De oplossing voor het probleem van de armoede
SOMMIGE religieuze leiders drukken zich zo welsprekend over de hedendaagse problemen uit dat men zou geloven dat zij werkelijk weten hoe zij de situatie moeten verbeteren. Maar als politici en economen de problemen niet hebben kunnen oplossen, zullen de religieuze leiders het er dan werkelijk beter afbrengen door de revolutionaire elementen te steunen?
Hoewel kerkelijke leiders hun strijdlustige geest goedpraten, is niet iedereen overtuigd van hun oprechtheid. Edmund Burke schreef: „Men maakt vaak de fout te veronderstellen dat degenen die het luidst klagen ten behoeve van het publiek, het meest met het welzijn van dat publiek begaan zijn.” Zouden kerkelijke leiders door andere belangen dan slechts een ijver voor rechtvaardigheid gemotiveerd kunnen zijn?
Het Braziliaanse tijdschrift Veja beweert: „Wat de Kerk in werkelijkheid verlangt, is macht . . . Het feit dat de rijkdommen van de wereld voornamelijk geconcentreerd zijn in protestantse, boeddhistische en zelfs atheïstische landen, dwingt de Kerk ertoe te trachten de macht weer naar zich toe te halen via de armen in de Derde Wereld.”
Maar zelfs wanneer men aanneemt dat individuele geestelijken niet op persoonlijk voordeel uit zijn, zullen de armen er dan werkelijk mee gebaat zijn dat zij hun steun geven aan een bevrijdingsbeweging die sociaal activisme goedkeurt? Is dat de manier om het probleem van de armen op te lossen?
Het voorbeeld voor ware christenen
Welk voorbeeld gaf Jezus Christus, degene die alle ware christenen moeten navolgen? Toen hij op aarde was, liet hij zich niet met sociale hervormingen in en hij week evenmin af van zijn opdracht anderen over Gods koninkrijk te vertellen (Lukas 4:43; Johannes 6:15). Zelfs paus Johannes Paulus II zei over sociaal activisme het volgende: „Uit de Evangeliën blijkt duidelijk dat Jezus alles wat zijn zending als de Dienstknecht van Jahweh [Jehovah] zou veranderen, als een verzoeking beschouwde.”
Dit wil niet zeggen dat Jezus de noden van de armen niet onderkende. Dat deed hij wel. „Hij [had] medelijden met hen,” zegt de bijbel, „omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder” (Matthéüs 9:36). En degenen die hem wilden volgen, nodigde hij uit met de woorden: „Komt tot mij, allen die zwoegt en zwaar beladen zijt, en ik zal u verkwikken.” — Matthéüs 11:28.
Een bijbelprofetie beschrijft Christus’ Koninkrijksheerschappij: „Hij zal de arme die om hulp schreeuwt, bevrijden, ook de ellendige en al wie geen helper heeft. Hij zal deernis hebben met de geringe en de arme, en de zielen van de armen zal hij redden. Van onderdrukking en van geweld zal hij hun ziel verlossen, en hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen.” — Psalm 72:12-14.
Degenen die Jezus willen navolgen, moeten daarom deernis met de armen hebben en ernaar streven hen te helpen. Maar hoe? Daar Jezus erkende dat de huidige wereld onder de heerschappij van Satan de Duivel staat, trachtte hij niet haar te hervormen (Lukas 4:5-8; Johannes 12:31; 14:30; 18:36). Maar door het onderwijs dat hij aan de armen gaf, hielp hij hen aan de problemen van het leven het hoofd te bieden.
Jezus leerde zijn discipelen vindingrijk te zijn, waardoor zij hem en zijn Vader zouden nabootsen. „Mijn Vader is tot nu toe blijven werken, en ik blijf werken”, zei hij (Johannes 5:17). Ook kregen Christus’ volgelingen instructies hoe zij voor zichzelf en hun gezin moesten zorgen door rechtschapen, eerlijk en ijverig te zijn (Filippenzen 4:4-8; 1 Thessalonicenzen 4:11, 12). Maar dit diende slechts ter voorbereiding op iets beters: de verwezenlijking van de zegeningen van Gods koninkrijk.
Gods koninkrijk de enige oplossing
Ja, Jezus predikte Gods koninkrijk als de enige realistische en blijvende oplossing voor de problemen van de armen, alsook van ieder ander. Hoe denkt u hierover? Waarom zeggen voorstanders van de bevrijdingstheologie zo weinig over Gods koninkrijk?
