Welk lot trof de dinosauriërs?
„PALEONTOLOGIE is de studie van fossielen, en fossielen zijn de overblijfselen van leven uit voorbije tijdperken.” Maar zoals een paleontoloog zei, is het „een zeer speculatieve wetenschap waarin persoonlijke meningen een grote rol spelen”. Dit is duidelijk het geval in verband met de dinosauriërs. De aan de Princeton University verbonden wetenschapper G. L. Jepson somde een aantal speculaties over hun lot op:
„Auteurs van uiteenlopend gezag hebben gesuggereerd dat de dinosauriërs zijn verdwenen doordat het klimaat achteruitging . . . of het voedselaanbod afnam. . . . Andere schrijvers hebben het geweten aan ziekten, parasieten, . . . veranderingen in de druk of samenstelling van de atmosfeer, giftige gassen, vulkanisch stof, een teveel aan zuurstof afkomstig van planten, meteorieten, kometen, uitputting van het gemeenschappelijk genenreservoir door kleine eieretende zoogdieren, . . . kosmische straling, verschuiving van de draaias van de Aarde, overstromingen, verschuiving van de continenten, . . . uitdroging van moeras- en meermilieus, zonnevlekken.” — The Riddle of the Dinosaur.
Uit zulke speculaties blijkt duidelijk dat geleerden de vraag wat er gebeurd is met de dinosauriërs niet met enige zekerheid kunnen beantwoorden.
De theorie van het plotselinge uitsterven
Een recentere theorie is de door Luis en Walter Alvarez, vader en zoon, geopperde. Walter Alvarez ontdekte bij het stadje Gubbio in Midden-Italië een eigenaardige dunne, rode kleilaag, ingebed tussen twee lagen kalksteen in de rotsformatie. De onderste kalksteenlaag leverde een overvloed van fossielen op. In de bovenste laag ontbrak het bijna totaal aan fossielen, wat de geologen tot de gevolgtrekking bracht dat het leven plotseling was verdwenen en dat de dunne, rode kleilaag iets te maken had met het uitsterven.
Bij analyse bleek dat de klei rijk was aan iridium (een metaal), 30 maal zo rijk als de concentratie die normaal in gesteenten wordt aangetroffen. Zij wisten dat zulke hoge concentraties van dit zeldzame element alleen afkomstig konden zijn uit de aardkern of van bronnen buiten de aarde en concludeerden dat het iridium afkomstig was van een enorme asteroïde, die de aarde had getroffen en het plotselinge uitsterven van de dinosauriërs had veroorzaakt.
Na de ontdekking van de met iridium verrijkte klei bij Gubbio werden soortgelijke afzettingen ontdekt in andere delen van de wereld. Werd de asteroïde-hypothese daardoor bevestigd? Sommige geleerden blijven sceptisch. Maar zoals het boek The Riddle of the Dinosaur erkent, betekende de Alvarez-hypothese „een nieuwe stimulans voor de studie van uitsterving en evolutie”. En de paleontoloog Stephen Jay Gould geeft toe dat „de belangrijkheid van wedijver tussen de soorten” er kleiner door zou kunnen blijken.
In een commentaar op deze nieuwe theorie en het kennelijk plotselinge uitsterven van de dinosauriërs geeft een wetenschappelijk schrijver toe: „Ze zouden de fundamenten van de evolutionaire biologie kunnen schokken en aanleiding kunnen zijn tot twijfel aan het huidige denkbeeld der natuurlijke selectie.”
De wetenschapper David Jablonski van de University of Arizona concludeert dat ’voor veel planten en dieren het uitsterven abrupt en nogal bijzonder was. Massale extincties zijn niet louter het cumulatieve effect van geleidelijk sterven. Er gebeurde iets ongewoons.’ Dat was ook het geval bij de dinosauriërs. Hun betrekkelijk plotselinge verschijnen en verdwijnen is in tegenspraak met de algemeen aanvaarde zienswijze van langzame evolutie.
De datering van dinosauriërs
Dinosaurusbeenderen worden regelmatig in lagere aardlagen aangetroffen dan mensenbeenderen, wat velen doet concluderen dat ze in een vroeger tijdperk thuishoren. Geologen noemen dat tijdperk het Mesozoïcum en verdelen het in de periodes Krijt, Jura en Trias. De tijdschaal die voor deze periodes wordt gehanteerd, vermeldt tientallen miljoenen jaren. Is dit echter met enige zekerheid vastgesteld?
Eén methode die gebruikt wordt om de ouderdom van fossielen te bepalen, wordt radiokoolstofdatering genoemd. Bij die dateringsmethode wordt de mate van verval van radioactieve koolstof gemeten vanaf het tijdstip dat het organisme is gestorven. „Als een organisme sterft, absorbeert het niet langer nieuwe kooldioxide uit zijn omgeving, en het gehalte van de isotoop neemt in de loop van de tijd af door radioactief verval”, aldus Science and Technology Illustrated.
