De Katholieke Kerk in Spanje — Misbruik van de macht
„Hoe groter de macht, des te gevaarlijker het misbruik ervan.” — Edmund Burke.
DE MAN die in het zestiende-eeuwse Europa de grootste macht bezat, was Filips II, de koning van het katholieke Spanje. Zijn reusachtige rijk, „waarin de zon nooit onderging”, strekte zich uit van Mexico tot de Filippijnen en van de Nederlanden tot Kaap de Goede Hoop.
Zijn ambities waren echter veeleer van religieuze dan van politieke aard, namelijk de verdediging van het katholicisme in Europa en de verbreiding van het geloof in zijn hele rijk. Hij was opgevoed door priesters en was ervan overtuigd dat de Katholieke Kerk het fundamentele bolwerk van zijn monarchie en van de beschaving op zich was. Bovenal was hij een kind van de kerk.
Om de katholieke zaak te bevorderen, gaf hij zijn zegen aan de wrede methoden van de inquisitie; hij bevocht de protestanten in de Nederlanden en de Turkse „heidenen” in het Middellandse-Zeegebied; met tegenzin trad hij in het huwelijk met Maria Tudor, een ziekelijke Engelse koningin, in een vruchteloze poging haar een katholieke erfgenaam te verschaffen; later stuurde hij de „onoverwinnelijke” maar onfortuinlijke Armada om Engeland te ontworstelen aan het protestantse kamp; en bij zijn dood liet hij zijn land bankroet achter — ondanks de enorme toevloed van goud uit de kolonies.
De inquisitie — Drie eeuwen onderdrukking
Na de koning was de inquisiteur-generaal de machtigste man in Spanje. Het was zijn taak het Spaanse katholicisme onbesmet en orthodox te houden. De onorthodoxen hielden hun mening voor zich of gingen in ballingschap, tenzij de handlangers van de inquisitie hen eerder opgespoord hadden. Iedereen, mogelijk met uitzondering van de koning, was onderhevig aan de macht en het machtsmisbruik van de inquisitie — zelfs de katholieke hiërarchie stond niet boven verdenking.
De aartsbisschop van Toledo zat zeven jaar gevangen op grond van een nauwelijks bewezen beschuldiging, ondanks herhaalde protesten van pauselijke zijde. Niemand in Spanje durfde voor hem op te komen. Men redeneerde dat ’het beter is dat een onschuldige wordt veroordeeld dan dat de inquisitie te schande wordt gemaakt’.
De inquisitie vergezelde de conquistadores naar de Spaanse kolonies in Amerika. In 1539, slechts enkele jaren na de verovering van Mexico, werd het Aztekenhoofd Ometochtzin beschuldigd van afgoderij, op het getuigenis van zijn eigen tienjarige zoon. Ondanks zijn pleidooi voor vrijheid van geweten werd hij ter dood veroordeeld. In de kolonies werd, evenals in Spanje, de bijbel in de volkstaal verboden. Jerónimo López schreef in 1541: „Het is een bijzonder gevaarlijke dwaling de Indianen te onderwijzen in de wetenschap, en het is nog gevaarlijker hun de bijbel . . . in handen te geven. . . . Veel mensen in ons Spanje zijn op die manier verloren gegaan.”
Drie eeuwen heeft de inquisitie angstvallig over Spanje en het rijk gewaakt, totdat uiteindelijk het geld en de slachtoffers op raakten. En zonder slachtoffers, die verplicht waren zware geldboeten te betalen, kwam de hele machinerie tot stilstand.a
Winden van verandering
Na het ter ziele gaan van de inquisitie gaf het negentiende-eeuwse Spanje een groei van het liberalisme en een geleidelijke achteruitgang van de katholieke macht te zien. Kerkelijke landerijen, die tot dusver een derde van alle in cultuur gebrachte grond hadden uitgemaakt, werden door achtereenvolgende regeringen verbeurd verklaard. In de jaren dertig van deze eeuw verklaarde de socialistische premier Azaña: „Spanje is niet langer katholiek”, en zijn regering handelde dienovereenkomstig.
