De Katholieke Kerk in Spanje — Vanwaar de crisis?
„Zij zaaien wind, maar storm zullen zij oogsten.” — Hosea 8:7, „Willibrordvertaling”.
OP DE 20ste mei 1939 overhandigde generaal Franco in de kerk van Santa Bárbara in Madrid zijn overwinningszwaard aan aartsbisschop Gomá, primaat van Spanje. Het leger en de kerk vierden samen de zegepraal die door de paus werd beschreven als de „gewenste katholieke overwinning”. De burgeroorlog was voorbij en het leek erop dat er voor het Spaanse katholicisme een nieuwe dageraad zou aanbreken.
De zegevierende kerk kreeg royale staatssubsidies, zeggenschap over het onderwijs en ruime censuurbevoegdheden over alles wat niet bevorderlijk was voor het nationale katholicisme. Maar de geslaagde militaire en religieuze kruistocht had ook de zaden van het verval van de kerk gezaaid.
In de ogen van veel Spanjaarden was de kerk medeschuldig aan de wreedheden van de overwinnende strijdkrachten. Het is waar dat de meerderheid van de bevolking in de eerste naoorlogse jaren naar de mis ging. Wilde men een baan krijgen of promotie maken, dan was het verstandig een goed katholiek te zijn. Maar was het echte geloof gediend door de gewapende macht en politieke druk?
Veertig jaar later zouden een aantal crises het antwoord vormen op die vraag.
Geloofscrisis: Tegen 1988 deden slechts drie op de tien mensen in Spanje regelmatig iets aan het katholieke geloof, en de meeste mensen vonden zichzelf „minder godsdienstig dan tien jaar geleden”. Uit een voor El Globo, een Spaans weekblad, gehouden enquête bleek, dat hoewel de meeste Spanjaarden in God geloven, nog niet de helft van hen ervan overtuigd is dat er leven is na de dood. Nog het verrassendst was de bevinding dat wel 10 procent van degenen die zichzelf als praktizerend katholiek beschouwden, zei niet te geloven dat God een persoon is.
Roepingencrisis: Vroeger zond Spanje priesters naar de vier windstreken der aarde. Dertig jaar geleden werden er elk jaar nog 9000 geordineerd. Nu is dat aantal gedaald tot duizend en veel grote seminaries staan leeg. Het gevolg is dat de gemiddelde leeftijd van de Spaanse priesters stijgt — 16 procent is nu boven de zeventig, terwijl slechts 3 procent onder de dertig is.
Financiële crisis: Bij de nieuwe Spaanse grondwet zijn Kerk en Staat gescheiden. Vroeger werden de Katholieke Kerk automatisch ruime staatssubsidies toegekend. De huidige regering heeft een nieuw systeem ingevoerd waarbij een klein percentage van ieders belasting wordt toebedeeld aan de kerk of aan een loffelijk maatschappelijk doel, afhankelijk van de wensen van de belastingbetaler. Verbazingwekkend genoeg gaf slechts een op de drie Spaanse belastingbetalers er de voorkeur aan dat de kerk zijn geld kreeg. Dit was een slag voor de katholieke autoriteiten, die geschat hadden dat bijna het dubbele van dat aantal deze „religieuze belasting” aan de kerk zou toewijzen. Het betekent dat de kerk nog lang niet zo ver is dat ze zichzelf kan onderhouden.
Ondertussen ziet het ernaar uit dat de regering schoorvoetend de kerk moet blijven subsidiëren met het aardige bedrag van zo’n 240 miljoen gulden per jaar. Niet alle katholieken zijn blij met deze situatie. Een Spaans theoloog, Casiano Floristán, wees erop dat „een kerk die niet voldoende bijdragen van de gelovigen ontvangt, óf de gelovigen niet heeft óf geen kerk is”.
Gehoorzaamheidscrisis: Deze crisis betreft zowel parochianen als priesters. Jongere priesters en theologen bekommeren zich vaak meer om maatschappelijke dan om religieuze zaken. Hun „progressieve” neigingen botsen met de conservatieve houding van de Spaanse hiërarchie en van het Vaticaan. Typerend is het standpunt van José Sánchez Luque, een priester uit Málaga, die vindt dat „de Kerk niet het monopolie op de waarheid heeft” en dat ze „de burgers moet oriënteren, zonder echter te overheersen”.
Veel Spaanse katholieken denken er net zo over — slechts een derde van de Spaanse katholieken is het doorgaans eens met wat de paus zegt. En het Spaanse episcopaat komt er nog ongunstiger vanaf. Van de katholieken die bij een recente enquête werden ondervraagd, verklaarde een vierde dat de bisschoppen „hun gestolen konden worden”, terwijl 18 procent zei dat zij hen toch niet konden begrijpen.
„Een tweede evangelisatie”
Met het oog op deze alarmerende situatie hebben de Spaanse bisschoppen in 1985 een buitengewone reeks bekentenissen gepubliceerd. Zij hebben onder meer het volgende toegegeven:
„Wij hebben het ware gezicht van God
veeleer gesluierd dan onthuld.”
„Misschien hebben wij het
Woord van God aan banden gelegd.”
„Niet elk van ons heeft de
onvervalste boodschap van Jezus uitgelegd.”