Er kleven echter ernstige problemen aan deze methode. In de eerste plaats is, als het fossiel ongeveer 50.000 jaar oud wordt geacht, het gehalte aan radioactieve koolstof zo ver gedaald dat het slechts met heel veel moeite te bespeuren valt. In de tweede plaats is dit gehalte zelfs in recentere exemplaren zo gedaald dat het ook dan bijzonder moeilijk is het nauwkeurig te bepalen. In de derde plaats kunnen geleerden de hoeveelheid radioactieve koolstof meten die thans wordt gevormd, maar is het hun onmogelijk koolstofconcentraties in het verre verleden te meten.
Of geleerden dus gebruik maken van de radiokoolstofmethode voor het dateren van fossielen, of van andere methoden, zoals die met radioactieve kalium, uranium of thorium, voor het dateren van gesteenten, zij zijn niet in staat de oorspronkelijke gehalten van die elementen na al die eeuwen vast te stellen. Melvin A. Cook, hoogleraar in de metallurgie, merkt dan ook op: „Naar deze concentraties [van radioactieve stoffen] kan men slechts gissen, en de aldus verkregen ouderdom kan niet exacter zijn dan deze gissing.” Dat geldt vooral als wij in aanmerking nemen dat de vloed in Noachs tijd ruim 4300 jaar geleden enorme veranderingen in de atmosfeer en op aarde heeft teweeggebracht.
De geologen Charles Officer en Charles Drake van het Dartmouth College werpen nog meer twijfels op aan de nauwkeurigheid van radiometrische datering. Zij verklaren: „Wij komen tot de conclusie dat de afzetting van iridium en andere aanverwante elementen niet bliksemsnel heeft plaatsgevonden . . . maar dat er veeleer een zeer krachtige en variabele toevloed van deze bestanddelen was gedurende een betrekkelijk kort geologisch tijdsinterval in de orde van grootte van 10.000 tot 100.000 jaar.” Zij voeren aan dat door het breken en de verplaatsing van de continenten de gehele aardbol in beroering raakte, met vulkaanuitbarstingen, blokkering van het zonlicht en vervuiling van de atmosfeer als gevolg. Zulke ingrijpende gebeurtenissen kunnen zeker het gehalte aan radioactieve elementen veranderd hebben, zodat de uitkomsten van hedendaagse radioactieve klokken een vertekend beeld zouden geven.
Het Genesisverslag en de dinosauriërs
Hoewel de radiometrische datering innovatief is, is ze niettemin gebaseerd op speculaties en veronderstellingen. Het bijbelverslag daarentegen vermeldt in het eerste hoofdstuk van Genesis eenvoudig in grote lijnen de volgorde waarin de schepping heeft plaatsgevonden. Het laat ruimte voor mogelijk miljarden jaren voor de vorming van de aarde en vele duizenden jaren, verdeeld over zes scheppingsperiodes of „dagen”, voor de voorbereiding van de aarde voor menselijke bewoning.
Sommige dinosauriërs (en pterosauriërs) kunnen inderdaad geschapen zijn in het vijfde tijdperk dat in Genesis wordt genoemd, het tijdperk waarover de bijbel zegt dat God toen „vliegende schepselen” en „grote zeemonsters” schiep. Het kan zijn dat er in het zesde tijdvak andere soorten dinosauriërs zijn geschapen. De enorme reeks dinosauriërs met hun kolossale eetlust zou op haar plaats zijn geweest gezien de overvloedige vegetatie die er kennelijk in die tijd was. — Genesis 1:20-24.
Toen de dinosauriërs aan hun doel hadden beantwoord, maakte God een einde aan hun leven. Maar de bijbel zwijgt over de manier waarop hij dat deed of wanneer. Wij kunnen er zeker van zijn dat de dinosauriërs door Jehovah werden geschapen met een doel, ook al begrijpen wij dat doel momenteel niet ten volle. Ze waren geen vergissing, geen produkt van evolutie. Dat ze plotseling in het fossielenverslag verschijnen, volkomen los van fossiele voorouders, en ook verdwijnen zonder verbindende fossiele schakels achter te laten, pleit tegen de zienswijze dat deze dieren geleidelijk in de loop van miljoenen jaren geëvolueerd zijn. Het fossielenverslag is dus geen ondersteuning voor de evolutietheorie. In plaats daarvan is het in overeenstemming met de bijbelse zienswijze dat God scheppingsdaden heeft verricht.
[Inzet op blz. 10]
Het fossielenverslag van de dinosauriërs is geen ondersteuning voor evolutie maar voor schepping