naar men zegt in hun belang.
Deze tendens tot een vertegenwoordigende democratie begon in de middeleeuwen. In de 17de en 18de eeuw wonnen uit de 13de eeuw daterende instellingen, zoals de Magna Charta en het Parlement in Engeland, samen met politieke theorieën over de gelijkheid van mensen, natuurlijke rechten en volkssoevereiniteit, aan betekenis.
Tegen de tweede helft van de 18de eeuw had de term „democratie” algemeen ingang gevonden, hoewel men er wat sceptisch tegenover stond. The New Encyclopædia Britannica zegt: „Zelfs de auteurs van de Amerikaanse constitutie van 1787 waren er niet gerust op dat het gros van het volk bij het politieke proces betrokken kon worden. Een van hen, Elbridge Gerry, noemde de democratie ’het ergste van alle politieke kwaden’.” Mannen als de Engelsman John Locke bleven echter aanvoeren dat de regering berust op de instemming van het volk, en dat de natuurlijke rechten van het volk onschendbaar zijn.
Republieken
Veel democratieën zijn republieken, dat wil zeggen regeringen met een ander staatshoofd dan een monarch, nu meestal een president. Een van de eerste republieken ter wereld was het oude Rome, hoewel algemeen wordt erkend dat de Romeinse democratie beperkt was. Toch heeft de ten dele democratische republiek ruim 400 jaar standgehouden voordat ze plaats moest maken voor een monarchie en het Romeinse keizerrijk.
Republieken zijn tegenwoordig de meest gebruikelijke regeringsvorm. Van de 219 regeringen die in een naslagwerk uit 1989 genoemd worden, staan er 127 als republiek vermeld, hoewel het niet allemaal democratieën met een volksvertegenwoordiging zijn. In feite is er onder de republieken een grote variatie aan regeringsvormen.
Sommige republieken zijn unitaire stelsels, wat wil zeggen dat ze door een sterke centrale regering bestuurd worden. Andere zijn federale stelsels, wat inhoudt dat het bewind over twee bestuurlijke niveaus verdeeld is. Zoals de naam te kennen geeft, hebben de Verenigde Staten van Amerika dit laatste soort stelsel, dat men federalisme noemt. De nationale regering behartigt de belangen van de natie in haar geheel, terwijl de regeringen van de deelstaten in plaatselijke behoeften voorzien. Onder deze veelomvattende termen zijn natuurlijk veel variaties begrepen.
In sommige republieken worden vrije verkiezingen gehouden. De burgers kunnen dan vaak een keus maken uit een aantal politieke partijen en kandidaten. Andere republieken vinden vrije verkiezingen onnodig en voeren aan dat de democratische wil van het volk op andere manieren ten uitvoer gelegd kan worden, bijvoorbeeld door de collectieve eigendom van de produktiemiddelen te bevorderen. Het oude Griekenland dient als precedent, want ook daar waren vrije verkiezingen onbekend. Bestuurders werden bij loting gekozen en mochten over het algemeen slechts één of twee termijnen van een jaar dienen. Aristoteles was tegen verkiezingen; hij zei dat daarmee het aristocratische element van uitverkiezing van „de besten” werd ingevoerd. Een democratie werd echter verondersteld een regering van het hele volk te zijn, niet slechts van „de besten”.
Slechts relatief het beste?
Zelfs in het oude Athene waren de meningen over democratisch bestuur verdeeld. Plato stond er sceptisch tegenover. Een democratisch bestuur werd zwak geacht omdat het berustte bij onwetende individuen die licht te beïnvloeden waren door de emotionele uitspraken van mogelijke demagogen. Socrates liet blijken dat voor hem democratie niet meer was dan de heerschappij van het gepeupel. En Aristoteles, de derde van dit prominente drietal Griekse filosofen uit de oudheid, betoogde volgens het boek A History of Political Theory dat „hoe democratischer een democratie wordt, hoe groter de kans is dat ze geregeerd wordt door het gepeupel, . . . en ontaardt in tirannie”.
Ook anderen hebben hun twijfels over de democratie geuit. Jawaharlal Nehru, de vroegere premier van India, noemde democratie goed, maar zei er vervolgens relativerend bij: „Ik zeg dit omdat andere systemen slechter zijn.” En William Ralph Inge, Engels prelaat en auteur, schreef eens: „De democratie is een regeringsvorm die verstandelijk te verdedigen valt, niet als goed, maar als minder slecht dan alle andere.”
De democratie heeft verscheidene zwakke punten. Wil ze slagen, dan zullen allereerst individuen bereid moeten zijn het welzijn van de meerderheid boven hun eigen belangen te laten gaan. Dit zou kunnen betekenen dat er belastingmaatregelen of andere wetten gesteund moeten worden die voor iemand persoonlijk onaangenaam kunnen zijn maar noodzakelijk zijn in het belang van de natie in haar geheel. Een dergelijke onzelfzuchtigheid is moeilijk te vinden, zelfs in democratische „christelijke” landen.