„Wij hebben weinig op God en te veel
op de machten van deze wereld vertrouwd.”a
De bisschoppen erkenden ook dat het land steeds meer verwereldlijkte of steeds onverschilliger tegenover religie werd. Zij bevalen een „tweede evangelisatie” van Spanje aan. Weinigen gaven echter gehoor aan hun oproep. Twee katholieke dames die van huis tot huis gingen, kwamen voor een verrassing te staan. Zij besteedden meer tijd aan het uitleggen aan huisbewoners dat zij geen getuigen van Jehovah waren dan aan het uitdragen van hun katholieke boodschap.
Dit had hen niet hoeven verbazen, want Jehovah’s Getuigen hebben vorig jaar meer dan 18 miljoen uur besteed aan het bezoeken van de huizen van de mensen in Spanje voor echte evangelisatie op landelijke schaal. Alle Getuigen voelen zich — net als de eerste-eeuwse christenen — verplicht ’het werk van een evangelist te doen’ (2 Timótheüs 4:5, WV). En hoewel zij op wijdverbreide apathie tegenover de kerk stuiten, vindt het evangelie of goede nieuws omtrent Gods koninkrijk dat zij verbreiden wél menig horend oor.
Een bejaarde man die zij ontmoetten, was Benito. Toen de burgeroorlog uitbrak, bevond hij zich in het gebied dat door de militaire opstandelingen werd beheerst. Hij werd gedwongen als soldaat dienst te nemen, maar in zijn hart vond hij dat het verkeerd was de wapens op te nemen. Hij weigerde te geloven dat het een „heilige oorlog” was. In plaats van zijn naaste te doden, schoot hij zich opzettelijk in de hand, zodat hij niet in staat zou zijn een trekker over te halen.
Veertig jaar later begonnen hij en zijn vrouw de bijbel te bestuderen met Jehovah’s Getuigen. Benito was verrukt toen hij vernam dat God zelf er bij zijn volk op aandringt „hun zwaarden tot ploegscharen [te] smeden”, juist zoals zijn geweten hem vele jaren voordien had voorgeschreven (Jesaja 2:4). Ondanks zijn slechte gezondheid duurde het niet lang of ook hij deed het werk van een evangelist.
„Een prachtige zeepbel”
Gloria was een katholiek die zich erbij neergelegd had God op haar eigen manier te aanbidden. Jarenlang had zij haar leven aan de kerk gewijd als missiezuster in Venezuela. Maar zij was gedesillusioneerd geraakt toen zij geen antwoord kon vinden op haar vragen over kerkelijke leerstellingen, zoals de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, het vagevuur en de Drieëenheid.
Als zij om uitleg vroeg, werd haar altijd gezegd dat het een mysterie was. ’Waarom maakt God de dingen zo moeilijk te begrijpen?’, vroeg zij zich af. Op een keer werd zij gewaarschuwd dat als zij in de tijd van de inquisitie had geleefd, zij op de brandstapel terecht zou zijn gekomen. ’En dat is waarschijnlijk ook zo’, dacht zij.
Omdat zij zo vaak was afgescheept, was zij sceptisch toen Jehovah’s Getuigen haar bezochten. Maar toen zij besefte dat alles wat zij leerden door de Schrift werd bevestigd, dat zij eindelijk Gods boodschap voor de mensheid kon begrijpen, was zij dolblij. Zij besteedt nu veel van haar tijd aan de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk.
„Als ik nu denk aan alle religieuze ceremoniën van de Katholieke Kerk,” zegt Gloria, „vergelijk ik ze met een prachtige zeepbel, fonkelend en kleurrijk, maar leeg — als je probeert iets dieper te gaan, verdwijnt ze gewoon.”
Benito, Gloria en duizenden getuigen van Jehovah zoals zij in Spanje hebben ware geestelijke verkwikking gevonden door zich tot de onvervalste waarheidswateren te wenden die de Heilige Schrift bevat. Die verkwikking ontbrak in dat eerbiedwaardige Iberische instituut, de Spaanse kerk — zo rijk aan traditie maar zo arm aan geestelijke inhoud, eeuwenlang zo machtig maar nu niet in staat de apathie van haar slinkende kudde terug te dringen.
Jezus Christus zei eens met betrekking tot de noodzaak religieuze dwalingen te onderscheiden en te vermijden: „Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult ge ze kennen. . . . Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen.” — Matthéüs 7:15-20, WV.
Wij laten het aan de lezer over zelf een oordeel te vellen over de vruchten van het Spaanse katholicisme.
[Voetnoten]
a Een andere bekentenis werd op een gezamenlijke bijeenkomst van priesters en bisschoppen in 1971 gedaan. Hoewel die niet door de vereiste tweederde meerderheid werd aangenomen, onderschreef meer dan de helft deze verklaring: „Wij erkennen nederig, en vragen er vergeving voor, dat wij niet wisten hoe wij, toen dat nodig was, ware ’bedienaren der verzoening’ moesten zijn te midden van ons door een broederoorlog verscheurde volk.”
[Inzet op blz. 12]
Katholieke bisschoppen riepen op tot een tweede evangelisatie van Spanje. Weinigen gaven gehoor aan hun oproep
[Illustratie op blz. 9]
Slechts drie op de tien Spanjaarden gaat geregeld naar de kerk
[Illustratie op blz. 10]
La Sagrada Familia in Barcelona is na honderd jaar bouwen en bedelen om schenkingen nog steeds niet klaar
[Verantwoording]
Godo-Foto