De waarheid is dat zij niet meer in de beloften van de bijbel betreffende Gods koninkrijk geloven. Toen Jezus zijn volgelingen echter leerde bidden ’of Gods koninkrijk mocht komen en Zijn wil gelijk in de hemel zo ook op aarde mocht geschieden’, stelde hij hun geen ijdele hoop in het vooruitzicht. Dat gebed zàl verhoord worden. Gods koninkrijk is een werkelijke regering. U kunt er zeker van zijn dat Christus zijn toegewijde volgelingen nooit zou hebben misleid door hen te leren bidden om iets dat nooit zou komen. — Matthéüs 6:9, 10.
De apostel Petrus kreeg een toekomstbeeld te zien van die hemelse regering. Dit vond plaats toen Jezus voor de ogen van Petrus en twee andere apostelen op een hoge berg een transfiguratie onderging. Daarom kon Petrus vele jaren later schrijven: „Neen, niet door kunstig verzonnen onware verhalen te volgen, hebben wij u bekendgemaakt met de kracht en tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus, maar doordat wij ooggetuigen van zijn luister waren geworden.” — 2 Petrus 1:16-18.
In een visioen zag Petrus Christus als heerser in dat koninkrijk van God! „Dientengevolge”, vervolgde Petrus, „is het profetische woord [betreffende het Koninkrijk, waar profeten als Jesaja en Daniël over spraken] voor ons des te vaster gemaakt” (2 Petrus 1:19). De profeet Daniël bijvoorbeeld tekende een visioen op van Christus’ installatie als Koning toen Hem „heerschappij en waardigheid en een koninkrijk [werd] gegeven”. Daniël vervolgde: „Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden.” — Daniël 7:13, 14.
Wat zal volgens „het profetische woord” gebeuren met de huidige menselijke regeringen wanneer Gods koninkrijk als een verhoring van de gebeden van Christus’ volgelingen zal komen? Luister naar de geïnspireerde voorzegging in Daniël 2:44: „In de dagen van die koningen [de nu bestaande regeringen] zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht [het Koninkrijk waar Christus zijn discipelen om leerde bidden]. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken [huidige menselijke regeringen] verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan.”
Ja, dit koninkrijk van God is ’s mensen enige hoop op een oplossing voor het probleem van de armoede! De feiten laten zien dat mensen niet op de juiste wijze over hun medemens kunnen regeren. Uit de geschiedenis blijkt dat „de ene mens over de andere mens heeft geheerst tot diens nadeel”, ongeacht de soort van menselijke regering die is geprobeerd. Zoals Gods Woord lang geleden te kennen gaf, staat het eenvoudig niet aan de mens om zichzelf onafhankelijk van God te besturen. — Prediker 8:9; Jeremia 10:23.
Anderzijds kunt u ervan verzekerd zijn dat de in Jesaja’s „profetische woord” beschreven overvloedige zegeningen verwezenlijkt zullen worden, namelijk: „Zij zullen stellig huizen bouwen en bewonen, en zij zullen stellig wijngaarden planten en hun vrucht eten. Zij zullen niet bouwen en iemand anders het bewonen; zij zullen niet planten en iemand anders ervan eten. . . . Zij zullen niet voor niets zwoegen, noch zullen zij baren tot ontsteltenis, want zij zijn het nageslacht bestaande uit de gezegenden van Jehovah, en hun nakomelingen met hen. En het zal werkelijk geschieden dat voordat zij roepen, ikzelf zal antwoorden, terwijl zij nog spreken, ikzelf zal horen.” — Jesaja 65:21-24.
Jehovah God zal zich niet van enig menselijk initiatief of enige sociale beweging, met inbegrip van de bevrijdingstheologie, bedienen om deze zegeningen tot stand te brengen. In plaats daarvan zal zijn hemelse regering de macht overnemen en de gehele gehoorzame mensheid verenigen, met rechtvaardigheid en voorspoed als resultaat. Houd daarom Gods koninkrijk voor ogen. Ken het de eerste plaats in uw leven toe. Ja, „het is beter zijn toevlucht te nemen tot Jehovah dan te vertrouwen op de aardse mens”. — Psalm 118:8; Matthéüs 6:33.
[Illustratie op blz. 7]
Gods koninkrijk zal de problemen van de armen oplossen