De Katholieke Kerk in Spanje — De macht en de privileges
„De Heer heeft Petrus niet alleen het bestuur van de Kerk maar van de hele wereld toevertrouwd.” — Paus Innocentius III.
TOEN Innocentius III in het begin van de dertiende eeuw die woorden schreef, had de middeleeuwse Katholieke Kerk het toppunt van haar macht bereikt. Maar de weg naar wereldlijke macht was veeleer door politieke dan door geestelijke verbintenissen geplaveid. Nergens was dit sterker het geval dan in Spanje.
De Spaanse kerk verzekerde zich van macht en privileges door haar krachten te bundelen met die van de Staat.
Religieuze eenheid als politiek instrument
In 1479, na eeuwenlang geregeerd te zijn door verdeelde en opstandige koninkrijken, werd bijna geheel Spanje verenigd onder de heerschappij van Ferdinand en Isabella. Maar hoe moest er in de nieuw gevormde natie eenheid van denken en streven komen? Ferdinand riep de hulp van de kerk in. In 1478 was met pauselijke steun de inquisitie ingevoerd. Nu, geleid door de koning en uitgevoerd door de kerk, bleek ze een van de krachtigste wapens tot onderdrukking van afwijkende meningen op religieus en politiek gebied te zijn die ooit bedacht waren. Na de snelle onderwerping van alle gedoopte Spaanse katholieken onder haar juk vormden de enkele miljoenen ongedoopten — de joden en de Moren — nog het enige obstakel voor de eenheid.
In 1492 verordenden Ferdinand en Isabella onder druk van de inquisiteur-generaal Torquemada de verdrijving van alle ongedoopte joden uit Spanje. Tien jaar later werden ook alle Moren die weigerden katholiek te worden, verdreven. Frater Bleda kenschetste de gedwongen exodus van de moslims als „de glorierijkste gebeurtenis in Spanje sedert de tijd van de apostelen”. Hij voegde eraan toe: „Nu is de religieuze eenheid verzekerd en zal er stellig weldra een tijdperk van voorspoed aanbreken.” La España Católica (het katholieke Spanje) was werkelijkheid geworden en uit erkentelijkheid werden Isabella en Ferdinand door paus Alexander VI „de Katholieke Koningen” genoemd.
Nu er in het binnenland religieuze eenheid bewerkstelligd was, verruimde de Spaanse kerk haar horizon. Met steun van de Spaanse koningin had Columbus zojuist in Amerika nieuwe gebieden en volken ontdekt. In het gezelschap van de conquistadores zeilden nu dominicaner en franciscaner monniken naar de Nieuwe Wereld, met het oogmerk de heidenen in de boezem der kerk te brengen.
Cortés, de veroveraar van Mexico, werd gezegd dat het voornaamste doel van zijn expeditie was, God te dienen en het christelijke geloof te verbreiden. Desondanks gaf hij ronduit toe: „Ik ben gekomen voor het goud.” Misschien hadden de meeste conquistadores gemengde beweegredenen, zoals die welke door een van hen onder woorden werden gebracht: „Wij zijn hier om God te dienen en ook om rijk te worden.”
Alvorens over te gaan tot de verovering van een bepaald gebied, lazen de conquistadores hardop een document voor met als titel Los requisitos — al dan niet binnen gehoorsafstand van de inboorlingen — waarbij van de inboorlingen werd geëist dat zij erkenden dat de kerk de wereld regeerde en dat de koning van Spanje de kerk vertegenwoordigde. Weigering dit te erkennen, was voldoende om de militaire kolonisatie als een „rechtvaardige oorlog” te beschouwen.
Miljoenen inboorlingen werden gedoopt, vele onmiddellijk na overwonnen te zijn. Daarna assisteerden priesters en monniken de Spaanse monarchen bij het besturen van de kolonies. Zoals de kerkhistoricus Paul Johnson opmerkte: „De Katholieke Kerk was een onderdeel van de Spaanse regering, en dat is nooit sterker het geval geweest dan in Amerika. . . . In ruil daarvoor verlangde de Kerk bescherming, privileges en onwankelbare trouw van de kroon aan het orthodoxe geloof.”
Zo was tegen het einde van de zestiende eeuw de kerk in Spanje de machtigste staatskerk in de christenheid geworden. Ze oefende in heel Spanje en een groot deel van de Nieuwe Wereld de absolute religieuze heerschappij uit. Maar de uitzonderlijke macht en privileges die ze genoot, leidden onvermijdelijk tot grovere misbruiken dan in andere landen.
[Inzet op blz. 5]
„Wij zijn hier om God te dienen en ook om rijk te worden”