Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g89 8/5 blz. 19-23
  • Deel 9: Vanaf 551 v.G.T. — Het oosterse zoeken naar de juiste weg

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Deel 9: Vanaf 551 v.G.T. — Het oosterse zoeken naar de juiste weg
  • Ontwaakt! 1989
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het confucianisme — De weg van de mens
  • Het tauïsme — De weg der natuur
  • Het sjintô — De weg van de kami
  • Het Kondogio — Korea’s religie van de hemelse weg
  • Welke „weg” leidt ten leven?
  • Tauïsme en confucianisme — Op zoek naar de weg des hemels
    De mens op zoek naar God
  • Sjintô — Japan zoekt naar God
    De mens op zoek naar God
  • De „weg der goden” — Waar heeft hij Japan gebracht?
    Ontwaakt! 1985
  • Het denkbeeld doet zijn intrede in oosterse godsdiensten
    Wat gebeurt er met ons bij de dood?
Meer weergeven
Ontwaakt! 1989
g89 8/5 blz. 19-23

De toekomst van de religie gezien haar verleden

Deel 9: Vanaf 551 v.G.T. — Het oosterse zoeken naar de juiste weg

„De weg der waarheid is als een grote weg.” — Meng-tse, Chinees wijsgeer uit de 4de eeuw v.G.T.

TALLOZE religies maken er aanspraak op de weg der waarheid die tot redding leidt te zijn. Het confucianisme, het tauïsme en het boeddhisme bijvoorbeeld worden China’s „drie wegen” genoemd. De religies van Japan en Korea bezigen een soortgelijke terminologie. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen deze „wegen”, zo er al sprake is van verschil?

Het confucianisme — De weg van de mens

Hoewel er over Confucius maar weinig met zekerheid bekend is, zegt een vermaard naslagwerk dat hij „tot de invloedrijkste mannen uit de wereldgeschiedenis gerekend moet worden”. Hij leefde tussen 551 en 479 v.G.T. en was leraar, filosoof en politiek theoreticus. Zijn familienaam was K’oeng en daarom werd hij later K’oeng Foe-tse genoemd, wat „Meester K’oeng” betekent. „Confucius” is de gelatiniseerde versie van zijn naam.

Confucius stichtte geen nieuwe religie. The Viking Portable Library World Bible legt uit dat hij eenvoudig de religie „organiseerde die sedert onheuglijke tijden in zijn geboorteland had bestaan, door vorm te geven aan haar boeken, waardigheid aan haar formaliteiten en gewicht aan haar morele grondregels”. Het menselijk gedrag, niet theologie, had zijn voornaamste belangstelling. Zijn leer was in de eerste plaats een sociale ethiek. Zijn pogingen om een politieke functie te bemachtigen, waren ingegeven door een overweldigend verlangen het lijden van zijn volk te verlichten. Terecht is de filosofie van deze man — meer de gefrustreerde politicus dan de eerzuchtige religieuze leider — wel de „confuciaanse weg van de mens” genoemd.

Confucius had geen hoge dunk van de religie van zijn tijd; hij zei dat veel ervan slechts bijgeloof was. Toen hem gevraagd werd of hij in God geloofde, moet hij geantwoord hebben: „Dat zeg ik liever niet.” Maar zijn vele vermeldingen van T’ièn, dat „Hemel” betekent, worden door sommigen geïnterpreteerd als een bewijs dat hij wel degelijk geloofde in iets meer dan slechts een onpersoonlijke hogere macht.

Confucius legde de nadruk op gezinswaarden, respect voor het gezag en sociale harmonie. Hij vestigde de aandacht op de noodzaak van onderwijs bij het ontwikkelen van bekwaamheden en het versterken van persoonlijke kwaliteiten die nodig zijn voor het dienen van anderen. Hij beklemtoonde het belang van jen, een woord dat welwillendheid tegenover de mensheid in het algemeen betekent, maar vooral respect voor ouders, broers en zusters. Hij moedigde voorouderverering aan.