Er kwam een volkomen scheiding tussen Kerk en Staat en de toelagen voor de geestelijkheid werden afgeschaft. Het onderwijs moest niet-religieus zijn en zelfs het burgerlijk huwelijk en de echtscheiding werden ingevoerd. Kardinaal Segura betreurde deze ’zware slag’ en vreesde voor de overleving van de natie. Het leek erop dat het katholicisme een onvermijdelijke neergang te wachten stond toen, in 1936, een militaire opstand de natie op haar grondvesten deed schudden.
De burgeroorlog — Een wrede kruistocht
De generaals die de coup leidden, werden gedreven door politieke motieven, maar al gauw kreeg het conflict een religieuze ondertoon. Binnen enkele weken na de opstand bleek de kerk, die reeds aan macht had ingeboet door recent afgekondigde wetten, plotseling het doelwit van wijdverbreide en gewelddadige aanvallen.b Duizenden priesters en monniken werden vermoord door fanatieke tegenstanders van de militaire coup, die de Spaanse kerk gelijkstelden met een dictatuur. Kerken en kloosters werden geplunderd en verbrand. In sommige delen van Spanje was het dragen van een priestertoga al genoeg om ter dood veroordeeld te worden. Het was alsof het monster van de inquisitie teruggekeerd was uit het graf om zijn eigen makers te verslinden.
Geconfronteerd met deze bedreiging wendde de Spaanse kerk zich nogmaals tot de wereldlijke machten — in dit geval de militairen — om haar zaak te bepleiten en de natie terug te brengen tot de katholieke orthodoxie. Maar eerst moest de burgeroorlog worden uitgeroepen tot een „heilige oorlog”, een „kruistocht” ter verdediging van het christendom.
Kardinaal Gomá, aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje, schreef: „Is de oorlog in Spanje een burgeroorlog? Nee. Het is de strijd van degenen zonder God . . . tegen het ware Spanje, tegen het katholieke geloof.” Hij noemde generaal Franco, de aanvoerder van de opstandelingen, het „instrument voor Gods plannen op aarde”. Andere Spaanse bisschoppen lieten zich in dezelfde geest uit.
Natuurlijk lag het in werkelijkheid niet zo eenvoudig. Velen die de republikeinse zijde van het conflict hadden gekozen, waren ook oprechte katholieken, vooral in Baskenland, een van oudsher katholiek bolwerk. Zo bleken in de burgeroorlog katholieken tegen katholieken te vechten — allemaal ter wille van het Spaanse katholicisme, volgens de definitie althans die de bisschoppen van het conflict gaven.c
Toen Franco’s strijdkrachten ten slotte de Baskische provincies onder de voet liepen, werden veertien priesters geëxecuteerd en vele meer gevangengezet. De Franse filosoof Jacques Maritain, die schreef over de tegen de Baskische katholieken begane wreedheden, merkte op dat „de Heilige Oorlog een vuriger haat heeft voor de gelovigen die hem niet dienen dan voor de ongelovigen”.
Na drie jaar van wederzijdse wreedheden en bloedvergieten kwam er een einde aan de burgeroorlog, met een overwinning voor Franco’s strijdkrachten. Er zijn 600.000 tot 800.000 Spanjaarden om het leven gekomen, velen van hen door de brute represailles van de zegevierende legers.d Onaangedaan beweerde kardinaal Gomá in een herderlijk schrijven: „Niemand kan ontkennen dat de macht die deze oorlog tot een einde heeft gebracht, God zelf is geweest, zijn godsdienst, zijn verordeningen, zijn wet, zijn bestaan en zijn steeds terugkerende invloed in onze geschiedenis.”
