„Religie is medeschuldig aan onze grote morele ineenstorting”
DEZE kop in El Heraldo van Barranquilla (Colombia) was op zichzelf genomen al schokkend. Maar de uitspraak werd nog betekenisvoller vanwege degene die het zei — de katholieke jezuïtische priester Alberto Múnera, doctor in de theologie aan de Gregoriana-universiteit in Rome. Hij sprak over het morele verval in Colombia.
Hij verklaarde: „Heel Colombia is katholiek. Wij kunnen het feit niet negeren dat de religie medeschuldig is aan onze grote morele ineenstorting. Als theoloog vraag je je af: Wat is er met ons katholieke geloof aan de hand wanneer het niet voldoende elementen schijnt te bezitten om de moraal van een groep [mensen] hoog te houden of om de overgang naar een nieuw tijdperk op behoorlijke wijze te doorstaan, ja, niet van een vroegere situatie naar een nieuwe kan overgaan zonder dat de hele maatschappelijke structuur ineenstort?”
Na een nauwkeurige beschrijving te hebben gegeven van de tekenen van politiek en moreel verval, zoals de handel in drugs, de politieke moorden en het gewapend geweld, vroeg hij: „Wie doen deze dingen? Aanhangers van de islam of van het boeddhisme . . . of mensen zonder religie? Of zijn het mensen die u bij de godsdienstige ceremoniën hebt gezien, die vroom deelnemen aan de eucharistie en tot onze Heer bidden hen te helpen succes te hebben in hun werk?”
Jezus en zijn discipelen beklemtoonden duidelijk dat waar christendom wordt gekenmerkt door christelijk gedrag en niet door rituele handelingen. Jezus zei: „Door deze liefde die gij voor elkaar hebt, zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt” (Johannes 13:35, The Jerusalem Bible). Getuigt het van liefde wanneer een katholiek zijn medemens vermoordt of haat, of rooft, verkracht, liegt of steelt, of drugs verhandelt? En getuigt het van christelijke liefde wanneer de kerk niets onderneemt om haar gelederen vrij te houden van dergelijke grove, verdorven elementen? In werkelijkheid worden rijke misdadigers vaak geëerd met indrukwekkende begrafenissen en andere religieuze ceremoniën.
Daartegenover staat dat onberouwvolle zondaars die zich aan grove overtredingen schuldig maakten, in de vroeg-christelijke gemeente streng werden onderricht. De apostel Paulus schreef: „Wat ik u heb geschreven, is dat gij geen omgang dient te hebben met een medechristen die een immoreel leven leidt, of een woekeraar is, of afgoderij beoefent, of een lasteraar, of een dronkaard of oneerlijk is; gij moet met zo iemand zelfs niet eten.” Men hoort echter zelden van een excommunicatie, behalve wanneer er sprake is van ketterij of van betrokkenheid bij atheïstische politiek. — 1 Korinthiërs 5:9-11; 6:9-11, JB.
In plaats van gepaste aandacht te schenken aan bijbels onderricht en de christelijke nieuwe persoonlijkheid, heeft de Katholieke Kerk door de eeuwen heen genoegen genomen met het bidden van de rozenkrans, het bezoeken van de mis en het biechten bij de priester (Efeziërs 4:17-24). Het logische gevolg daarvan is het huidige morele verval en de afnemende steun aan de kerk. De jezuïet Múnera zei over de staat waarin de Katholieke Kerk in Colombia verkeert: „Met een dergelijke religie hebben wij klaarblijkelijk geen antwoord op de omstandigheden waarin wij leven. Een van de fundamentele oorzaken voor de desolate toestand waarin ons christendom lijkt te verkeren . . . is het feit dat [katholieken] tegenwoordig in geen enkel opzicht op christenen lijken.”
Natuurlijk vindt het huidige morele verval plaats onder mensen van alle religies. Velen die in de kerk gedoopt, in de echt verbonden en begraven verwachten te worden, gaan ermee voort te liegen, te stelen, hoererij te bedrijven en te bedriegen, en genieten daarbij betrekkelijke onschendbaarheid. Veel veroordeelde misdadigers beweren zelfs de een of andere religie aan te hangen — zij zeggen dat zij katholiek, protestant, joods, of nog wat anders zijn. Niettemin blijkt uit hun daden dat hun religie in gebreke is gebleven hen ertoe te bewegen een nieuwe persoonlijkheid aan te kweken. Het kan de schuld zijn van de misdadiger zelf en/of van zijn religie, die gefaald heeft zijn denkwijze en gedrag te beïnvloeden. Dat is de prijs die ook de religie moet betalen als kwantiteit belangrijker wordt geacht dan kwaliteit.
Het is precies zoals Paulus over „de laatste dagen” voorzei: „Zij zullen de schijn van religie ophouden, maar zullen de innerlijke kracht ervan hebben verworpen. Mijd dat soort mensen.” — 2 Timótheüs 3:1-5, JB.
Religie na de Vloed
Edmond en Jules de Goncourt, twee met elkaar samenwerkende schrijvers uit de negentiende eeuw, schreven: „Als er een God bestaat, moet het atheïsme Hem als minder beledigend treffen dan de religie.” En inderdaad, valse religie is een belediging voor ’s mensen Schepper. Door de valse religie in het jaar 2370 v.G.T. te vernietigen, bewees de Schepper echter dat hij zich niet altijd zal laten beledigen.
Deze fundamentele waarheid is niet veranderd, ondanks het feit dat de valse religie opnieuw de kop opstak. In feite zou ze na de Vloed concrete vormen aannemen die door de eeuwen heen zijn blijven bestaan, en uiteindelijk zou ze de hele aarde in haar greep krijgen. Zelfs u hebt haar invloed ondervonden! In onze volgende uitgave zal in het artikel „Een jager, een toren en u!” worden verklaard hoe.
[Illustratie op blz. 9]
Religie is vaak oppervlakkig. Ze voorkomt geen rassenhaat, misdaad en immoraliteit