Deze typerende confuciaanse hoedanigheden zijn nog steeds kenmerkend voor Aziaten die op de confuciaanse manier zijn grootgebracht. De socioloog William Liu van de University of Illinois in Chicago zegt dat „de confuciaanse ethiek mensen aanzet tot werken en uitblinken en tot het terugbetalen van wat zij hun ouders schuldig zijn”. Zo zijn immigranten uit landen waar de confuciaanse invloed sterk is, in de Verenigde Staten vermaard geworden om hun uitzonderlijk hoge wetenschappelijke prestaties.

De hoeksteen van het confuciaanse denken is de verzameling werken die als de Woe-tjing („Vijf klassieken”) bekendstaat. De „Vier boeken” of Sze-sjoe, die er in de twaalfde eeuw aan toegevoegd zijn, worden als essentieel voor het confuciaanse denken beschouwd. De stijl ervan, gekenmerkt door kortheid en beknoptheid, maakt ze moeilijk te begrijpen.

In de vierde eeuw G.T. werden de confuciaanse grondbeginselen onderwezen in het koninkrijk Kokoeryo in het noorden van Korea. Het confucianisme heeft wellicht in het begin van de vijfde eeuw G.T. zijn intrede in Japan gedaan. Ondertussen ontwikkelde zich in China een andere „weg”.

Het tauïsme — De weg der natuur

Tau, duizenden jaren het grondbeginsel van het Chinese denken, betekent „pad” of „weg”. Het werd de aanduiding voor de juiste weg waarlangs dingen moeten gebeuren, in harmonie met de natuurlijke weg die het universum gaat. De overlevering wil dat de grondlegger ervan een tijdgenoot van Confucius was die de titel Lau-tse droeg, wat òf „Oude jongen” òf „Oude (Eerbiedwaardige) filosoof” betekent. Sommigen beweren dat Lau-tse zo werd genoemd omdat zijn moeder hem na een wonderbaarlijke bevruchting en een langdurige zwangerschap van tientallen jaren baarde toen zijn haar van ouderdom al wit geworden was. Anderen zeggen dat hij deze titel kreeg uit eerbied voor zijn wijze leer.

Het tauïsme leert dat een kind bij de geboorte met een bepaalde hoeveelheid „oeradem” of levenskracht begiftigd wordt. Op verschillende manieren, bijvoorbeeld door meditatie, diëten, ademgymnastiek en seksuele zelfbeheersing, is een onnodig opraken van de „oeradem” te vermijden. Een hoge leeftijd is dan ook synoniem met heiligheid.

Het menselijk lichaam wordt beschouwd als een miniatuuruniversum dat in harmonie met de natuur moet blijven. Dit heeft te maken met wat de Chinezen jin en jang noemen, letterlijk de schaduwkant en de zonkant van een heuvel. Jin en jang liggen ten grondslag aan alle Chinese filosofieën en vormen de tegengestelde maar aanvullende elementen waaruit alles in de natuur bestaat. The Encyclopedia of Religion geeft als details: „Jin overheerst in alles wat donker, overschaduwd, koud, nat, afnemend, onderworpen, aards en vrouwelijk is, terwijl jang licht, warm, droog, toenemend, koppig en agressief, hemels en mannelijk is.” Een toepassing van dit beginsel vindt u in de fengsjwei, een vorm van Chinese waarzeggerij die in het Nederlands geomantiek wordt genoemd. De bedoeling ervan is, de meest geschikte plek voor steden en huizen te bepalen, maar vooral voor graven. Door de jin-jang-krachten van een potentiële plek in harmonie te brengen met die van de bewoners wordt, zo zegt men, hun welzijn gewaarborgd. Helen Hardacre van de Princeton University legt uit dat de juiste „combinatie van kosmische krachten wordt geacht de doden ten goede te komen en hun vorderingen in de andere wereld te vergemakkelijken”.

Bij alle pogingen om de jin-jang-krachten in evenwicht te houden, mag echter niet getracht worden hun natuurlijke staat met geweld te veranderen. Dit kan, zo denkt men, averechts werken, een overtuiging die tot passivisme aanmoedigt. In 1986 legde een bejaarde monnik het als volgt uit: „De leer van het tauïsme houdt in, kalm te blijven en niets te doen. Alles doen ligt besloten in niets doen.” De kracht van het tauïsme is daarom wel vergeleken met water, dat ondanks zijn zachtheid alle schepselen ten goede komt.