Van de invoering van de inquisitie in de vijftiende eeuw tot de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) hadden Kerk en Staat, een enkele uitzondering daargelaten, gemene zaak gemaakt. Ongetwijfeld waren hun wederzijdse belangen door deze onheilige verbintenis gediend. Niettemin hadden vijf eeuwen wereldlijke macht — en de daarmee gepaard gaande misbruiken — het geestelijk gezag van de kerk ernstig ondermijnd, zoals uit ons volgende artikel zal blijken.
[Voetnoten]
a Het laatste slachtoffer was een onfortuinlijke schoolmeester, die in 1826 in Valencia werd opgehangen omdat hij het zinnetje „Geloofd zij God” in plaats van „Ave Maria” in schoolgebeden gebruikte.
b Volgens een in 1933 door de kanunnik Arboleya uitgebracht kerkelijk verslag beschouwde de arbeider de kerk als een wezenlijk onderdeel van de rijke en bevoorrechte klasse die hem uitbuitte. Arboleya legde uit: „De grote massa ontvluchtte de Kerk omdat ze geloofde dat die hun grootste vijand was.”
c Enkele katholieke priesters vochten zelfs mee in Franco’s legers. De parochiepriester van Zafra in Extremadura was bijzonder berucht om zijn beestachtigheid. Daar staat tegenover dat er ook priesters waren die dapper protesteerden tegen het doden van mensen die ervan verdacht werden met de republikeinen te sympathiseren — en minstens een van hen werd om die reden geëxecuteerd. Kardinaal Vidal y Barraquer, die tijdens het hele conflict probeerde een onpartijdig standpunt in te nemen, werd door Franco’s regering verplicht tot zijn dood in 1943 in ballingschap te blijven.
d Exacte cijfers zijn niet beschikbaar en de berekeningen zijn bij benadering.
[Kader op blz. 8]
De Spaanse Burgeroorlog — Uitspraken van de bisschoppen
Vlak na het uitbreken van de oorlog (1936) beschreef kardinaal Gomá het conflict als een strijd tussen „Spanje en anti-Spanje, godsdienst en atheïsme, christelijke beschaving en barbaarsheid”.
La Guerra de España, 1936-1939, blz. 261.
De bisschop van Cartagena zei: „Gezegend de kanonnen, indien het Evangelie floreert in de bressen die ze schieten.”
La Guerra de España, 1936-1939, blz. 264, 265.
Op 1 juli 1937 lieten de Spaanse bisschoppen een gezamenlijke brief uitgaan waarin het katholieke standpunt inzake de burgeroorlog werd uiteengezet. Er werd onder meer in verklaard:
„In weerwil van haar vredelievende geest zou de kerk . . . niet onverschillig kunnen staan tegenover de strijd. . . . Er was in Spanje geen andere weg om gerechtigheid, vrede en de voordelen die daaruit voortvloeien te herwinnen dan door de Nationale Beweging [Franco’s fascistische strijdkrachten].”
„Wij geloven dat de naam Nationale Beweging passend is, in de eerste plaats wegens de geest ervan, die de denkwijze weerspiegelt van de grote meerderheid van het Spaanse volk, en ze is de enige hoop voor de gehele natie.”
Enciclopedia Espasa-Calpe, supplement 1936-1939, blz. 1553-1555.
Katholieke bisschoppen in andere landen waren er snel bij om hun Spaanse ambtgenoten te steunen. Kardinaal Verdier, aartsbisschop van Parijs, beschreef de burgeroorlog als „een strijd tussen de christelijke beschaving en de . . . beschaving van het atheïsme”, terwijl kardinaal Faulhaber van Duitsland alle Duitsers opriep om te bidden ten behoeve van hen die „de heilige rechten Gods verdedigen, opdat Hij degenen die in [deze] heilige oorlog strijden, de overwinning mag schenken”.
Enciclopedia Espasa-Calpe, supplement 1936-1939, blz. 1556, 1557.
[Illustratie op blz. 7]
Vanuit dit klooster-paleiscomplex San Lorenzo del Escorial regeerde Filips II over zijn rijk, „waarin de zon nooit onderging”