Een ander zwak punt werd door Plato ontdekt. Volgens A History of Political Theory deed hij een aanval op „de onwetendheid en onbekwaamheid van politici, een vloek die in het bijzonder op democratieën rust”. Veel beroepspolitici betreuren het dat het zo moeilijk is bekwame en talentvolle mensen te vinden om in de regering plaats te nemen. Zelfs gekozen functionarissen zijn soms weinig meer dan politieke amateurs. En in dit televisietijdperk kan het knappe uiterlijk of de uitstraling van een kandidaat hem stemmen winnen die hij vanwege zijn bestuurlijke capaciteiten nooit gekregen zou hebben.
Een ander duidelijk nadeel van democratieën is, dat ze traag zijn. Een dictator spreekt en er wordt iets gedaan! De vooruitgang in een democratie kan vertraagd worden door eindeloze debatten. Natuurlijk kan het grondig bespreken van controversiële kwesties uitgesproken voordelen hebben. Maar zoals Clement Attlee, voormalig premier van Groot-Brittannië, eens opmerkte: „Democratie betekent regeren door discussie, maar ze werkt alleen als je mensen kunt laten ophouden met praten.”
Zelfs als het praten gebeurd is, valt nog te bezien in welke mate de genomen beslissingen werkelijk representatief zijn voor wat „het volk” wil. Stemmen de volksvertegenwoordigers voor de opvattingen van de meerderheid van hun kiezers of, vaker, voor die van henzelf? Of keuren zij gewoon zonder na te denken het officiële beleid van hun partij goed?
Het democratische principe van een systeem van controles om corruptie te voorkomen, wordt een goed idee geacht maar is nauwelijks doelmatig. In 1989 sprak het blad Time van „bestuurlijk verval op elk niveau” en noemde een belangrijke democratische regering „een opgeblazen, inefficiënte, machteloze kolos”. De voorzitter van een in het midden van de jaren ’80 in het leven geroepen commissie die een onderzoek moest instellen naar verspillingen bij een andere regering, uitte de klacht: „De manier waarop er geregeerd wordt, is verschrikkelijk.”
Om deze en talrijke andere redenen kunnen democratieën nauwelijks ideale regeringen worden genoemd. Het is zonneklaar dat, zoals de 17de-eeuwse Engelse dichter John Dryden onder de aandacht bracht, „de meerderheid even ernstig kan dwalen als de enkeling”. Henry Miller, een Amerikaanse schrijver, zei het bot maar niettemin correct toen hij spits opmerkte: „De blinden leiden de blinden. Zo gaat het in de democratie.”
Ten ondergang gedoemd?
De democratie heeft in deze eeuw meer bijval gekregen dan ooit. Dit wordt bevestigd door de recente politieke omwentelingen in Oost-Europa. Niettemin „heeft de liberale democratie nu met ernstige moeilijkheden te kampen in de wereld”, schreef de journalist James Reston enkele jaren geleden. Daniel Moynihan waarschuwde dat „de liberale democratie niet veel opgang meer maakt” en dat „de democratieën lijken te verdwijnen”. De Britse historicus Alexander Tyler stelde dat een democratische regering geen eeuwig leven beschoren kan zijn omdat ze „altijd te gronde zal gaan aan een te gemakkelijk weggeven van de staatsinkomsten”. Natuurlijk is zijn mening aanvechtbaar.
In ieder geval is de democratie een duidelijke voortzetting van de tendens die in Eden is begonnen, toen mensen besloten de dingen op hun manier en niet op Gods manier te doen. Ze is qua menselijk bestuur het maximum, daar ze ernaar streeft iedereen, althans in theorie, in het regeerproces te betrekken. Maar het Latijnse gezegde Vox populi, vox Dei, „de stem van het volk is de stem van God”, is niet waar. De voorstanders van een democratisch menselijk bestuur moeten dan ook bereid zijn in de verantwoordelijkheid voor de daden ervan te delen. — Vergelijk 1 Timotheüs 5:22.
Dit feit is sinds 1914 steeds zwaarder gaan wegen. In dat veelbewogen jaar ging de goddelijke heerschappij op een unieke manier functioneren. Gods Messiaanse koninkrijk staat nu klaar om de algehele leiding over de wereldaangelegenheden over te nemen. Alle vormen van menselijk bestuur — ook de democratische — worden op de weegschaal gelegd. In de mate waarin wij persoonlijk er voorstanders van zijn, worden wij meegewogen. — Daniël 2:44; Openbaring 19:11-21.
[Kader op blz. 12]
„Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten.” — Jeremia 10:23
[Kader op blz. 14]
„Soms denkt een mens, dat zijn weg recht is, maar tenslotte leidt die toch naar de dood.” — Spreuken 14:12, „Willibrordvertaling”
[Illustratie op blz. 13]
De voorstanders van een democratisch menselijk bestuur moeten bereid zijn in de verantwoordelijkheid voor de daden ervan te delen
[Illustratieverantwoording op blz. 11]
Foto U.S. National Archives