Vroeger placht men onderscheid te maken tussen het wijsgerig tauïsme (4de/3de eeuw v.G.T.) en het godsdienstig tauïsme (2de/3de eeuw G.T.). Dit onderscheid is niet meer zo duidelijk, want het godsdienstig tauïsme heeft zich kennelijk ontwikkeld uit de tauïstische filosofieën die eraan voorafgingen. Hans-Joachim Schoeps, hoogleraar in de religie, zegt dat het tauïsme als religie „niets meer is dan de voortzetting van de oude Chinese volksreligie. De kern wordt gevormd door een simpele vorm van spiritisme . . . [met geesten die] zich overal nestelen en het menselijk leven en de gezondheid voortdurend in gevaar brengen. . . . In het hedendaagse China is het tauïsme ontaard in een religieuze vorm van bijgeloof voor de grote massa.”

Het sjintô — De weg van de kami

Japan staat ook bekend om een oude volksreligie, een mengsel van „polytheïstische natuur- en voorouderverering”, zoals één auteur het omschrijft. Eerst was deze etnische religie naamloos. Maar toen in de zesde eeuw G.T. het boeddhisme zijn intrede in Japan deed, kreeg dit onder meer de naam Butsudô, „de weg van de Boeddha”. Om onderscheid te maken tussen deze en de inheemse religie, kwam de laatste al spoedig bekend te staan als het sjintô, „de weg van de kami”.

De kami (de verschillende goden of godheden) vormen inderdaad de kern van het sjintô. Kami werd de aanduiding voor elke bovennatuurlijke kracht of god, met inbegrip van natuurgoden, uitnemende mensen, vergoddelijkte voorouders of zelfs „godheden die een ideaal dienen of een abstracte macht symboliseren” (The Encyclopedia of Religion). Hoewel de term jaujorozoe-no-kami letterlijk acht miljoen goden betekent, wordt de uitdrukking gebruikt in de zin van „veel goden”, daar het aantal godheden in de sjintô-religie voortdurend toeneemt. Mensen hebben als kinderen van kami van oorsprong een goddelijke aard. Waar het op neerkomt is dus: leef in harmonie met de kami en u zult hun bescherming en goedkeuring genieten.

Het sjintô heeft, hoewel het niet hecht aan dogma of theologie, de Japanners een waardenstelsel gegeven, hun gedrag gevormd en hun denkwijze bepaald. Het voorziet hen van heiligdommen, waar zij kunnen aanbidden als zij daar behoefte aan hebben.

De voornaamste richtingen in het sjintô zijn nauw verwant. Weinig verschillen tussen het tempelsjintô en het volkssjintô zijn van betekenis. Het sektensjintô daarentegen bestaat uit dertien sekten die in de negentiende eeuw zijn ontstaan en in uiteenlopende mate elementen van het confucianisme, het boeddhisme en het tauïsme bevatten.

Vooral de invloed van het boeddhisme op het sjintô is krachtig geweest. Dit verklaart waarom veel Japanners zowel boeddhist als sjintoïst zijn. Een traditioneel Japans huis heeft twee altaren, een sjintô-altaar voor de verering van de kami en een boeddhistisch altaar voor de verering van de voorouders. Keiko, een jong Japans meisje, legt uit: „Ik ben respect verschuldigd aan mijn voorouders en toon dit door middel van het boeddhisme . . . Ik ben Japanse en dus verricht ik alle kleine sjintô-riten.” Dan voegt zij eraan toe: „En ik dacht dat een christelijk huwelijk echt leuk zou zijn. Het is tegenstrijdig, maar wat doet het ertoe?”

Het Kondogio — Korea’s religie van de hemelse weg

Het boeddhisme, aangevuld met het tauïsme, en het confucianisme behoren tot de voornaamste niet-christelijke godsdiensten van Korea. Nadat ze vanuit China waren ingevoerd, ondergingen ze de invloed van de Koreaanse volksreligie, het sjamanisme, en volgens The Encyclopedia of Religion werden ze „geselecteerd, hervormd en in uiteenlopende mate aangepast aan de maatschappelijke en intellectuele toestanden die op het Koreaanse schiereiland heersten”.a

Een andere religie in Korea is het Kondogio, de „Religie van de hemelse weg”, zoals de naam sinds 1905 luidt. Het werd in 1860 gesticht door Tj’oe Suun (Tje-u) en werd oorspronkelijk Tonghak „oosterse geleerdheid” genoemd, in tegenstelling tot Sohak, „westerse geleerdheid”, de term voor het christendom. Het Kondogio werd ten dele ontwikkeld als tegenhanger van het christendom. Volgens de Duitse schrijver Gerhard Bellinger poogt het Kondogio „de idealen van de confuciaanse menselijke goedheid en rechtvaardigheid, de tauïstische passiviteit en het boeddhistisch mededogen” te laten samengaan; dat was de bedoeling van de stichter ervan. Het Kondogio bevat ook elementen van het sjamanisme en het rooms-katholicisme. Ondanks het feit dat het er aanspraak op maakt religieuze eenheid te bevorderen, waren er tegen 1935 minstens zeventien dochtersekten uit ontsproten.

Centraal in de „Religie van de hemelse weg” staat het geloof dat de mens in wezen goddelijk is, deel uitmaakt van God. Sain yŏch’ŏn („Behandel de mens als God”) is dan ook een voornaam ethisch beginsel dat inhoudt dat medemensen behandeld moeten worden met „uiterste zorg, respect, oprechtheid, waardigheid, gelijkheid en gerechtigheid”, legt Yong-choon Kim van de University of Rhode Island uit.

Het streven om de maatschappelijke orde in overeenstemming te brengen met deze hoge beginselen bracht de stichter, Suun, in conflict met de regering. Politieke bemoeienissen leidden tot de executie van zowel hem als zijn opvolger en zijn mede aanleiding geweest tot de Chinees-Japanse oorlog van 1894. In feite is politieke activiteit kenmerkend voor de nieuwere Koreaanse religies, waarvan de Tonghak-beweging slechts de eerste was. Nationalisme is vaak een belangrijk thema en Korea wordt daarin een prominente plaats in de wereld toebedeeld.

Welke „weg” leidt ten leven?

Veel Aziaten geloven klaarblijkelijk dat het grotendeels om het even is welke religieuze „weg” iemand volgt. Maar Jezus Christus, wiens religie destijds in de eerste eeuw ook „De Weg” werd genoemd, verwierp het standpunt dat alle religieuze „wegen” aanvaardbaar zijn voor God. Hij waarschuwde: „De poort en de weg die naar de ondergang leiden, zijn ruim en breed . . . Maar de poort en de weg die naar het leven leiden, zijn nauw en smal, en maar weinigen vinden die weg.” — Handelingen 9:2; 19:9; Matthéüs 7:13, 14, GNB; vergelijk Spreuken 16:25.

Uiteraard hebben de meeste joden uit de eerste eeuw geen acht op zijn woorden geslagen. Zij geloofden niet dat zij in Jezus hun ware Messías of in zijn religie de juiste „weg” gevonden hadden. Thans, negentien eeuwen later, wachten hun nakomelingen nog steeds op hun Messías. Onze volgende aflevering zal uitleggen waarom.

[Voetnoten]

a Het middelpunt van het sjamanisme is de sjamaan, een religieuze figuur die verondersteld wordt magische genezingen te verrichten en die contact onderhoudt met de geestenwereld.

[Illustraties op blz. 21]

Generaal Guan Ju, een oorlogsgod in de Chinese volksreligie en patroon van militairen en kooplieden

Van links naar rechts: Han Sjiang-Tze, Lu Toeng-Pin en Li T’iè Kwai — drie van de Acht Onsterfelijken uit het tauïsme — en Sjoelau, de sterrengod van het lange leven

[Verantwoording]

Met vriendelijke toestemming van het British Museum

[Illustraties op blz. 23]

Op het terrein van een sjintô-heiligdom worden verscheidene beelden aangetroffen, en de waakhond links wordt geacht demonen af te weren

Scholieren, en hun ouders, bidden in het sjintô-heiligdom Joesjima Tendjin in Tokio om succes bij examens

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen